ECLI:NL:GHAMS:2026:47

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.357.364/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en afwijzing verzoek deskundigenonderzoek

In deze zaak gaat het om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige], die sinds april 2024 in gezinshuis [X] verblijft. De rechtbank Noord-Holland had eerder op 25 april 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 27 maart 2026, en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten afgewezen. De moeder is het niet eens met deze beslissingen en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de verslavingsproblematiek van de moeder en de ontwikkeling van de minderjarige in het gezinshuis. Het hof concludeert dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De moeder heeft positieve stappen gezet in haar herstel, maar de zorgen over haar stabiliteit en de impact daarvan op [minderjarige] blijven bestaan. Het hof wijst ook het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek af, omdat dit te belastend zou zijn voor [minderjarige]. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.364/01
zaaknummer rechtbank: C/15/361495 / JU RK 25-147
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,
en
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , en
- het gezinshuis [X] , gevestigd te [plaats B] , hierna: het gezinshuis.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (5 jaar).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 25 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking), op het verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis verlengd tot 27 maart 2026. Daarnaast is het verzoek van de moeder om op grond van artikel 810a lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen. De moeder is het met beide beslissingen niet eens en wil dat het inleidend verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen, of anders dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur wordt verlengd. Als dat niet kan, wil zij dat binnen een redelijke termijn een onafhankelijke deskundige wordt aangesteld om het opvoedperspectief van [minderjarige] opnieuw te beoordelen. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 25 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 2 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De GI heeft op 10 oktober 2025 een schriftelijke reactie van het gezinshuis op het beroepschrift ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 augustus 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de GI van 10 oktober 2025, met bijlage.
2.5
De zitting heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- drie vertegenwoordigers van de GI.
De raad en het gezinshuis zijn, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft (onder meer) een dochter, namelijk:
- [minderjarige] , geboren [in] 2020 te [plaats C] .
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] , toen nog ongeboren, is bij beschikking van de kinderrechter van 27 maart 2020 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 27 maart 2026 bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 25 april 2025.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 mei 2023 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis [XX] . Deze machtiging is daarna steeds verlengd. [minderjarige] verblijft sinds april 2024 in het gezinshuis [X] .
3.4
Bij beschikking van 22 februari 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 27 maart 2025. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij beschikking van dit hof van 27 augustus 2024 is de
beschikking van 22 februari 2024 bekrachtigd en is het verzoek van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beperken tot maximaal zes maanden, afgewezen.
3.5
Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de moeder en haar advocaat, de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpverlener, in afwachting van een schriftelijke reactie van de advocaat van de moeder, verlengd tot 27 april 2025, onder aanhouding van het meer verzochte.
3.6
De GI heeft mondeling op 9 januari 2024, schriftelijk vastgelegd op 10 januari 2024, een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat zij niet meer voornemens is naar terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder toe te werken.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, te weten gezinshuis [X] , verlengd tot 27 maart 2026. Daarnaast is het verzoek van de moeder om op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:
I. (primair) het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog wordt afgewezen;
II. (subsidiair) de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur wordt verlengd, te weten tot twee maanden na de te wijzen beschikking, zodat in die twee maanden een terugplaatsingsplan kan worden gerealiseerd met inzet van het netwerk van de moeder;
III. (meer subsidiair) binnen een redelijke termijn een onafhankelijke deskundige wordt aangesteld om het opvoedperspectief van [minderjarige] opnieuw te beoordelen;
IV. dan wel een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie meent te behoren en in het belang van [minderjarige] juist acht.
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar meer subsidiaire verzoek aangevuld, in die zin dat zij verzoekt om het opvoedperspectief van [minderjarige] te beoordelen in het kader van een 810a Rv onderzoek. De moeder heeft daarbij de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
  • Hoe ziet het netwerk van de moeder eruit en hoe kan dat ingezet worden bij een eventuele terugval?
  • Wat is de interactie in de hechtingsband tussen de moeder en [minderjarige] en hoe zijn zij in de thuissituatie op elkaar ingespeeld?
  • Hoe moet de samenwerking met het gezinshuis eruit zien? Kan [minderjarige] haar band met het gezinshuis behouden in het kader van een omgangsregeling? Is er een eventuele mogelijkheid tot een weekendplaatsing, zodat [minderjarige] een weekend bij het gezinshuis kan zijn? Zo ja, hoe moet dat eruit zien? Zo nee, waarom is dat niet mogelijk?
  • Moet [minderjarige] in [plaats B] of in [plaats A] naar school gaan?
  • Hoe dient omgegaan te worden met de traumabehandeling van [minderjarige] ? Dient deze behandeling voortgezet te worden in [plaats A] of in [plaats B] ?
4.3
De GI verzoekt om het door de moeder ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten
5.1
De moeder stelt dat zij de noodzaak van (de tijdelijke maatregel van) een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer inziet. Zij is in staat om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] te dragen en wil de kans krijgen om dat te laten zien. De moeder is inmiddels negen maanden clean sinds haar laatste terugval in drugsgebruik, welke terugval plaatsvond op een voorspelbaar stressmoment. De moeder heeft zich daarna reflectief opgesteld, verantwoordelijkheid genomen en heeft positieve stappen gezet in haar herstelproces. Zo volgt zij traumatherapie bij GGZ InGeest, neemt zij deel aan NA-meetings, werkt zij met de GGZ en thuisbegeleiding en beschikt zij over een terugvalpreventieplan met een vangnet/steunnetwerk. De conclusie dat terugplaatsing binnen een aanvaardbare termijn niet te verwachten valt, is prematuur en onvoldoende onderbouwd. De moeder wil dat het perspectiefbesluit onder de loep genomen wordt en dat daarbij gekeken wordt hoe de positieve ontwikkelingen die zij de afgelopen tijd heeft laten zien, zich verhouden tot dat besluit. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is disproportioneel gelet op de vooruitgang van de moeder, de relatie tussen de moeder en [minderjarige] , het bestaande vangnet en het ontbreken van zwaarwegende contra-indicaties tegen uitbreiding van de zorg bij de moeder thuis. De rechtbank heeft het recht van [minderjarige] op familieleven, het recht om waar mogelijk op te groeien in haar eigen gezinssituatie (artikel 3 IVRK) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 8 EVRM) miskend. Het gezinshuis en de GI hebben verklaard dat er in de praktijk nog steeds ruimte is om te kijken naar wat het hoogst haalbare is voor de moeder en [minderjarige] en het perspectiefbesluit is daarom niet absoluut. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis, omdat zij signalen laat zien die erop wijzen dat zij daar psychosociaal onder druk staat of overbelast is. De moeder wil dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling of in het kader van een artikel 810a Rv onderzoek een terugplaatsingstraject wordt opgestart.
5.2
De GI is van mening dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds (in het belang van haar verzorging en opvoeding) noodzakelijk is. De moeder laat wisselend gedrag zien, wat samenhangt met haar borderlineproblematiek en verslavingsproblematiek. In de periodes dat zij stabiel, clean en in contact is, kan zij beschikbaar zijn voor [minderjarige] , maar als zij ontregeld is, verward raakt of drugs gebruikt, dan komt de veiligheid van [minderjarige] in het gedrang. De wisselende beschikbaarheid van de moeder heeft zijn weerslag op de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is gebaat bij structuur en voorspelbaarheid. De moeder kan in stabiele periodes enige voorspelbaarheid bieden, maar zodra haar problematiek op de voorgrond treedt, verdwijnt de stabiliteit. Daarbij ontbreekt een steunend netwerk waarop de moeder kan terugvallen. Eenmaal per zes weken vindt een gezamenlijk overleg (van gemiddeld één tot anderhalf uur) plaats tussen de moeder, het gezinshuis, de betrokken gedragswetenschapper en de jeugdbeschermer. Tijdens deze overleggen wordt stilgestaan bij de zorgen die de moeder heeft met betrekking tot [minderjarige] . De moeder kan teveel informatie geven en vragen en uit beschuldigingen richting het gezinshuis, wat de samenwerking bemoeilijkt. Hoewel de moeder bereidheid tot verbetering toont en zich bewust is van haar problemen, lukt het haar niet om in de praktijk voldoende en duurzaam uitvoering te geven aan de noodzakelijke stabiliteit. Zij heeft langdurige en grondige behandeling nodig voor haar trauma’s voordat de verslavingsproblematiek en gedragsproblematiek duurzaam naar de achtergrond kunnen verdwijnen. Tot nu toe blijkt dat de moeder bij toenemende druk telkens terugvalt in oude patronen. Dit patroon vormt de rode draad in het leven van de moeder en [minderjarige] . De GI staat daarom niet achter een terugplaatsing en ziet ook geen mogelijkheden voor het blijven werken aan de terug naar huis voorwaarden. Verder is de GI van mening dat er geen terugplaatsingsonderzoek dient plaats te vinden, omdat [minderjarige] duidelijkheid moet krijgen over de plek waar zij zal opgroeien.
5.3
Het gezinshuis betwist dat [minderjarige] psychosociaal onder druk zou staan. [minderjarige] ontwikkelt zich overwegend positief en toont groei in zelfstandigheid, spel en sociaal gedrag. Haar gedrag is passend bij haar leeftijd en achtergrond. Wel heeft [minderjarige] nog steeds nachtmerries, maar het gezinshuis ondersteunt haar daarbij. Ontregeling komt incidenteel voor. [minderjarige] is veerkrachtig en herstelt snel bij nabijheid en begrenzing, wat past binnen het profiel van kinderen met een onveilige hechting. Lichamelijke klachten zijn incidenteel bij haar en worden altijd opgevolgd. Er is een adequate afstemming met de GI en de gedragswetenschapper over [minderjarige] en er wordt structureel gerapporteerd in het digitale cliëntsysteem Carefriend, waar de moeder toegang tot heeft. Het gezinshuis is beschikbaar voor toelichting en vragen, zodat mogelijke signalen altijd bespreekbaar zijn. De klachten die [minderjarige] incidenteel laat zien, zijn verklaarbaar vanuit haar voorgeschiedenis. Alle betrokken partijen onderschrijven dat behandeling nodig is voor de traumagerelateerde klachten en hechtingsproblematiek van [minderjarige] . De voorbereiding voor deze behandeling is gestart en zodra de financiering rond is, zal de behandeling aanvangen. De plaatsing van [minderjarige] verloopt verder stabiel. In het gezinshuis is structuur aanwezig en binnen het gezinshuis wordt gewerkt volgens de principes van trauma- en hechtingssensitief opvoeden. De samenwerking met de moeder vraagt om zorgvuldige en consistente afstemming om de stabiliteit van de plaatsing op de lange termijn te blijven waarborgen.
De beoordeling
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Het wettelijk kader
5.4
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.
5.5
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is in mei 2023 door middel van een machtiging uit huis geplaatst in gezinshuis [XX] , omdat er al langere tijd zorgen waren over de verslavingsproblematiek, psychiatrische problematiek en de trauma gerelateerde problematiek van de moeder. Vanwege de problematiek van de moeder groeide [minderjarige] op in een kwetsbare en onvoorspelbare opvoedsituatie. Zij werd in de thuissituatie geconfronteerd met de emoties en verslaving van de moeder. In de periodes dat de moeder drugs gebruikte, was zij onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] en omdat [minderjarige] zich zorgen maakte om de moeder kwam zij onvoldoende toe aan haar eigen ontwikkeling. In april 2024 is [minderjarige] overgeplaatst naar het perspectiefbiedende pleeggezin van het gezinshuis [X] , waar zij sindsdien verblijft. [minderjarige] lijkt zich in dit gezinshuis goed te ontwikkelen.
5.6
Vanaf april 2023 is de moeder zes weken opgenomen geweest in een afkickkliniek in Zuid-Afrika, waarna zij tot begin september 2023 in een zogeheten [Y] van de Stichting [stichting] heeft verbleven. Na terugkomst in Nederland is de moeder een aantal maanden abstinent geweest. Begin januari 2024 heeft zij een terugval gehad, waarbij zij harddrugs (cocaïne) heeft gebruikt. Hoewel de moeder in de periode daarna een positieve ontwikkeling leek door te maken, heeft zij op 16 maart 2025 opnieuw een terugval gehad in het gebruik van cocaïne, terwijl [minderjarige] op dat moment bij haar was. De moeder heeft [minderjarige] die dag niet volgens de afspraak terug gebracht naar het gezinshuis. Gebleken is dat dit heeft geleid tot een terugval in het gedrag van [minderjarige] . De GI heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij na dit incident een stressreactie hebben gesignaleerd bij [minderjarige] , waarna de omgangsregeling is aangepast. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de moeder, mede vanwege haar problematiek, ten tijde van de bestreden beschikking niet in staat was om de volledige zorg voor [minderjarige] te dragen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] destijds dan ook terecht verlengd.
5.7
Hoewel het positief is dat de moeder inmiddels negen maanden clean is, traumatherapie bij GGZ InGeest volgt en deelneemt aan NA-meetings, is het hof van oordeel dat de moeder zich, mede gelet op de hiervoor genoemde terugvallen en haar psychiatrische problematiek, in een kwetsbare situatie bevindt. Daarnaast bestaan er nog steeds zorgen over [minderjarige] . Het hof benadrukt dat [minderjarige] een jong meisje is met trauma- en hechtingsproblematiek. In oktober 2024 is [minderjarige] begonnen bij Praktijk Forward met traumabehandeling. Zij heeft vijf sessies gehad middels de storytelling methode, waarna de spanning bij haar van het overlijden van haar broertje [broertje] aanzienlijk is verminderd. Hoewel in januari 2025 besloten was de therapie voort te zetten, mogelijk met de uithuisplaatsing als onderwerp, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat er vervolgens een pauze is ingelast, vanwege financiële problemen met de gemeente. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige] gestart is met EDMR-therapie en dat Theraplay eventueel ingezet zou kunnen worden voor haar, maar dat daarvoor wel intensieve medewerking van het gezinshuis nodig is. Ook heeft de GI verklaard dat de structuur en stabiliteit die de moeder aan [minderjarige] kan bieden vaak afhankelijk is van de specifieke situatie van de moeder op dat moment. Omdat [minderjarige] behoefte heeft aan blijvende structuur, stabiliteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid, en de situatie bij de moeder niet langdurig genoeg stabiel is geweest, acht de GI een terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk. Het hof onderschrijft dit standpunt, maar merkt daarbij op dat de GI ter zitting in hoger beroep hierop nuances heeft aangebracht, inhoudende dat er, indien de positieve ontwikkelingen zich voortzetten, wellicht toegewerkt kan worden naar een wekelijks weekendverblijf van [minderjarige] bij de moeder. Bovendien heeft de GI bij de moeder aangegeven dat gekeken wordt naar de aan de orde zijnde situatie en dat niet wordt uitgesloten dat bij een voortzetting van die positieve ontwikkelingen mettertijd, bijvoorbeeld over drie jaar, en de GI nog betrokken is alsnog gekeken zal worden naar de mogelijkheden voor een terugplaatsingsonderzoek.
Het hof is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ook nu nog aanwezig zijn. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder dan ook afwijzen. Het hof ziet evenmin aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een kortere duur te verlengen, zoals de moeder subsidiair heeft verzocht, en zal dat verzoek van de moeder daarom ook afwijzen.
5.8
Het hof merkt ten overvloede op dat het positief is dat [minderjarige] sinds de zomer 2025 eenmaal in de twee weken een weekend van vrijdag tot en met zondag bij de moeder (in [plaats A] ) verblijft en dat zij elkaar in de andere week op vrijdag in [plaats B] zien. Bovendien is gebleken dat de samenwerking tussen de moeder en de GI op dit moment goed verloopt. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er (op dit moment) geen sprake is van een onderzoek van de raad naar gezagsbeëindiging, omdat de moeder haar gezag niet misbruikt. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat, als deze positieve lijn wordt voortgezet en de moeder emotionele toestemming geeft voor het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis, toegewerkt zal worden naar een vrijwillig kader, waarbij een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogelijk niet meer noodzakelijk zijn.
5.9
Voor zover de moeder nog heeft gesteld dat de rechtbank het recht van [minderjarige] op familieleven, het recht om waar mogelijk op te groeien in haar eigen gezinssituatie (artikel 3 IVRK) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 8 EVRM) heeft miskend, overweegt het hof dat dit standpunt niet opgaat. In deze zaak is geen sprake van een schending van die verdragsbepalingen, nu de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing berust op de wet en, zoals hiervoor is overwogen, in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel is.
Deskundigenonderzoek
Het wettelijk kader
5.1
Artikel 810a, tweede lid, Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.11
De moeder heeft meer subsidiair verzocht te bepalen dat binnen een redelijke termijn een onafhankelijke deskundige wordt aangesteld om het opvoedperspectief van [minderjarige] opnieuw te beoordelen. Naar het oordeel van het hof verzet het belang van [minderjarige] zich tegen een deskundigenonderzoek. Met de GI is het hof van oordeel dat een dergelijk onderzoek, dat mede gericht zal zijn op de vraag of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk is, te belastend is voor [minderjarige] , omdat het, mede gelet op de hierboven beschreven kwetsbare positie waarin zij zich bevindt, tot verdere onrust en onduidelijkheid leidt. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
5.12
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.