ECLI:NL:GHAMS:2026:482

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-000947-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 OpiumwetArt. 14a OpiumwetArt. 14b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervoer handelshoeveelheden harddrugs en mishandeling opsporingsambtenaar

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van handelshoeveelheden cocaïne, heroïne en methamfetamine op 7 januari en 7 april 2020 in Amsterdam. Tevens werd hij schuldig bevonden aan mishandeling van een opsporingsambtenaar door met hoge snelheid tegen hem aan te rennen terwijl hij zijn helm droeg, wat leidde tot een sleutelbeen uit de kom.

De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld, maar het hof vernietigde het vonnis deels vanwege een onrechtmatige fouillering zonder voorafgaande cautie, wat een vormverzuim opleverde. Dit vormverzuim leidde tot strafvermindering. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor het deel van de vrijspraak.

Het hof legde een taakstraf van 140 uren op, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.200 toegekend aan de benadeelde opsporingsambtenaar voor immateriële schade. Diverse in beslag genomen goederen, waaronder een bromfiets, werden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, terwijl andere voorwerpen werden teruggegeven of in bewaring gesteld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand wegens vervoer van handelshoeveelheden harddrugs en mishandeling van een opsporingsambtenaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000947-21
Datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-008183-20 (zaak A) en 13-097679-20 (zaak B) tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is - gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging – en voor zover aan het oordeel aan het hof onderworpen ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak Afeit 1hij, op of omstreeks 7 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 21,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak Bfeit 1 primairhij op of omstreeks 7 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, toen de aldaar dienstdoende verbalisant [verbalisant 1] verdachte op verdenking van het overtreden van de Opiumwet, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, op de wacht en of afstand stond teneinde hem aan te houden en of ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie, met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, door zich opzettelijk en met hoge snelheid tegen die [verbalisant 1] aan te rennen, terwijl verdachte zijn helm op had, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een gekneusde pols en/of een sleutelbeen uit de kom bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad;
feit 1 subsidiairhij op of omstreeks 7 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, [verbalisant 1] heeft mishandeld door met hoge snelheid tegen die [verbalisant 1] aan te rennen, terwijl verdachte zijn helm nog op had;
feit 1 meer subsidiairhij op of omstreeks 7 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, met hoge snelheid tegen [verbalisant 1] , surveillant van politie Eenheid Amsterdam, is aangerend, terwijl verdachte zijn helm nog op had, waarna deze [verbalisant 1] tegen een (politie)auto is aangevallen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat deze [verbalisant 1] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een gekneusde pols en/of een sleutelbeen uit de kom, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan;
feit 2hij op of omstreeks 7 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer
- 24 plastic bolletjes met 8,57 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en/of
- 1 papiertje met 0,44 gram wit poeder en brokjes, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en/of
- 4 papiertjes met 2,62 gram wit poeder en brokjes, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, en/of
- 3 plastic bolletjes met 1,03 gram bruin poeder en brokjes, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, en/of
- 2 plastic zakjes met 1,88 gram vuilwitte kristallen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine, in elk geval een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal om in verband met een iets andere bewezenverklaring en om proces-economische redenen worden vernietigd.

Zaak A

Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder zaak A feit 1. De verdediging voert ten aanzien van zaak A feit 1 geen verweer meer.
Bewijsoverwegingen en strafbaarheid van het feit in zaak A
Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 januari 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd 21,73 gram van een materiaal bevattende cocaïne.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Zaak B

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder zaak B feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van zaak B heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een verhoor, voordat de verdachte werd gefouilleerd. Het bewijs is niet geleverd door de verklaring die de verdachte toen heeft afgelegd, zodat geen sprake is van nadeel. Daarnaast is bij de fouillering geen sprake van een vormverzuim. Indien het hof van oordeel is dat dat wel het geval is, dan leidt dat niet tot bewijsuitsluiting. Ten aanzien van zaak B feit 1 subsidiair kan het voorwaardelijk opzet bewezen worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak B feit 1 dient vrijspraak te volgen. Van voorwaardelijk opzet – alsook van de schuldvariant in het meer subsidiair tenlastegelegde – kan in alle redelijkheid geen sprake zijn. Het opbotsen is juist ontstaan doordat verbalisant [verbalisant 1] de wens had om de verdachte tegen te houden door hem opzettelijk te blokkeren met zijn lichaam.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook van zaak B feit 2 moet worden vrijgesproken. Primair moet bewijsuitsluiting volgen vanwege het niet geven van de cautie voorafgaande aan het verhoor terwijl dat wel had gemoeten. Nadat aan de verdachte ten onrechte geen cautie is gegeven, is hij gefouilleerd. Het resultaat van de fouillering moet worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair dient strafvermindering te volgen als sanctie vanwege het begane onherstelbare vormverzuim van fouillering op grond van de Opiumwet zonder het bestaan van ernstige bezwaren. De fouillering heeft een inbreuk gemaakt op het recht van privacy van de verdachte, meer in het bijzonder op diens lichamelijke integriteit.

Bewijsoverwegingen en strafbaarheid van de feiten in zaak B feit 2

Verweer vormverzuimen
Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat hij de verdachte als bestuurder van een motorscooter heeft staande gehouden en vervolgens heeft gecontroleerd op naleving van de Wegenverkeerswet en daarbij het rijbewijs en de kentekenpapieren heeft gevorderd. De verdachte heeft daarop zijn rijbewijs getoond. De verbalisant heeft de gegevens van de verdachte in de politiesystemen nagetrokken. Daaruit volgde dat hij antecedenten ter zake de Opiumwet had. De verdachte kwam daarnaast zenuwachtig op de verbalisant over en een vrouw op een bankje naast de verdachte bemoeide zich niet met het gesprek. Met name dat laatste vond de verbalisant opvallend. De verbalisant heeft uit deze feiten en omstandigheden het vermoeden gekregen dat de verdachte drugs bij zich had. De verdachte heeft desgevraagd verklaard geen drugs bij zich te hebben en heeft vervolgens zijn armen en benen gespreid, waarmee hij bij de verbalisant de indruk wekte dat deze hem mocht fouilleren. De verbalisant heeft de verdachte vervolgens gefouilleerd en heeft daarbij zowel geld als drugs aangetroffen.
Volgens de raadsvrouw moet primair bewijsuitsluiting volgen vanwege het niet geven van de cautie terwijl dat wel had gemoeten.
Het hof overweegt als volgt. Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren van artikel 359a Sv wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Bewijsuitsluiting kan als op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is gekregen en indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
Voor zover al sprake zou zijn van enig onherstelbaar vormverzuim, is door de verdediging niet gesteld, noch onderbouwd waaruit het daardoor veroorzaakte nadeel voor de verdachte, die slechts heeft verklaard
geendrugs bij zich te hebben, heeft bestaan. Het hof verwerpt reeds om die reden het ter zake gevoerd verweer.
Subsidiair dient volgens de raadsvrouw strafvermindering te volgen als sanctie vanwege het begane onherstelbare vormverzuim van fouillering op grond van de Opiumwet zonder het bestaan van ernstige bezwaren.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet is voor een onderzoek aan de kleding het bestaan van ernstige bezwaren noodzakelijk. Het hof is van oordeel dat uit het proces-verbaal onvoldoende blijkt van ernstige bezwaren dat de verdachte zich aan een Opiumwetfeit schuldig zou maken. Het enkele feit dat de verdachte antecedenten heeft en zich bij zijn staandehouding zenuwachtig gedroeg zijn daartoe onvoldoende redengevend. De overige geschetste omstandigheden – het langdurig (drie tot vier seconden) aankijken van de verbalisant en het gedrag van de vrouw met wie de verdachte kennelijk een ontmoeting had – maken dat niet anders. De fouillering heeft daarmee onrechtmatig plaatsgevonden.
Er is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Het hof houdt rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat de verdachte daarvan heeft ondervonden. In dat kader verdient opmerking dat het feit dat het niet ontdekken van de drugs die de verdachte met zich meevoerde niet geldt als een rechtens te respecteren belang. Het hof is, als bepleit door de raadsman, van oordeel dat met de onrechtmatige fouillering een inbreuk op de privacy van de verdachte is gemaakt. Het nadeel dat de verdachte heeft ondervonden zal het hof via de weg van strafvermindering compenseren. Voor de mate waarin strafvermindering zal worden toegepast wijst het hof op hetgeen hierna onder ‘Oplegging van straffen en maatregelen’ is overwogen.
Feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 april 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd
- 24 plastic bolletjes met 8,57 gram van een materiaal bevattende cocaïne en
- 1 papiertje met 0,44 gram wit poeder en brokjes van een materiaal bevattende cocaïne en
- 4 papiertjes met 2,62 gram wit poeder en brokjes van een materiaal bevattende cocaïne en
- 3 plastic bolletjes met 1,03 gram bruin poeder en brokjes van een materiaal bevattende heroïne en
- 2 plastic zakjes met 1,88 gram vuilwitte kristallen van een materiaal bevattende metamfetamine.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,
meermalen gepleegd.

Bewijsoverwegingen en strafbaarheid van zaak B feit 1

Feit 1 primair
Tijdens de aanhouding van de verdachte heeft aangever, verbalisant [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ), die op enige afstand van de verdachte stond, de verdachte zich zien losrukken van de andere verbalisanten en met hoge snelheid op hem zien afkomen. Om te voorkomen dat de verdachte zou kunnen vluchten heeft [verbalisant 1] de verdachte geprobeerd tegen te houden. Hij heeft gevoeld dat de verdachte – die zijn motorhelm op had – met kracht tegen hem aan botste als gevolg waarvan [verbalisant 1] samen met de verdachte tegen een politieauto viel. Hij is hierbij met zijn rechterschouder tegen de auto aangekomen en heeft een hevige pijn in zijn rechterschouder ervaren. [verbalisant 1] heeft alleen nog kracht kunnen zetten met zijn linkerhand. De verdachte is zich tegen zijn aanhouding blijven verzetten en is uiteindelijk aangehouden. Uit de letselverklaring blijkt dat het sleutelbeen van de rechterschouder van [verbalisant 1] uit de kom lag.
De verdachte heeft verklaard dat hij tegen de agent is aangebotst toen hij probeerde weg te rennen. Hij heeft in zijn ooghoek gezien dat de agent tegen de auto aanviel. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij wel heeft gezien dat er agenten om hem heen stonden.
Het hof heeft, anders dan de verdediging heeft bepleit, geen reden aan de door de verbalisant [verbalisant 1] gerelateerde bevindingen met betrekking tot de toedracht van het gebeurde te twijfelen.
Het hof ziet zich gelet op de verklaring van de verdachte voor de vraag gesteld of de verdachte opzettelijk tegen [verbalisant 1] is aangerend en beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van het hof is sprake van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft zich onttrokken aan zijn aanhouding en is met zijn helm op hard weggerend, terwijl hij wist dat er agenten om hem heen stonden, die hem wilden aanhouden en ook zouden proberen te stoppen. Hij heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij tegen een agent zou kunnen opbotsen (en daarmee letsel zou kunnen veroorzaken).
Bewezenverklaringen zaak B
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 april 2020 te Amsterdam, toen de aldaar dienstdoende verbalisant [verbalisant 1] verdachte op verdenking van het overtreden van de Opiumwet, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, op de wacht en/of afstand stond teneinde hem aan te houden, met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, door zich opzettelijk en met hoge snelheid tegen die [verbalisant 1] aan te rennen, terwijl verdachte zijn helm op had, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een sleutelbeen uit de kom bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.
Het bewezen geachte feit is naar het oordeel van het hof niet strafbaar. Het is (volgens het in de tenlastelegging genoemde wetsartikel) beoogd ten laste te leggen als wederspannigheid in de zin van artikel 180 van Pro het Wetboek van Strafrecht, maar het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ van dit delict ontbreekt in de tenlastelegging. Gelet daarop dient de verdachte ten aanzien van feit 1 primair te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Feit 1 subsidiair
Nu de verdachte ter zake van het in zaak B onder feit 1 primair tenlastegelegde feit niet wordt veroordeeld, dient het hof te beoordelen of het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. De hiervoor besproken feitelijke situatie is eveneens aan te merken als een mishandeling van [verbalisant 1] .
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 april 2020 te Amsterdam [verbalisant 1] heeft mishandeld door met hoge snelheid tegen die [verbalisant 1] aan te rennen, terwijl verdachte zijn helm nog op had.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Het in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Bewijs

Het bewezenverklaarde in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 subsidiair en 2 is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft in verband met de bepleite vrijspraak van zaak B feiten 1 en 2 verzocht de verdachte tot een veel lagere straf te veroordelen dan dat de rechtbank heeft gedaan. De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten inmiddels bijna zes jaar geleden zijn gepleegd en dat de redelijke termijn is geschonden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een periode van vier maanden tot twee keer toe schuldig gemaakt aan het vervoeren van handelshoeveelheden harddrugs. Dit zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Door het kopen van verdovende middelen blijft de handel in deze middelen in stand hetgeen gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze drugs. De verdachte heeft zich daarnaast tijdens zijn aanhouding schuldig gemaakt aan de mishandeling van verbalisant [verbalisant 1] door met kracht tegen hem aan te rennen terwijl hij zijn motorhelm nog op had. Het sleutelbeen van [verbalisant 1] is hierdoor uit de kom geraakt. Het heeft twee à drie maanden geduurd voordat hij geen pijn of last meer had.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 december 2025 blijkt dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor het plegen van Opiumwetfeiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden van het plegen van de thans bewezenverklaarde strafbare feiten.
Het voorgaande rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden. Daarnaast heeft het hof – zoals hiervoor is overwogen – een vormverzuim ten aanzien van de fouillering geconstateerd en daaraan de consequentie verbonden dat strafvermindering zal dienen plaats te vinden. Het hof acht met de oplegging van een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk het vormverzuim in beginsel voldoende gecompenseerd.
Het hof neemt echter in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 12 april 2021 is namens de verdachte hoger beroep ongesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 22 januari 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 33 maanden overschreden. Dat brengt het hof ertoe in plaats van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Beslag
Uit het dossier volgt dat in zaak A de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:
  • een Rolex horloge (goednummer 5863587);
  • een Hublot horloge (goednummer 5863450);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’(omschrijving: zakje met kristallen substantie, goednummer 5863316);
  • 6 stuks ‘verdovende middelen’, (omschrijving: 6 zakjes met kristalachtige substantie, goednummer 5863317);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 1 zakje met kristal, goednummer 5863319);
  • 9 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 9 ponypacks, goednummer 5863320);
  • 75 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 75 bolletjes in plastic zak, goednummer 5863321);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863538);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863539);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863498);
  • € 1.000,00 (goednummer 5863278);
  • € 160,00 (goednummer 5863279);
  • € 30,00 (goednummer 5863280);
  • € 6,80 (goednummer 5863315);
  • € 500,00 (goednummer 5863311);
  • € 60,00 (goednummer 5863312);
  • € 10,00 (goednummer 5863313);
  • € 10,00 (goednummer 5863314);
  • € 650,00 (goednummer 5863508);
  • een personenauto Audi A3 Sportback (goednummer 5756297).
In zaak B zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • € 3.197,80 (goednummer 5905437);
  • een bromfiets (goednummer 5905404);
  • 24 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 24 plastic zakjes met witte stof, goednummer 5905407);
  • 5 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 5 ponypacks met witte stof, goednummer 5905410);
  • 3 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 3 plastic zakjes met bruine stof, goednummer 5905413);
  • 2 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 2 plastic zakjes witte stof, goednummer 5905415);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 1 zakje bruine op hashish gelijkende stof, goednummer 5905425).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de motorscooter en de geldbedragen verbeurd worden verklaard, de verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer, de bewaring wordt gelast ten behoeve van de rechthebbende ten aanzien van het Rolex horloge en dat de auto en de overige voorwerpen aan de verdachte worden teruggegeven.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen geldbedragen aan de verdachte moeten worden teruggegeven, omdat de geldbedragen niet van drugshandel afkomstig zijn. Ten aanzien van de geldbedragen onder feit 1 van zaak A heeft de raadsman aangevoerd dat dit geld afkomstig was van het bedrijf van de verdachte. Ten aanzien van de geldbedragen in zaak B feit 2 is het geld dat onder de verdachte werd aangetroffen van [persoon] . De rest van het geld, te weten een bedrag van € 500,00, was van zijn vriendin.
Het hof overweegt als volgt.
Verbeurdverklaring
Het hof is van oordeel dat de bromfiets dient te worden verbeurdverklaard, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan.
Onttrekking aan het verkeer
Het hof is van oordeel dat de verdovende middelen met goednummers 5863320, 5863321, 5905407, 5905410, 5905413 en 5905415 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de in zaak A onder 1 en in zaak B onder 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De overige ‘verdovende middelen’ en poeders dienen ook te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet of het algemeen belang. De inbeslaggenomen en niet teruggegeven bij de doorzoeking aangetroffen poeders, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen worden vermengd met andere stoffen.
Teruggave aan de verdachte
Het hof is van oordeel dat het Hublot horloge, de geldbedragen en de auto dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Het hof is van oordeel dat het Rolex horloge dient te worden bewaard teneinde terug te geven aan de rechthebbende. De verdachte heeft verklaard dat dit horloge niet van hem is.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.816,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Hiervan ziet € 1.200,00 op het lichamelijk letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen en is € 616,50 gebaseerd op de Richtlijnen van de Letselschade Raad en behelst een forfaitair bedrag voor huishoudelijke hulp. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdachte van zaak B feit 1 dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Uit de toelichting op de vordering en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij een zogenaamde ‘Tossy 3 AC-Luxatie’ bij de rechterschouder had en daar enkele maanden veel last van heeft gehad. Het voorval heeft ook mentale gevolgen gehad. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij toegelicht dat hij in zijn werk voorzichtiger is geworden. Ook kan hij nog steeds niet zoveel sporten als voorheen en blijft zijn schouder een kwetsbare plek, onder meer omdat zijn sleutelbeen meer omhoog is komen te staan. Het hof acht een immateriële schadevergoeding van € 1.200,00 redelijk en billijk. De vordering wordt tot dat bedrag toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak B onder 1 primair bewezenverklaarde
nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een bromfiets (goednummer 5905404).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’(omschrijving: zakje met kristallen substantie, goednummer 5863316);
  • 6 stuks ‘verdovende middelen’, (omschrijving: 6 zakjes met kristalachtige substantie, goednummer 5863317);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 1 zakje met kristal, goednummer 5863319);
  • 9 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 9 ponypacks, goednummer 5863320);
  • 75 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 75 bolletjes in plastic zak, goednummer 5863321);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863538);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863539);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: plastic zakje met wit poeder, goednummer 5863498);
  • 24 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 24 plastic zakjes met witte stof, goednummer 5905407);
  • 5 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 5 ponypacks met witte stof, goednummer 5905410);
  • 3 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 3 plastic zakjes met bruine stof, goednummer 5905413);
  • 2 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 2 plastic zakjes witte stof, goednummer 5905415);
  • 1 stuks ‘verdovende middelen’ (omschrijving: 1 zakje bruine op hashish gelijkende stof, goednummer 5905425).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • een Hublot horloge (goednummer 5863450);
  • € 1.000,00 (goednummer 5863278);
  • € 160,00 (goednummer 5863279);
  • € 30,00 (goednummer 5863280);
  • € 6,80 (goednummer 5863315);
  • € 500,00 (goednummer 5863311);
  • € 60,00 (goednummer 5863312);
  • € 10,00 (goednummer 5863313);
  • € 10,00 (goednummer 5863314);
  • € 650,00 (goednummer 5863508);
  • een personenauto Audi A3 Sportback (goednummer 5756297);
  • € 3.197,80 (goednummer 5905437).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een Rolex horloge (goednummer 5863587).
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 april 2020.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. E. Mijnsberge en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026, zijnde de oudste en jongste raadsheer en de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.