ECLI:NL:GHAMS:2026:469

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.343.682/01OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:24b BWArt. 2:350 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondernemingskamer beveelt onderzoek en benoemt commissaris en beheerder bij familiebedrijf wegens verstoorde aandeelhoudersverhouding

De Ondernemingskamer Amsterdam behandelde een verzoek van HAS, minderheidsaandeelhouder van Hasbos B.V., om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Hasbos en haar groepsmaatschappijen over de periode 2018-2024. Dit verzoek volgde op jarenlange conflicten tussen de meerderheidsaandeelhouder [broer] en minderheidsaandeelhouder [zus], die leidde tot een verstoorde verhouding en onvoldoende informatievoorziening.

HAS stelde dat de bestuurder en meerderheidsaandeelhouder [broer] de minderheidsaandeelhouder buitenspel zette, onvoldoende informeerde, een dubieus financieel beleid voerde en onnodig lage dividenduitkeringen toepaste ondanks hoge solvabiliteit. De Ondernemingskamer constateerde dat de verhoudingen ernstig verstoord zijn en dat het bestuur onvoldoende rekening houdt met de belangen van de minderheidsaandeelhouder.

De Kamer benoemde als onmiddellijke voorziening een onafhankelijke commissaris en een beheerder van 201 aandelen van de meerderheidsaandeelhouder, om de informatievoorziening te verbeteren en de invloed van de meerderheidsaandeelhouder te beperken. Tevens werd een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken, waarbij de kosten voor rekening van Hasbos komen. De Kamer veroordeelde Hasbos in de proceskosten en wees verdere verzoeken af.

Uitkomst: De Ondernemingskamer beveelt een onderzoek naar het beleid van Hasbos en benoemt een commissaris en beheerder van aandelen als onmiddellijke voorzieningen.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.343.682/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 19 februari 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
H.A.S. HOLDING B.V.,
gevestigd te Enschede,
VERZOEKSTER,
advocaten:
mr. R.J.W. Analbersen
mr. V.L. Denswil, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HASBOS B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SES NEDERLAND B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NELA BEHEER B.V.,
alle gevestigd te Enschede,
VERWEERSTERS,
advocaten:
mr. C.P.B. Kroepen
mr. S. Erkel, beiden kantoorhoudende te Enschede,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.O.S. HOLDING B.V.,
gevestigd te Enschede,

2 [broer] ,

wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat:
mr. C.P.B. Kroepen
mr. S. Erkel, beiden kantoorhoudende te Enschede.
Hierna zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:
  • verzoekster als HAS;
  • verweersters ieder afzonderlijk als Hasbos, SES en Nela en gezamenlijk als Hasbos c.s.;
  • belanghebbenden ieder afzonderlijk als BOS en [broer] en gezamenlijk als BOS c.s.;
  • [zus] als [zus] .

1.Het verloop van het geding

1.1
HAS heeft bij verzoekschrift van 19 juli 2024 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Hasbos c.s. over de periode vanaf 1 januari 2018 tot 19 juli 2024;
als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:
a. een derde persoon te benoemen tot bestuurder van Hasbos;
b. 201 van de door BOS gehouden gewone aandelen in Hasbos over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder; of
c. een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. Hasbos c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.2
Hasbos c.s. en BOS c.s. hebben bij verweerschrift van 26 september 2024 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van HAS af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.3
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 17 oktober 2024. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en onder overlegging van vooraf toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Zij hebben vervolgens gezamenlijk de Ondernemingskamer verzocht een mediator aan te dragen, opdat partijen in onderling overleg tot een oplossing van hun conflict zouden komen; aan dat verzoek is gehoor gegeven.
1.4
Een jaar later, op 10 oktober 2025, heeft HAS laten weten dat zij alsnog een beschikking wenst, omdat partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen. De Ondernemingskamer heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld een korte schriftelijke toelichting over de huidige stand van zaken te geven. Beide hebben dit onder overlegging van nadere producties gedaan. Aan een nieuwe mondelinge behandeling bestond bij geen van partijen behoefte.

2.Inleiding en feiten

2.1
Deze zaak gaat over [broer] en [zus] , broer en zus, die het door hun ouders opgerichte familiebedrijf SES hebben voortgezet. Die onderneming is actief op het gebied van het maken en verhandelen van (kinder)speelgoed. De verhouding tussen [broer] en [zus] is al geruime tijd slecht. [broer] is (indirect) enig bestuurder van Hasbos. [zus] is sinds 24 november 2017 niet langer (indirect) medebestuurder van Hasbos en vindt dat haar als (indirect) aandeelhouder tekort wordt gedaan.
2.2
Hasbos is op 21 december 2000 opgericht als houdstermaatschappij van SES. HAS en BOS houden in totaal respectievelijk 40% en 60% van de aandelen in Hasbos (ieder één preferent aandeel en 799 respectievelijk 1199 gewone aandelen). HAS is de persoonlijke holding van [zus] , BOS die van [broer] . BOS is enig bestuurder van Hasbos. Hasbos is enig aandeelhouder van SES en Nela. SES is een door de ouders van [broer] en [zus] opgerichte onderneming die zich richt op het vervaardigen en verhandelen van (kinder)speelgoed. Nela is eigenaar van het vastgoed in Enschede, waarin SES haar activiteiten ontplooit. [broer] is, sinds het vertrek van [zus] als bestuurder in november 2017, enig bestuurder van SES en van Nela.
2.3
[zus] is opgeleid tot registeraccountant en was, feitelijk tot medio december 2015, als CFO van de onderneming verantwoordelijk voor de financiën. In de loop van 2014/begin 2015 is tussen [zus] en [broer] verschil van inzicht ontstaan over met name de (wijze van) groei van de onderneming, de interne verhoudingen, waaronder de wijze van leidinggeven, en de onderlinge taakverdeling. [zus] is na 18 december 2015 niet meer op kantoor aanwezig geweest. Op 11 januari 2016 heeft [zus] zich ziekgemeld bij SES.
2.4
Bij beschikking van 1 november 2017 (zaaknummer 200.222.345/01 OK) heeft de Ondernemingskamer een eerder enquêteverzoek van HAS afgewezen, omdat er naar haar oordeel destijds onvoldoende was gebleken van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. Wel overwoog de Ondernemingskamer (in 3.11):
Bij eventueel aftreden c.q. ontslag van HAS (…) als bestuurder van Hasbos ligt overigens wel voor de hand dat (…) tussen partijen een aandeelhoudersovereenkomst wordt gesloten.
2.5
Na haar vertrek als (indirect) bestuurder van de vennootschappen heeft [zus] bij [broer] aangedrongen op een aandeelhoudersovereenkomst, maar in januari 2018 heeft ze hem te kennen gegeven haar pogingen daartoe te staken omdat het voor haar duidelijk was dat hij daarvoor niet openstond.
2.6
In 2018 heeft [broer] voorgesteld zijn beloning als bestuurder van SES te verhogen met een variabele beloning aan de hand van nader vast te stellen KPI’s. Bijlage bij dat voorstel was een rapport van Korn Ferry volgens de Hay-functiewaarderingsmethode. In de algemene vergadering van 10 juli 2019 zijn daartoe KPI’s voorgesteld en ondanks de tegenstem van HAS aangenomen. Het gevolg was dat de bezoldiging van de bestuurder steeg van € 215.000 in 2017 naar € 401.310 in 2018 en 2019.
2.7
In december 2018 heeft Hasbos een voorstel gedaan te komen tot een gestructureerde informatieverstrekking aan HAS, onder meer in twee algemene vergaderingen per jaar en tijdige verstrekking van (half)jaarcijfers en andere stukken. HAS heeft dat voorstel geaccepteerd.
2.8
HAS heeft in 2020 een procedure bij de rechtbank Overijssel aanhangig gemaakt, onder meer omdat zij niet tevreden was over de uitvoering door Hasbos van dit informatieprotocol. Bij vonnis van 19 januari 2022 heeft de rechtbank haar vordering om beter geïnformeerd te worden afgewezen. Wel heeft de rechtbank de dividendbesluiten van de algemene vergadering van Hasbos van 16 oktober 2019 en 21 december 2020 vernietigd voor zover daarbij het voorstel van HAS tot uitkering op de gewone aandelen boven € 100.000 respectievelijk € 150.000 is afgewezen. De rechtbank motiveerde dat als volgt:
Nu de uitkering van voormelde geringe dividenden aan HAS als minderheidsaandeelhouder onvoldoende te rechtvaardigen valt door het vennootschapsbelang en de meerderheidsaandeelhouder zichzelf langs andere weg wel een forse, structurele toename van de inkomsten uit de onderneming heeft doen toekomen, is sprake van een onevenredige benadeling van HAS als minderheidsaandeelhouder. Het uit te keren bedrag aan dividend had hoger moeten zijn om onevenredige benadeling te voorkomen.
De rechtbank heeft Hasbos bevolen om binnen dertig dagen een algemene vergadering uit te schrijven en de voorstellen van HAS tot uitkering van dividend over 2018 en 2019 tot een solvabiliteit van 30% opnieuw te agenderen. Desondanks heeft de algemene vergadering niet besloten tot hogere dividenden over 2018 en 2019.
2.9
Nadat de vorige advocaat van HAS had voorgesteld het agendapunt “
Kenbaar maken en toelichten dividendbeleid” toe te voegen aan de agenda voor de volgende algemene vergadering, heeft [broer] bij e-mail van 29 juni 2023 gemeld: “
Er is geen dividendbeleid om kenbaar te maken, laat staan toe te lichten.
2.1
In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden op 14 november 2023 het vonnis van rechtbank Overijssel op beide onderdelen bekrachtigd. Met betrekking tot een ander onderwerp, de verhoging van de bezoldiging van [broer] aan de hand van KPI’s (zie 2.6), oordeelde het hof als volg (r.o. 3.10):
In een situatie als bij SES waarbij de meerderheidsaandeelhouder, tevens bestuurder, de dividenduitkeringen steeds grotendeels tegenhoudt vanwege de precaire financiële toestand van de onderneming, is het moeilijk te verantwoorden dat naast de aanmerkelijke verhoging van het salaris van de bestuurder ook nog eens een “variabel” deel wordt vastgesteld als beloning/bonus voor in het lopende jaar geleverde prestaties, terwijl de daarvoor opgestelde criteria al sinds jaar en dag zijn gehaald en dus in die zin niet uitdagend kunnen worden genoemd. Naar het oordeel van het hof kan dan ook in feite niet worden gesproken van een variabele component die ervoor zorgt dat er door de bijzondere inspanning van de bestuurder extra goede resultaten worden behaald, maar veeleer van een extra vast deel dat bovenop het basissalaris komt. (…) Daarbij komt nog dat de besluiten tot het vaststellen van (de hoogte van) deze niet uitdagende KPI’s zijn genomen op een moment dat de bestuurder steeds waarschuwde dat er behoedzaam moest worden omgesprongen met de liquiditeit en dat er daarom geen plaats was voor een dividenduitkering. Bovendien is het hof van oordeel dat een bestuurder die tevens grootaandeelhouder is (…) vanuit zijn positie als grootaandeelhouder al genoeg drijfveer zal hebben om optimale resultaten te bewerkstelligen, zodat een constructie met een LTI (“langere termijn variabele beloning” zoals vastgelegd met behulp van de KPI’s) in dat geval nog minder voor de hand ligt. Alle hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden het hof tot het oordeel dat de besluiten tot het vaststellen van deze KPI’s in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro worden vereist, zodat deze besluiten zullen worden vernietigd.
In het dictum is dat vervolgens gebeurd.
2.11
In reactie hierop heeft [broer] op 7 december 2023 een oproep verstuurd voor een algemene vergadering met als een van de agendapunten ‘aanpassing van het beloningsbeleid’. De algemene vergadering, gehouden op 28 februari 2024, heeft het voorstel tot het met terugwerkende kracht aanpassen van de beloningssystematiek ondanks tegenstem van HAS aangenomen. De basisbeloning van [broer] is verhoogd naar € 323.500; de variabele component is verlaten. Amrop, een door HAS ingeschakelde adviseur, heeft op 2 juli 2024 geconcludeerd dat het salaris een zeer hoge, zo niet te ruime beloning is, gelet op de omvang van de omzet van de onderneming en op het feit dat het om een familiebedrijf gaat. Verder stelt zij dat in het rapport van Korn Ferry (2.6) niet is onderbouwd hoe men tot het aantal Hay-punten komt.
2.12
Over de boekjaren 2016 tot en met 2022 is bij een totale netto winst van ruim € 10 miljoen in totaal grofweg 15% aan dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders. De solvabiliteit bedroeg in 2022 87%.
2.13
HAS heeft in diverse e-mails van 8 december 2023 tot en met 27 mei 2024 haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van Hasbos c.s. kenbaar gemaakt.
2.14
Op 26 maart 2025 hebben HAS en BOS een nieuwe accountant voor Hasbos benoemd met ingang van het boekjaar 2024.
2.15
Op 28 mei 2025 vond een algemene vergadering plaats met op de agenda onder meer vaststelling van de geconsolideerde jaarrekening 2023 en een besluit tot bestemming van de winst (volgens deze jaarrekening een bedrag van ruim € 744.000). Voorgesteld werd een uitkering op de preferente aandelen van ruim € 68.000 en de helft van het restant van de winst uit te keren op de gewone aandelen; het dan resterende gedeelte zou dan worden toegevoegd aan de algemene reserves. De jaarrekening is voorzien van een goedkeurende controleverklaring van de vorige accountant. Ter vergadering ontstond een discussie over de wijze van waardering van de voorraad en de hoogte van de voorziening voor incourante voorraad. HAS stemde om die reden niet in met het voorstel tot vaststellen van de jaarrekening. Een besluit over dividend is, bij gebreke aan vaststelling van de jaarrekening, vervolgens ook aangehouden.
2.16
De accountant die de geconsolideerde jaarrekening over 2023 heeft gecontroleerd, heeft op 10 september 2025 bericht geen aanleiding te zien om zijn rapportage inzake de jaarrekening 2023 te wijzigen en dat met een eventuele andere verwerkingswijze van de voorraad kan worden gestart in de jaarrekening over boekjaar 2024.
2.17
De (per november 2025 nog) ongecontroleerde jaarrekening 2024 toont een winst na belastingen die vergelijkbaar is met die van 2023. De halfjaarcijfers van 2025 zijn iets beter dan het eerste half jaar van 2024.

3.De gronden van de beslissing

3.1
HAS heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Hasbos c.s. en dat de toestand van de vennootschappen nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft HAS – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De handelwijze van [broer] is gericht op het uitroken van HAS als minderheidsaandeelhouder. HAS is in de loop van de jaren volledig buitenspel gezet. [broer] ziet Hasbos c.s. als zijn eigen ondernemingen, houdt geen rekening met de belangen van [zus] en informeert haar onvoldoende, ontijdig en onjuist; hij negeert het overeengekomen informatieprotocol (2.6) en weigert de cijfers toe te lichten. [broer] is niet in staat een deugdelijke strategie gericht op duurzame groei te formuleren en gaat niet prudent om met tegenstrijdige belangen. Het financiële beleid dat [broer] de afgelopen jaren heeft gevoerd, is minst genomen twijfelachtig en zou onderzocht moeten worden; ook daarover is hij niet transparant en informeert hij HAS wisselend en onjuist, bijvoorbeeld over het eigenstandig terugbrengen van de kredietruimte. Enig effect van miljoeneninvesteringen die vrijwel uitsluitend met eigen vermogen zijn gedaan, is niet gebleken: de resultaten laten eerder een zorgwekkende neergaande trend zien. Een dividendbeleid ontbreekt, terwijl de solvabiliteit onnodig hoog is en de winstuitkeringen al jaren zeer beperkt zijn. De rechtbank heeft Hasbos terechtgewezen, zonder dat dit tot de benodigde verandering heeft geleid.
3.2
Hasbos c.s. vormt een groep in de zin van 2:24b BW, er is een organisatorische en economische eenheid onder gemeenschappelijke leiding. HAS is dus ook bevoegd een enquête te verzoeken bij SES en Nela. Ten aanzien van SES ontbreekt een investerings- en financieringsbeleid en roept de gang van zaken rondom de verdere verhoging van de bezoldiging van [broer] eind 2023 vragen op. Personeel van SES wordt ten behoeve van een andere onderneming ingezet, iets waarover [broer] geen transparantie heeft betracht. Ook de aankoop van grond in Duitsland door SES levert gegronde reden op. Als bestuurder van Nela heeft [broer] gehandeld in strijd met de met de bank gemaakte afspraken, aldus HAS.
3.3
In haar uitlating over de huidige stand van zaken heeft HAS benadrukt dat de situatie ten aanzien van alle genoemde onderwerpen niet is verbeterd, maar juist is verslechterd. [broer] waant zich volgens HAS nog altijd “de onbetwiste koning binnen zijn eigen koninkrijk”, waarvan inmiddels moet worden geconcludeerd dat dit – ook ten nadele van HAS – verder aan het afbrokkelen is. De cijfers verstrekt [broer] nog steeds pas maanden na afloop van het relevante kwartaal en de informatie is bijzonder summier en niet voorzien van deugdelijke toelichting. De cijfers over de eerste twee kwartalen van 2025 bevestigen de zorgen van HAS ten aanzien van de omzetontwikkeling en laten een negatief resultaat zien. De verkoopaantallen lopen verder terug, evenals de bruto marge, terwijl uit openbare bronnen volgt dat de speelgoedmarkt juist groeiende is. De jaarrekening over 2023 is nog altijd niet vastgesteld. De voorraad wordt in de conceptjaarrekening onjuist gewaardeerd. Er is een enorme vordering op de belastingdienst naar aanleiding van absurd hoge voorlopige aangiften Vpb. [broer] probeert nog steeds uit alle macht HAS een dividend te ontzeggen, terwijl er voldoende liquide middelen beschikbaar zijn.
3.4
Hasbos c.s. en BOS c.s. hebben gezamenlijk gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan. In hun actuele bericht voeren zij aan dat HAS in 2025 ongekend veel informatie heeft ontvangen over de cijfers van 2023 en 2024 en de stand van zaken tot en met mei 2025. Ook financieel is er geen reden tot ingrijpen bij Hasbos c.s. De jaarcijfers over 2023 en 2024 kennen geen tekortkomingen. HAS wenst enkel na 25 jaar opeens aanpassing van de bestendig toegepaste wijze van waardering van de voorraad in de jaarrekening, terwijl de controlerend accountant daartoe geen aanleiding ziet. De omzetten en winsten zijn stabiel. Hasbos heeft voorgesteld om, bovenop een winstuitkering op de preferente aandelen, 50% van de winst over 2023 als dividend uit te keren en zij zal dit over 2024 ook voorstellen. Daarmee is er een structureel dividendbeleid. Het niet uitgekeerde gedeelte van de winst wordt gebruikt om verder te investeren in het bedrijf. Er zijn geen gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, aldus Hasbos c.s. en Bos c.s.
3.5
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De verhouding tussen [broer] en [zus] is al jarenlang dermate verstoord dat de algemene vergadering van Hasbos niet meer functioneert zoals zou moeten. Dat leidt weliswaar door de aandeelverhoudingen van 60-40 niet tot een impasse, maar dat die ernstig verstoorde verhouding wel zijn weerslag heeft op het reilen en zeilen van de onderneming, lijkt tussen partijen niet in geschil. Na de eerste procedure bij de Ondernemingskamer schreef de advocaat van [broer] op 4 september 2019 – blijkens de actuele gang van zaken met vooruitziende blik:
“Er zijn inmiddels twee jaren verstreken sinds de zitting bij de Ondernemingskamer. De verhoudingen zijn niet verbeterd, integendeel. Er zijn nu bij iedere bijeenkomst juristen aanwezig en er wordt uitsluitend via de juristen gecommuniceerd. Daarbij is een constante sfeer van wantrouwen en achterdocht. In deze gepolariseerde en gejuridificeerde setting is normaal overleg niet mogelijk. Gelet op de voorgeschiedenis, heb ik geen illusies dat dit gaat veranderen. (…) Feit is dat het niet werkt en niet gaat werken. Het kost alle betrokkenen veel tijd, (negatieve) energie en geld. De vennootschap is hier intussen op geen enkele manier bij gebaat. (…) De constante discussies en spanningen komen de bedrijfsvoering en de slagkracht niet ten goede.”
Ook [zus] is die mening toegedaan, reden waarom zij opnieuw een procedure bij de Ondernemingskamer aanhangig heeft gemaakt.
3.6
De Ondernemingskamer stelt vast dat [broer] de door de Ondernemingskamer in de overweging 3.11 van de beschikking van 1 november 2017 gedane suggestie – dat het na het vertrek van [zus] als bestuurder voor de hand ligt te komen tot een aandeelhoudersovereenkomst – in de wind heeft geslagen. Dit ondanks de uitdrukkelijke wens van HAS om te komen tot zo’n overeenkomst. Ook de wijze waarop [broer] opvolging heeft gegeven aan het oordeel van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden van 14 november 2023 aangaande de besluitvorming over het bezoldigingsbeleid, meer in het bijzonder over de vaststelling van de KPI’s, met terugwerkende kracht tot 2018, roept vragen op. Het door [broer] als meerderheidsaandeelhouder in de algemene vergadering aangenomen besluit om in plaats van de KPI’s zijn vaste salaris als bestuurder van SES ten opzichte van 2017 (2.6) met meer dan 50% te verhogen naar € 323.500 behoefde bezien in het licht van het rapport van Amrop (2.11), een veel steviger onderbouwing. Korn Ferry heeft slechts iets gezegd over de conversie van de variabele delen van de beloning naar vast salaris en is daarbij uitgegaan van een basissalaris van € 295.000, terwijl dat in 2017 € 215.000 was. Het feit dat [broer] namens BOS ondanks valide argumenten van HAS tegen haar wil zijn voorstel over zijn eigen bezoldiging heeft doorgedrukt, levert een gegronde reden op om te twijfelen aan een juiste gang van zaken. Daarbij weegt mee dat over de boekjaren 2016 tot en met 2022 slechts 15% van de totale winst als dividend is uitgekeerd, bij een bijzonder hoge solvabiliteit van 87% per 2022 (zie 2.12). Ondanks de vernietiging door de rechtbank van de dividendbesluiten over 2018 en 2019 met, in het belang van de minderheidsaandeelhouder, een bevel ruimhartige dividendvoorstellen over die jaren te agenderen (2.8) (welk oordeel is bekrachtigd door het hof), zijn over die jaren geen andere dividendbesluiten genomen. Wel is op 8 april 2022 besloten tot een “tussentijdse uitkering”, maar die wordt (dus) niet aan die 2018 en/of 2019 toegeschreven. Over 2023 en 2024 is blijkens de actuele berichtgeving vervolgens weer geen dividend uitgekeerd, terwijl die jaren evenzeer winstgevend waren. Deze combinatie van een zeer aanzienlijke verhoging van de bezoldiging van de bestuurder die tevens grootaandeelhouder is, zonder dat daarvoor een gedegen onderbouwing werd gegeven, en een jarenlang patroon van onnodig lage uitkeringen aan de aandeelhouders, doet vermoeden dat de strategie van de bestuurder grootaandeelhouder er inderdaad, zoals HAS aanvoert, op is gericht de minderheidsaandeelhouder uit te roken in de verwachting dat zij uiteindelijk eieren voor haar geld kiest en zich laat uitkopen.
3.7
Dat [broer] inmiddels een voorstel heeft gedaan voor een dividenduitkering over 2023, doet aan het voorgaande niet af. BOS en HAS zijn zelfs met bijstand van de ingeschakelde mediator niet in staat gebleken daarover een besluit te nemen. Er is ook nog altijd geen dividendbeleid vastgesteld, terwijl HAS/ [zus] daar met recht al sinds haar vertrek als bestuurder in 2017 op aandringt en ondanks de juridische procedures waarin Hasbos op dit punt in het ongelijk is gesteld. Die veroordelingen glijden schijnbaar van de bestuurder/grootaandeelhouder af: aan zijn gedrag lijkt niets substantieels te veranderen ten voordele van de minderheidsaandeelhouder. Bij dit alles moet worden bedacht dat het gedurende onbepaalde tijd handhaven van een beleid waarbij alle winst wordt gereserveerd in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn. (vgl. o.a. OK 6 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9757,
Jeezet); OK 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3403,
Jansen Beheer). Hetzelfde geldt voor een beleid waarbij nagenoeg alle winst wordt gereserveerd bij het bestaan van een zeer hoge solvabiliteit. Het belang van een minderheidsaandeelhouder bij uitkering van dividend dient immers zorgvuldig te worden afgewogen tegen het belang van de vennootschap en de wens van de andere aandeelhouder(s) om de winst (geheel of gedeeltelijk) aan de reserves toe te voegen.
3.8
Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert wat hiervoor is vermeld al gegronde redenen op om te twijfelen aan juist beleid en een juiste gang van zaken van Hasbos, die een onderzoek rechtvaardigen. Zij zal een onderzoek bevelen zoals hierna te vermelden, waarbij de informatievoorziening aan HAS ook een aandachtspunt van de onderzoeker mag zijn. Hoewel Hasbos c.s. in haar actuele bericht heeft aangevoerd dat zij HAS in 2025 van alle verzochte informatie heeft voorzien, blijkt uit de gedingstukken dat de informatieverzoeken en hoe daarmee in de onderzoeksperiode is omgegaan een constante bron van irritaties en conflicten vormen.
3.9
De andere door HAS aangevoerde gronden vormen geen reden voor twijfel, gelet op het door Hasbos c.s. in het verweerschrift en ter zitting aangevoerde. Hasbos c.s. heeft bijvoorbeeld de investering in de nieuwbouw uitgelegd: door de verschuiving van offline naar online verkoop van speelgoed houden afnemers veel minder voorraad aan en om tijdig aan de vraag te kunnen voldoen, heeft SES zelf meer opslagruimte nodig. Er is verder geïnvesteerd in automatisering en in duurzaamheid van de materialen bij de productie van het speelgoed. Er wordt met specifiek voor volwassenen ontwikkeld speelgoed ingezet op de “
Kidult” trend. De bosgrond in Duitsland is aangekocht om CO2 te compenseren. Het is aan het bestuur van de onderneming deze strategie te kiezen. Hetgeen HAS daarover heeft aangevoerd, levert geen reden voor twijfel op. Over de discussie met betrekking tot de overeenkomst met Notam heeft hof Arnhem/Leeuwarden reeds geoordeeld. De informatie daarover heeft HAS gekregen en mede gelet op de beperkte omvang van het daarmee gepaard gaande bedrag, levert dit een en ander evenmin een zelfstandige grond voor onderzoek op.
3.1
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Hasbos, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. De gespannen verhouding tussen de aandeelhouders en de krampachtige wijze waarop daarmee wordt omgegaan trekt een steeds zwaardere wissel op de vennootschap en haar onderneming. De oplossing daarvoor zal gevonden moeten worden in het vastleggen van werkbare afspraken tussen de aandeelhouders over dividend- en beloningsbeleid en de informatieverstrekking aan de minderheidsaandeelhouder. Partijen komen daar in onderling overleg en ondanks de bijstand van een mediator nog steeds niet uit. De Ondernemingskamer zal om die reden als onmiddellijke voorziening een derde als commissaris van Hasbos benoemen, onder meer met het doel de informatievoorziening aan HAS te stroomlijnen, en een dividendbeleid en een aandeelhoudersovereenkomst voor te stellen.
De te benoemen commissaris mag het ook tot zijn/haar taak rekenen te bezien of op deze punten toch nog een minnelijke regeling tussen partijen kan worden bereikt.
3.11
De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om 201 van de door BOS gehouden gewone aandelen in Hasbos ten titel van beheer over te dragen aan een door haar te benoemen beheerder, zodat BOS haar wil niet langer onbelemmerd kan opleggen aan HAS en de stem van de beheerder van aandelen doorslaggevend wordt wanneer BOS en HAS tegengesteld stemmen.
3.12
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen commissaris en beheerder van aandelen voor rekening brengen van Hasbos.
3.13
De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aanhouden om te bezien of al door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde commissaris of de beheerder van aandelen kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen. Voor het geval het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in dat geval in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
3.14
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding.
3.15
De Ondernemingskamer zal Hasbos c.s. als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure.

4.De beslissing

De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Hasbos B.V. over de periode vanaf 1 januari 2018 tot 19 juli 2024 zoals omschreven in rechtsoverweging 3.5-3.8 van deze beschikking;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt in verband met het bepaalde in 3.13 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Hasbos B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moet stellen;
benoemt mr. J.M. de Jongh tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW Pro;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure mr. C.J. van Dijk tot commissaris van Hasbos B.V.;
bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat 201 van de door BOS gehouden gewone aandelen in Hasbos B.V. met ingang van heden ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. P.M. Gunning;
bepaalt dat het salaris en de kosten van de commissaris en van de beheerder van aandelen voor rekening komen van Hasbos B.V. en bepaalt dat Hasbos B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de commissaris zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van zijn/haar werkzaamheden;
veroordeelt Hasbos c.s. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de kant van HAS begroot op € 3.642;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en prof. dr. mr. S. ten Have en prof. dr. mr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 19 februari 2026.