In deze zaak gaat het om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige], die sinds april 2024 in gezinshuis [X] verblijft. De rechtbank Noord-Holland had eerder op 25 april 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 27 maart 2026, en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten afgewezen. De moeder is het niet eens met deze beslissingen en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de verslavingsproblematiek van de moeder en de ontwikkeling van de minderjarige in het gezinshuis. Het hof concludeert dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De moeder heeft positieve stappen gezet in haar herstel, maar de zorgen over haar stabiliteit en de impact daarvan op [minderjarige] blijven bestaan. Het hof wijst ook het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek af, omdat dit te belastend zou zijn voor [minderjarige]. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd.