ECLI:NL:GHAMS:2026:474

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-000370-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 420quater SrArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep schuldwitwassen coronasteun Tegemoetkoming Vaste Lasten

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor schuldwitwassen van €72.000 aan onterecht ontvangen coronasteun (Tegemoetkoming Vaste Lasten). In hoger beroep vernietigt het hof het eerdere vonnis en verklaart het bewezen dat de verdachte het bedrag voorhanden had terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het uit misdrijf afkomstig was.

Het hof baseert zich op bewijsstukken waaronder de aanvraag TVL met onjuiste omzetgegevens, bankafschriften en de verklaring van de verdachte. De verdachte verstrekte zijn DigiD en bankgegevens aan een onbekende persoon die de aanvraag indiende. Hij zag het bedrag op zijn rekening binnenkomen en maakte direct een deel over naar een andere rekening.

De verdachte had moeten vermoeden dat de aanvraag onjuist was en dat het geld uit oplichting van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland afkomstig was. Gezien de ernst van het feit en het ontbreken van eerdere veroordelingen legt het hof een taakstraf van 120 uren op. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat het bedrag inmiddels is terugbetaald.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren voor schuldwitwassen van €72.000 aan coronasteun.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000370-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer
81-134476-24 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 16 december 2020 tot en met 22 februari 2021 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal € 72.000,-, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of het voorhanden heeft/hebben en/of dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De verdachte is verantwoordelijk voor de aanvraag van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) die hij door iemand anders heeft laten doen. De verdachte heeft het geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Tegen de verdachte is gezegd dat hij recht had op de tegemoetkoming en de aanvraag is door een ander gedaan. De verdachte dacht dat de werkelijke gegevens waren ingevoerd. Het medeplegen van het feit kan niet worden bewezen, omdat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
Oordeel van het hof
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op naam van de verdachte een aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) is ingediend, waarbij een veel hoger bedrag aan omzet is ingediend dan de daadwerkelijk behaalde omzet, namelijk € 1.000.000,00 in plaats van € 6.459,00. Daardoor heeft de verdachte van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onterecht een bedrag van € 72.000,00 op zijn rekening ontvangen. De verdachte wist dat er op naam van zijn eenmanszaak een aanvraag TVL zou worden gedaan. Hij heeft daarvoor onder andere zijn DigiD- en bankgegevens verstrekt aan een persoon van wie hij desgevraagd geen enkel gegeven kon verstrekken. Hij heeft gezien dat dit bedrag op zijn bankrekening is gestort en heeft vervolgens – op dezelfde dag dat hij dit geld had ontvangen – een deel van dat bedrag overgeboekt naar een andere bankrekening op zijn naam. De verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt en (daarmee) dat het bedrag aan tegemoetkoming uit misdrijf afkomstig was. Dit bedrag stond immers niet in redelijke verhouding tot de omzet van zijn eenmanszaak. Daarnaast kon de verdachte er niet van uitgaan dat een persoon van wie hij geen gegevens kan verstrekken, maar aan wie hij wel zijn DigiD- en bankgegevens heeft verstrekt, een juiste aanvraag zou indienen.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een bedrag van € 72.000,00 voorhanden heeft gehad, terwijl de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat dit bedrag uit misdrijf afkomstig was, te weten de oplichting van RVO.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 december 2020 in Nederland een geldbedrag van € 72.000,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde – gekwalificeerd als eendaadse samenloop van witwassen en eenvoudig witwassen – veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde (opzet)witwassen zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een straf opgelegd moet worden die de verdachte ervan zal weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht alleen een taakstraf op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het bedrag aan tegemoetkoming met rente heeft terugbetaald aan RVO en dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van een bedrag van € 72.000,00 aan coronasteun, de zogenoemde Tegemoetkoming Vaste Lasten. Hij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat dit bedrag afkomstig was uit misdrijf, namelijk oplichting van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die belast was met het verstrekken van die tegemoetkoming. Dit feit is gepleegd in een periode waarin de Nederlandse samenleving veel onzekerheid kende door de gevolgen van het coronavirus. De overheid stelde belastinggeld ter beschikking aan bedrijven die door stilgevallen bedrijfsactiviteiten zelf onvoldoende geld hadden om hun vaste lasten te betalen en kon in die periode niet alle aanvragen direct uitgebreid controleren. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft bijgedragen aan het misbruiken van deze bijzondere (nood)situatie.
Het hof heeft bij het bepalen van de soort en omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.496,82. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.996,82. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit een door de raadsman in hoger beroep overgelegde e-mail van incassobedrijf GGN van 19 juli 2025 blijkt dat de betalingsachterstand van de verdachte bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland volledig is betaald. Bij die stand van zaken zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Verklaart de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, mr. A.P.M. van Rijn en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 februari 2026.

Bijlage: bewijsmiddelen

1.
Een proces-verbaal van verdenking van 22 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar ( [nummer] , digitale dossierpagina’s 1 tot en met 5).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
De ING bank N.V. (hierna ING) heeft een signaal afgegeven omtrent een bijboeking op rekening
[iban 1] ten name van [verdachte] waarvan zij het vermoeden heeft dat er sprake is van fraude. Op 16 december 2020 is een bedrag van € 72.000 overgemaakt naar de hiervoor genoemde bankrekening. Dit bedrag is ontvangen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO) en hield verband met de Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna TVL). Om in aanmerking te komen voor de TVL is een voorwaarde dat er sprake is van omzetverlies van minimaal 30 procent. Hierbij wordt het 4e kwartaal 2020 vergeleken met het 4e kwartaal 2019. Door [verdachte] is niet aan deze voorwaarde van omzetverlies voldaan en hij had daarmee geen recht op deze TVL. Op het ingediende verzoek tot tegemoetkoming en de als onderbouwing meegezonden bescheiden is een bedrag als omzet voor het 4e kwartaal 2019 opgenomen die veel hoger is dan de daadwerkelijk behaalde omzet zoals deze is opgenomen op de ingediende aangifte omzetbelasting bij de Belastingdienst over het 4e kwartaal 2019.
In het belastingdienstsysteem Beheer van Relaties staat dat [verdachte] een eenmanszaak heeft. Op het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat dat de handelsnaam van deze eenmanszaak [bedrijf] is. Op 13 december 2020 om 15:06 uur is op naam van [bedrijf] een aanvraag TVL ingediend. In deze aanvraag is als omzet over het 4e kwartaal 2019 een bedrag van € 1.000.000 ingevuld. Als verwachte omzet voor het 4e kwartaal 2020 is in de aanvraag € 0 ingevuld. Hieruit volgt een omzetverlies van € 1.000.000. Dit bedrag aan omzetverlies geeft op basis van de formule van de RVO recht op een tegemoetkoming van € 90.000. Op 13 december 2020 heeft de RVO beslist op de aanvraag. Hierin is het volgende te lezen:
“U komt in aanmerking voor subsidie. De voorlopige subsidie is berekend op basis van het door u aangegeven omzetverlies in de periode oktober tot en met december 2020 en bedraagt € 90.000,00. U ontvangt binnen vijf werkdagen een voorschot van € 72.000,00.”Op het rekeningnummer [iban 1] ten name van [verdachte] is op 16 december 2020 het bedrag ad € 72.000 binnen gekomen. In het belastingsysteem, OB Lokaal, staat dat [verdachte] op 22 januari 2020 aangifte omzetbelasting heeft gedaan voor het 4e kwartaal 2019. Het opgegeven bedrag aan omzet is € 6.459.
2.
Een geschrift, te weten een aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 13 december 2020 (15-DOC-002, digitale dossierpagina’s 26 tot en met 30).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Uw aanvraag is ingediend op 13-12-2020.
U doet een aanvraag voor:
Naam: [bedrijf]
Contactpersoon: [verdachte]
Rekeningnummer: [iban 1]
Omzet 4e kwartaal 2019: 1.000.000,00
3.
Een geschrift, te weten een beslissing aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 13 december 2020 (15-DOC-004, digitale dossierpagina’s 32 tot en met 34).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Betreft: beslissing aanvraag Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL Q4 2020)
U komt in aanmerking voor subsidie. De voorlopige subsidie is berekend op basis van het door u aangegeven omzetverlies in de periode oktober tot en met december 2020 en bedraagt € 90.000,00. U ontvangt binnen vijf werkdagen een voorschot van € 72.000,00.
4.
Een geschrift, te weten een bankafschrift van rekeningnummer [iban 1] (15-DOC-005, digitale dossierpagina 35).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Rekeningnummer [iban 1]
Rekeninghouder: [verdachte]
Boekdatum: 16-12-2020
Transactiebedrag debet: € 10.000
Tegenrekening: [iban 2]
Tenaamstelling tegenrekening: [verdachte]
Boekdatum: 16-12-2020
Transactiebedrag credit: € 72.000
Tegenrekening: [iban 3]
Tenaamstelling tegenrekening: RVO.NL
5.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Vrienden van mij zeiden tegen mij – omdat ik een firma heb – dat ik recht had op een vergoeding, dus ik heb iemand de aanvraag laten doen. Ik heb € 72.000,00 op mijn rekening ontvangen. Ik heb papieren aan hem gegeven. Hij heeft mijn DigiD en bankpas gevraagd om de aanvraag in te kunnen dienen. Ik heb gegevens van [bedrijf] gegeven. De voorzitter vraagt aan mij of ik op dezelfde dag dat ik het bedrag van € 72.000,00 had ontvangen, een bedrag van € 10.000,00 heb overgeschreven naar een andere rekening op mijn naam. Ja, ik heb die overboeking gedaan. De voorzitter vraagt aan mij of ik dus heb gezien dat het bedrag van € 72.000,00 was binnengekomen, waarna ik naar een andere rekening geld heb overgeboekt. Ja.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.