ECLI:NL:GHAMS:2026:473

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-002158-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 420ter SrArt. 6 EVRMArt. 27 lid 1 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt veroordeelde medeplegen gewoontewitwassen en legt 16 maanden gevangenisstraf op

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen van €116.000, €39.965 en CHF 196.200. De verdachte stuurde koeriers aan die contant geld en dure horloges vervoerden, waarbij het hof een leidinggevende rol aan de verdachte toekent.

Het hof baseerde zich op verklaringen van de medeverdachte, bankafschriften, schriftelijke verklaringen en het ontbreken van een geloofwaardige en verifieerbare verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden. De verdachte gaf tegenstrijdige verklaringen en kon geen aannemelijke administratie overleggen, wat het hof overtuigde van de betrokkenheid bij witwassen.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, maar het openbaar ministerie eiste 24 maanden. Het hof matigde de straf tot 16 maanden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna 41 maanden. Daarnaast gelastte het hof de teruggave van in beslag genomen telefoons, simkaarten en betaalkaarten aan de verdachte.

Het hof benadrukte de ernst van het witwassen, de rol van de verdachte als organisator en de bedreiging die witwassen vormt voor de legale economie. De straf is onvoorwaardelijk en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die geen strafblad heeft.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van gewoontewitwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002158-20
Datum uitspraak: 17 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 september 2020 in de strafzaak onder parketnummer
15-289393-19 tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ),
adres: [adres] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026 en 3 februari 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Ook het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 1 augustus 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, van het (mede)plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en) (te weten één of meer (grote) (geld)bedragen (van (ongeveer) EUR 116.000,00 en/of EUR 39.965,00 en/of CHF 196.200,00) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) (te weten voornoemd(e) bedrag(en)), gebruik gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat sprake is van een vermoeden van witwassen van alle tenlastegelegde geldbedragen en dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van die bedragen heeft gegeven. Bij die stand van zaken kan het niet anders zijn dan dat die bedragen uit misdrijf afkomstig zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen en dat het openbaar ministerie geen of onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar die verklaring. In dit verband heeft de raadsvrouw gewezen op de stukken die de verdediging in de zaak van de verdachte heeft ingebracht voor de onderbouwing van de verklaring van de verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het tenlastegelegde gewoontewitwassen van de geldbedragen van € 116.000,00, € 39.965,00 en 196.200,00 Zwitserse franken kan worden bewezenverklaard. [1] Daartoe overweegt het hof als volgt.
Witwasvermoeden
Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of uit welke misdrijven de tenlastegelegde geldbedragen afkomstig zijn. Daaruit blijkt wel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, namelijk uit de volgende feiten en omstandigheden:
- de medeverdachte [medeverdachte] heeft in een korte periode (op 29 mei, 30 mei en 28 juli 2019) drie hoge contante geldbedragen voorhanden gehad bij zijn aankomst op of vertrek van de luchthaven Schiphol [2] , welke luchthaven regelmatig wordt gebruikt voor het vervoeren van contant geld dat uit misdrijf afkomstig is,
- [medeverdachte] heeft het geldbedrag van 196.200,00 Zwitserse franken onbeveiligd vervoerd in een papieren tas in zijn rugzak [3] , wat een verhoogd risico op verlies of diefstal met zich brengt,
- [medeverdachte] hield zich naast het vervoeren van contante geldbedragen ook bezig met het vervoeren van dure horloges in opdracht van (onder anderen) de verdachte. Die horloges droeg hij aan zijn pols [4] , wat een verhoogd risico op beschadiging, verlies of diefstal met zich brengt,
- de dozen en certificaten van die horloges werden veelal niet samen met de horloges vervoerd, maar apart verstuurd [5] , wat erop wijst dat het (grensoverschrijdende) vervoer van de horloges onopgemerkt moest blijven voor de Douane of andere autoriteiten,
- de verdachte heeft in de periode van 12 april 2018 tot en met 3 mei 2018 en van 15 augustus 2018 tot en met 24 november 2020 contante geldbedragen van in totaal 298.000 Amerikaanse dollars en 1.619.432,68 Zwitserse franken op zijn bankrekeningen ontvangen en bedragen van in totaal 369.589,00 Amerikaanse dollars en 1.678.831,85 Zwitserse franken uitgegeven bij juweliers en/of horlogehandelaren [6] , wat erop wijst dat de verdachte als tussenpersoon (dure) horloges heeft gekocht en wat regelmatig onderdeel is van het witwassen van geld dat uit misdrijf afkomstig is,
- [medeverdachte] heeft vanuit zijn detentieadres in Nederland en in het kader van zijn aanhouding een telefoongesprek gevoerd over (onder meer) de aanwezigheid van een ‘mol’ [7] , wat wijst op het bestaan van een crimineel samenwerkingsverband.
Deze feiten en omstandigheden brengen met zich dat van de verdachte(n) een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen mag worden verwacht.
Verklaring van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte]
De medeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoren bij de Koninklijke Marechaussee op 28 en 29 juli 2019, 15 augustus 2019 en 23 oktober 2019 samengevat het volgende verklaard. De geldbedragen van € 116.000,00, € 39.965,00 en 196.200,00 Zwitserse franken zijn van hem. Hij handelt in exclusieve horloges. Het bedrag van € 116.000,00 heeft hij opgenomen van zijn bankrekening. Dat bedrag heeft hij meegenomen vanuit Moskou naar Amsterdam voor de aankoop van een horloge in Antwerpen. Het bedrag van (afgerond) € 40.000,00 heeft hij geleend van een vriend. Daarvoor is hij teruggevlogen naar Moskou toen bleek dat hij te weinig geld had meegenomen voor de aankoop van het horloge in Antwerpen. Die aankoop ging uiteindelijk niet door en vervolgens heeft hij het bedrag van in totaal € 156.000,00 bij de verdachte in bewaring gegeven met het verzoek dit bedrag op een later moment in Zwitserse franken aan hem terug te geven. Het bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken heeft hij ontvangen van de verdachte bij het [hotel] hotel in Amsterdam op 26 juli 2019. Dit is het bedrag van € 156.000,00 in Zwitserse franken, al dan niet aangevuld met een lening van de verdachte.
In de strafzaak tegen [medeverdachte] heeft de verdediging twee schriftelijke verklaringen van de verdachte ingebracht. Deze maken ook deel uit van het dossier van de strafzaak tegen de verdachte. In de eerste verklaring van 30 juli 2019 verklaart de verdachte dat hij 196.000,00 Zwitserse franken aan [medeverdachte] heeft gegeven in ruil voor euro’s en Amerikaanse dollars en dat hij dit bedrag van zijn bankrekening heeft opgenomen. Bij die verklaring is een bankafschrift gevoegd, waaruit blijkt dat op 15 januari 2019 een bedrag van 210.000,00 Zwitserse franken is opgenomen van een bankrekening van de verdachte. In de tweede verklaring van 6 augustus 2019 verklaart de verdachte onder meer dat hij een bedrag van € 156.000,00 heeft bewaard voor [medeverdachte] , dat hij dit bedrag in Zwitserse franken aan hem heeft teruggeven met een lening en dat hij op 15 januari 2019 een bedrag in Zwitserse franken heeft opgenomen van zijn bankrekening.
De verdachte heeft in zijn verhoren bij de Koninklijke Marechaussee op 27 februari 2020 en 2 maart 2020 gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. In zijn latere verhoren op 4 en 24 juni 2020, in een schriftelijke verklaring van de verdachte waarin hij alsnog antwoord geeft op vragen die hem op 2 maart 2020 zijn gesteld en op de terechtzitting bij de rechtbank heeft hij samengevat het volgende verklaard. De geldbedragen van € 116.000,00, € 39.965,00 en 196.200,00 Zwitserse franken zijn niet van [medeverdachte] , maar van hem. [8] De verdachte handelt in exclusieve horloges en [medeverdachte] werkt voor hem als één van zijn koeriers. Het bedrag van € 116.000,00 is afkomstig van een lening van [persoon 1] aan de verdachte voor een bedrag van 14.000.000,00 Russische roebels dat naar euro’s is omgewisseld. [medeverdachte] heeft dit bedrag meegenomen van Moskou naar Amsterdam voor de aankoop van een horloge in Antwerpen. Het bedrag van (afgerond) € 40.000,00 is afkomstig uit de verkoop van een horloge in Dubai. Dat bedrag heeft [medeverdachte] daar opgehaald toen bleek dat het bedrag van € 116.000,00 te weinig was voor de aankoop van het horloge in Antwerpen. Die aankoop is uiteindelijk niet doorgegaan en de verdachte heeft het bedrag van in totaal € 156.000,00 van [medeverdachte] ontvangen. Dat heeft hij gebruikt voor de aankoop van een horloge voor het bedrag van € 160.000,00 op een beurs van de Watch Trader Association (WTA) in München op 8 en 9 juni 2019. Het bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken is afkomstig uit de verkoop van datzelfde horloge op diezelfde beurs. Dit bedrag heeft de koper op verzoek van de verdachte op een later moment aan een ander gegeven die het bedrag vervolgens aan [medeverdachte] heeft gegeven bij het [hotel] hotel in Amsterdam.
In dit verband heeft de verdediging onder meer de volgende stukken ingebracht:
  • een schriftelijke verklaring van [medeverdachte] van 3 juli 2020, waarin hij onder meer verklaart dat hij eerder niet volledig de waarheid heeft verteld, dat de geldbedragen niet van hem zijn, maar van de verdachte, dat hij het bedrag van € 40.000,00 in Dubai heeft ontvangen en dat hij het bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken niet van de verdachte, maar van een ander heeft ontvangen bij het [hotel] hotel in Amsterdam op 26 juli 2019,
  • een leenovereenkomst van 25 april 2019 tussen [persoon 1] en de verdachte voor een bedrag van 14.000.000,00 Russische roebels,
  • een bewijs van geldwisseling van 26 april 2019 op naam van de verdachte voor een bedrag van 14.000.000,00 Russische roebels naar € 194.850,00,
  • een (niet vertaalde) schriftelijke verklaring van [persoon 2] van 18 juni 2021, waarin hij volgens de verdediging de aankoop van een horloge van het merk Rolex, type Rainbow, van de verdachte op de WTA beurs in München op 9 juni 2019 bevestigt, en
  • een (niet vertaalde) factuur van 9 juni 2019 van [bedrijf 1] voor een Rolex Rainbow voor een bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken, en
  • stukken met betrekking tot het Russische bedrijf [bedrijf 2] , waaronder een uittreksel uit het Russische handelsregister en een balans en winst- en verliesrekening over het jaar 2018.
Verder heeft de verdediging in verband met het geldbedrag van € 39.965,00 in het bijzonder gewezen op een telefoonbericht van de verdachte aan [medeverdachte] van 29 mei 2019, waarin een persoons- en bedrijfsnaam en een adres in Dubai zijn vermeld.
Hoogst onwaarschijnlijk
Het hof is van oordeel dat de verdachte een hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarvoor redengevend:
  • de verdachte heeft in zijn eigen strafzaak een hele andere verklaring gegeven over de herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen dan in de strafzaak tegen [medeverdachte] . In beide zaken zijn ook stukken ingebracht die zijn verschillende verklaringen moeten ondersteunen. De verdachte heeft voor die verschillende verklaringen als redenen gegeven, zo begrijpt het hof, dat hij zich niet bewust was van de ernst van de strafzaak tegen [medeverdachte] en dat hij met [medeverdachte] had afgesproken dat deze bij een douanecontrole moest verklaren dat het geld van hem ( [medeverdachte] ) was om een controle te vereenvoudigen, aan welke afspraak [medeverdachte] te lang heeft vastgehouden. Die redenen overtuigen niet. Integendeel, de verschillende verklaringen van de verdachte en de redenen die hij daarvoor heeft gegeven, wijzen er juist op dat de verdachte bereid is onjuiste verklaringen af te (laten) leggen tegenover de Douane en andere autoriteiten en dat de herkomst van de geldbedragen verborgen moest blijven. Dit brengt ook met zich dat het hof weinig waarde hecht aan de door de verdediging ingebrachte schriftelijke verklaringen van onder anderen [persoon 3] ,
  • de verdachte heeft geen facturen of andere administratie overgelegd waaruit blijkt dat de geldbedragen van (afgerond) € 40.000,00 en 196.200,00 Zwitserse franken afkomstig waren uit de door hem in tweede instantie gestelde verkoop van horloges. Dat kan wel van hem worden verwacht, omdat zijn verklaringen erop neerkomen dat hij beroeps- of bedrijfsmatig handelt in (exclusieve) horloges en van zo’n handelaar mag worden verwacht dat hij een administratie bijhoudt. Voor wat betreft het bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken volstaat de factuur van [bedrijf 1] ( [persoon 2] ) niet, omdat het hier gaat om een verkoopfactuur van [bedrijf 1] , terwijl deze het horloge zou hebben ingekocht en de verdachte op deze factuur als verkoper (‘Verkäufer’) is aangeduid,
  • de verdachte heeft een ongeloofwaardige verklaring afgelegd over de herkomst van de geldbedragen van € 116.000,00 en 196.200,00 Zwitserse franken. Die verklaring en de stukken die in dat verband zijn overgelegd, brengen met zich dat deze bedragen wekenlang zijn bewaard (van 26 april 2019 tot 29 mei 2019 respectievelijk van 9 juni 2019 tot 26 juli 2019), terwijl de verdachte tegelijkertijd heeft verklaard dat hij op één dag wel 20 of 30 transacties kan afsluiten, dat er in zijn zaak veel geld binnenkomt en ook snel weer uitgaat en dat het voor zijn bedrijf goed is veel geld in omloop te hebben, omdat dat nodig is voor de inkoop,
  • de verdachte heeft geen gegevens willen of kunnen geven van de persoon die in opdracht van de verdachte het bedrag van 196.200,00 Zwitserse franken bij [persoon 2] zou hebben opgehaald en vervolgens aan [medeverdachte] heeft gegeven bij het [hotel] hotel in Amsterdam op 26 juli 2019,
  • de verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheid dat [medeverdachte] en andere koeriers de horloges om hun polsen vervoerden tijdens hun (vlieg)reizen. Dat deze wijze van vervoer goedkoper en sneller zou zijn dan beveiligd en/of verzekerd vervoer, verklaart niet hoe en waarom een beroeps- of bedrijfsmatige horlogehandelaar de met deze wijze van vervoer gepaard gaande risico’s op beschadiging, verlies en diefstal kan en wil nemen. Dat verklaart ook niet waarom de dozen en certificaten van de horloges apart werden verstuurd.
Voor zover de stukken van de verdediging over het Russische bedrijf [bedrijf 2] , waarvan de verdachte (mede)eigenaar zou zijn, de verklaring van de verdachte over de herkomst van de geldbedragen moeten ondersteunen, volgt het hof dit niet. Die geldbedragen zouden immers afkomstig zijn uit een lening en twee verkooptransacties die, zo begrijpt het hof uit de verklaringen van de verdachte en de door de verdediging overgelegde leenovereenkomst en factuur van [bedrijf 1] , niet voor rekening van [bedrijf 2] , maar voor rekening van de verdachte zijn gedaan.
Doordat de verdachte een hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de geldbedragen, was het openbaar ministerie niet gehouden om verder onderzoek te doen naar de verklaringen van de verdachte en de stukken die hij in dat verband heeft overgelegd. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 mei 2019 tot en met 1 augustus 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, van het medeplegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten geldbedragen van EUR 116.000,00 en EUR 39.965,00 en CHF 196.200,00 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde – gekwalificeerd als medeplegen van witwassen – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, gelet op de hoogte van het witwasbedrag, de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de grote rol die de verdachte als organisator heeft gehad terwijl hij zelf buiten schot bleef.
De raadsvrouw heeft – indien het hof van oordeel is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (een deel van) het tenlastegelegde – verzocht aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude en te compenseren voor de ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsvrouw verzocht in elk geval geen straf op te leggen hoger dan de straf die de verdachte reeds heeft uitgezeten. De verdachte heeft geen strafblad en is niet in aanraking geweest met justitie, ook niet in Rusland.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van € 116.000,00, € 39.965,00 en 196.200,00 Zwitserse franken (omgerekend ongeveer € 177.529,00). Uit het dossier blijkt dat de verdachte koeriers, waaronder de medeverdachte [medeverdachte] , heeft aangestuurd bij het vervoeren van contant geld en dure horloges en daarmee een leidinggevende rol heeft gehad bij het witwassen van de bewezenverklaarde bedragen. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden.
Uit het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Daarin ziet het hof geen aanleiding een lagere straf op te leggen.
Het hof neemt in aanmerking dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Op 30 september 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 17 februari 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 41 maanden overschreden. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om de gevangenisstraf te matigen tot 16 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder de verdachte zijn drie telefoons, twee debitcards, acht creditcards en een simkaart in beslag genomen. Het hof is van oordeel dat deze goederen aan de verdachte moeten worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- telefoon Apple grijs (goednummer PL2700-20-019803-1);
- telefoon Apple groen, inclusief blauwe hoes (goednummer PL2700-20-019803-2);
- telefoon Apple wit, inclusief witte hoes (goednummer PL2700-20-019803-3);
- debitcard Transferwise (goednummer PL2700-20-019803-4);
- debitcard Transferwise (goednummer PL2700-20-019803-5);
- creditcard Hsbc (goednummer PL2700-20-019803-6);
- creditcard Russian standard (goednummer PL2700-20-019803-7);
- creditcard Alfabank (goednummer PL2700-20-019803-8);
- creditcard Alfabank (goednummer PL2700-20-019803-9);
- creditcard Alfabank (goednummer PL2700-20-019803-10);
- creditcard American express (goednummer PL2700-20-019803-11);
- creditcard American express (goednummer PL2700-20-019803-12);
- creditcard American express (goednummer PL2700-20-019803-13);
- simkaart Swisscom (goednummer PL2700-20-019803-14).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de volgende voetnoten. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van aanhouding van de verdachte [medeverdachte] van 28 juli 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina 18), een proces-verbaal van verdenking van 30 juli 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina’s 24 en 25) en een proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina’s 179 en 180).
3.Een proces-verbaal van aanhouding van de verdachte [medeverdachte] van 28 juli 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina 18).
4.Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina’s 157 tot en met 160).
5.Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina’s 157 tot en met 160).
6.Een proces-verbaal van bevindingen ‘aangeleverde afschriften bankrekeningen [verdachte] ’ met proces-verbaalnummer LOIRA125 van 20 augustus 2020 (pagina 3).
7.Een proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2019 (dossier B deel 2, doorgenummerde pagina’s 196 tot en met 198).
8.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 september 2020.