ECLI:NL:GHAMS:2026:46

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.356.682/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake zorgregeling en kinderalimentatie voor minderjarige [minderjarige 1]

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de zorgregeling en kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige 1]. De vader, verzoeker in hoger beroep, was het niet eens met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 10 april 2025, waarin een zorgregeling was vastgesteld die hem slechts eenmaal per drie weken een weekend zorg voor [minderjarige 1] toekende. De vader verzocht om een co-ouderschapsregeling, maar het hof oordeelde dat de vader onvoldoende had onderbouwd dat zijn inkomen was verminderd en dat hij zijn volledige verdiencapaciteit diende te benutten, gezien zijn onderhoudsverplichtingen jegens zijn vier kinderen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en legde een informatieregeling op aan de moeder, waarbij zij de vader maandelijks op de hoogte moet houden van de ontwikkelingen van [minderjarige 1]. De vader had eerder de zorgregeling stopgezet vanwege de afstand en de kosten, maar het hof benadrukte dat hij de mogelijkheden had om zijn band met [minderjarige 1] te onderhouden. De moeder, die de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] heeft, was het eens met de bestreden beschikking. Het hof concludeerde dat de huidige zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] was en dat de verzoeken van de vader om wijziging van de zorgregeling en de kinderalimentatie moesten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.682/01
zaaknummer rechtbank: C/15/340106 / FA RK 23-2400
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.M.F.M. Maas te Maastricht.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Alkmaar,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling en de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] (6 jaar).
1.2
De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader eenmaal per drie weken een weekend de zorg heeft voor [minderjarige 1] . Daarnaast heeft de rechtbank de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vastgesteld.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij vindt de vastgestelde zorgregeling te beperkt en wil een co-ouderschapsregeling vastgelegd zien. Daarnaast vindt hij dat de kinderalimentatie op een te hoog bedrag is bepaald. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het feit dat zijn inkomen is verminderd en dat hij allerlei extra lasten heeft door de komst van de tweeling en door de zorgregeling.
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
Het hof beslist dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd en legt daarnaast aan de moeder een informatieregeling op.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 10 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 10 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 20 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De zitting heeft op 7 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de zittingsvertegenwoordiger van de raad, W. Daalderop.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2019 te [gemeente 1] . Het huwelijk van partijen is op 29 januari 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 januari 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige 1] geboren [in] 2019 te [gemeente 1] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] .
3.3
Bij vonnis in kort geding van 14 april 2023 heeft de voorzieningenrechter de door de vader gevorderde voorzieningen strekkende tot het terugverhuizen van de moeder en [minderjarige 1] naar [plaats A] afgewezen.
3.4
Bij beschikking van 14 april 2023 heeft de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen bepaald dat:
- [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de moeder;
- [minderjarige 1] drie keer per week met de vader zal beeldbellen op maandag, woensdag en zaterdag om 12:30 uur;
- [minderjarige 1] de vader ziet op de wijze zoals aangegeven door de betrokken hulpverlening;
- de moeder de vader eenmaal per maand informeert over (in ieder geval) de gezondheid en groeiontwikkeling van [minderjarige 1] en daarbij een recente foto van haar aan hem zal verstrekken;
- de vader bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;
- de vader aan de moeder € 560,- per maand dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna: kinderalimentatie);
- de vader aan de moeder € 250,- per maand dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie).
Verder heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de vraag welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) het meest in het belang van [minderjarige 1] wordt geacht en of het in het belang van [minderjarige 1] wordt geacht om met de moeder terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats A] .
3.5
Bij rapport van 29 februari 2024 heeft de raad de rechtbank geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] bij de vader verblijft om de week een weekend van vrijdagavond 19.00u tot zondagavond 17.00u en de helft van de vakanties. Tevens kan de vader in de week dat [minderjarige 1] het weekend niet bij hem doorbrengt, op woensdag na opvang- c.q. schooltijd [minderjarige 1] in [plaats C] bezoeken en een middag met haar doorbrengen.
3.6
Bij de (in zoverre niet) bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder. Het verzoek van de moeder tot het vaststellen van partneralimentatie is afgewezen wegens gebrek aan draagkracht aan de zijde van de vader.
3.6
De vader heeft drie kinderen met zijn huidige partner:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2024 te [gemeente 1] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2025 te [gemeente 1] ;
- [minderjarige 4] , geboren [in] 2025 te [gemeente 1] .
De partner van de vader heeft daarnaast een kind uit een eerdere relatie.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, als zorgregeling bepaald dat [minderjarige 1] eenmaal per drie weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar het station in [plaats D] brengt (10:00 uur) en alwaar de vader [minderjarige 1] ophaalt en meeneemt naar [plaats A] . De vader brengt [minderjarige 1] op zondag om 16:00 uur naar het station in [plaats D] , alwaar de moeder [minderjarige 1] ophaalt en meeneemt naar [plaats B] ;
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vader met ingang van 10 april 2025 € 827,00 per maand aan kinderalimentatie dient te betalen aan de moeder en dat hij met ingang van de geboortedatum van de tweeling waarvan de partner van de vader op dat moment nog zwanger was € 509,00 per maand aan kinderalimentatie dient te betalen aan de moeder.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat hij aan de moeder € 150,00 per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat als zorgregeling een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] de ene week bij de vader zal verblijven en de andere bij week bij de moeder en de ophaal- en terugbrengmomenten door partijen onderling worden vastgesteld.
Voor het geval dat het verzoek tot vaststelling van een co-ouderschapsregeling wordt afgewezen, verzoekt de vader te bepalen dat de moeder de vader zal compenseren voor alle reiskosten die de vader maakt ter zake van het ophalen en terugbrengen van [minderjarige 1] .
Tot slot heeft de vader verzocht een informatieplicht aan de moeder op te leggen, waarbij zij de vader tweewekelijks schriftelijk op de hoogte stelt van de ontwikkelingen van [minderjarige 1] , onder overlegging van een recente foto, althans zodanige beslissingen te nemen die het hof in goede justitie geraden acht.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De moeder maakt bezwaar tegen de verzoeken van de vader ten aanzien van de reiskosten en de informatieplicht. De moeder meent dat deze zelfstandige verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan, omdat dit haar processuele belangen schaadt en haar zo een feitelijke instantie wordt ontnomen.
De vader voert verweer.
5.2
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel ingevolge artikel 362 Rv ook in hoger beroep van toepassing is, komt een partij de bevoegdheid toe zijn verzoek of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, mits dat niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. In eerste aanleg heeft de vader een aantal zelfstandige verzoeken gedaan. In hoger beroep verzoekt de vader het hof ook een beslissing te nemen over de kosten van de zorgregeling indien deze niet wordt gewijzigd naar een co-ouderschapsregeling en daarnaast aan de moeder een informatieplicht op te leggen.
De vraag die dient te worden beantwoord, is of deze wijziging/aanvulling van zijn zelfstandige verzoeken in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. In deze procedure gaat het over de zorgregeling en de kinderalimentatie. Eventuele kosten van de zorgregeling kunnen bij de beslissing over de kinderalimentatie in overweging worden genomen. Ook een informatieregeling hangt nauw samen met de zorgregeling. Hoe ongelijker de zorg tussen de ouders in tijd is verdeeld, des te urgenter een informatieregeling is, zeker in het geval partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over het kind en zij samen beslissingen dienen te nemen. Verder is aan het wettelijk stelsel inherent dat op een gewijzigd verzoek enkel door het hof als feitelijke instantie recht kan worden gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is – anders dan de moeder betoogt – op zichzelf dan ook niet doorslaggevend om een eiswijziging niet toe te staan. Het bestaan van bijzondere omstandigheden waardoor een dergelijk gemis wel doorslaggevend zou zijn, is onvoldoende gesteld noch is hiervan gebleken. De moeder heeft in haar verweerschrift in hoger beroep en ter zitting in hoger beroep kunnen reageren op het gewijzigde verzoek van de vader en heeft dat ook gedaan. In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, ziet het hof dan ook geen grond om de wijziging van het verzoek wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten.
Zorgregeling
5.3
De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige 1] eenmaal per drie weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar het station in [plaats D] brengt (10.00 uur) en alwaar de vader [minderjarige 1] ophaalt en meeneemt naar [plaats A] . De vader brengt [minderjarige 1] op zondag om 16.00 uur naar het station in [plaats D] , alwaar de moeder [minderjarige 1] ophaalt en meeneemt naar [plaats B] . Daarnaast verblijft [minderjarige 1] de helft van de vakanties bij de vader, waarbij dezelfde haal- en brengregeling geldt.
5.4
De vader meent dat deze zorgregeling volstrekt ontoereikend is. Hij wil een volwaardige rol in het leven van zijn dochter vervullen. Hoewel co-ouderschap onder de huidige omstandigheden feitelijk niet mogelijk is, is de vader van mening dat deze belemmering uitsluitend is veroorzaakt door de eenzijdige en niet noodzakelijke verhuizing van de moeder naar een ver van [plaats A] gelegen woonplaats. De vader is van mening dat deze keuze niet in het belang van het kind is gemaakt, maar dat de moeder daarbij louter haar eigen belang voorop heeft gesteld. Door de grote afstand is een gelijkwaardige verdeling van de verzorging en opvoeding niet haalbaar en wordt de betrokkenheid van de vader bij de opvoeding en verzorging van zijn dochter, aanzienlijk en onnodig belemmerd. Gelet op het recht van het kind op contact met beide ouders, de bereidheid van de vader om in ruime mate zorg te dragen voor zijn dochter alsmede de onwenselijke situatie die door de grote afstand is ontstaan, acht de vader het redelijk dat de wens en de mogelijkheid tot co-ouderschap wordt erkend. Dit vergt van de moeder dat zij terugverhuist naar de omgeving waar de vader woont, dan wel zich op kortere afstand vestigt, zodat een meer evenwichtige zorgverdeling kan worden gerealiseerd.
5.5
De moeder voert verweer. Zij wijst erop dat de vader niet in beroep is gegaan tegen de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen.
Nu de moeder met [minderjarige 1] in [plaats C] woont en de vader in [plaats A] , is een co-ouderschapsregeling onmogelijk uit te voeren. Verder merkt de moeder op dat de vader weliswaar stelt dat hij meer contact met zijn dochter wenst te hebben, maar dat hij de zorgregeling heeft stopgezet. Het verzoek van de vader om vaststelling van een co-ouderschapsregeling rijmt dan ook niet met zijn huidige houding. Hij handelt niet in het belang van [minderjarige 1] . Voor de volledigheid wenst de moeder nog te benadrukken dat de raad heeft geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen. Zij heeft vanaf de geboorte van [minderjarige 1] de meeste zorg voor haar gehad en daarnaast is zij altijd de constante factor geweest in het leven van [minderjarige 1] . De vader kan met zijn werkzaamheden niet fulltime de zorg voor [minderjarige 1] dragen. Verder heeft ook de rechtbank geoordeeld dat het centrum van het leven van [minderjarige 1] niet moet worden verplaatst. [minderjarige 1] woont inmiddels samen met de moeder al een paar jaar in [plaats C] . Zij gaat daar naar school en er is actief hulpverlening betrokken bij [minderjarige 1] en de moeder. Een terugverhuizing van de moeder zal veel nieuwe onrust en spanning met zich meebrengen, hetgeen niet in het belang van [minderjarige 1] is, aldus de moeder.
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De beschikking biedt de vader mogelijkheden om het contact met zijn dochter op te bouwen en in stand te houden. Daarnaast is de beschikking in overeenstemming met de bevindingen uit het onderzoek van de raad [plaats C] . In dat onderzoek is geconcludeerd dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder dient te zijn en dat er geen redenen werden gezien om te pleiten voor een terugverhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats A] . Dit heeft consequenties voor de uitvoerbaarheid van een co-ouderschapsregeling. Dat lukt niet. De regeling zoals vastgelegd in de bestreden beschikking moet in die situatie de vader en [minderjarige 1] mogelijkheden geven om te werken aan hun onderlinge band. De raad constateert dat dit tot nu toe niet is gebeurd.
Voor wat betreft de verzochte informatieregeling acht de raad het belangrijk dat de vader op de hoogte wordt gesteld van het wel en wee van [minderjarige 1] . De moeder heeft ter zitting in hoger beroep voorgesteld om dit te laten lopen via de hulpverlening. De raad kan daarbij aansluiten. Het is aan de vader om zich in verbinding te stellen met de betrokken instellingen in [gemeente 2] . Op dit moment gebeurt dat niet. Hoewel de moeder ook haar medewerking dient te verlenen, zou het initiatief wat meer bij de vader kunnen liggen, in de zin dat hij contact dient op te nemen en dat dan vanuit die situatie een behoorlijk informatie-uitwisseling volgt, aldus de raad.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken in het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, is het hof het volgende gebleken. Op 30 januari 2023 is de moeder met [minderjarige 1] weggegaan bij de vader en ingetrokken bij haar ouders in [plaats B] . Volgens de moeder heeft het huwelijk van partijen zich gekenmerkt door intieme terreur. De vader heeft dit gemotiveerd betwist. De aangifte die de moeder tegen de vader heeft gedaan, is door de officier van justitie geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. De vader heeft in kort geding gevorderd de moeder te veroordelen om met [minderjarige 1] terug te verhuizen naar de echtelijke woning in [plaats A] en haar te verbieden om met [minderjarige 1] te verhuizen uit [plaats A] . Bij vonnis van 14 april 2023 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vader afgewezen en bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank [minderjarige 1] voorlopig toevertrouwd aan de moeder. Omdat er op dat moment al een paar maanden geen contact was geweest tussen de vader en [minderjarige 1] heeft de rechtbank een beeldbelregeling tussen hen vastgesteld en partijen voor de zorgregeling verwezen naar de hulpverlening. Hulpverleningsinstantie AnaCare heeft vervolgens het begeleiden van de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] op zich genomen. Dit traject is positief verlopen en heeft geleid tot een onbegeleide zorgregeling, waarbij de vader en [minderjarige 1] samen een paar uur op de woensdag hebben doorgebracht in [plaats B] . De geplande overnachting van [minderjarige 1] bij de vader is niet doorgegaan, omdat de vader [minderjarige 1] voortijdig heeft teruggebracht om te voorkomen dat zij heimwee zou krijgen. In oktober 2024 heeft de vader de zorgregeling stopgezet, omdat de reisafstand voor hem te zwaar werd. Sindsdien heeft er geen omgang meer tussen de vader en [minderjarige 1] plaatsgevonden, ook niet na de bestreden beschikking.
5.8
Het hof stelt vast dat de vader geen uitvoering heeft gegeven aan de zorgregeling die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld en betreurt dit. Zoals de raad terecht ter zitting in hoger beroep heeft opgemerkt, biedt deze regeling de vader de gelegenheid om zijn band met [minderjarige 1] op te bouwen en in stand te houden. Hoewel dit niet de gelijkwaardige zorgverdeling is die de vader voor ogen heeft, valt niet goed te begrijpen waarom de vader geen gebruik maakt van deze mogelijkheid. Dat de reisafstand tussen [plaats A] en [plaats B] belastend is voor de vader kan het hof zich voorstellen. Dit is ook de reden geweest dat de rechtbank heeft bepaald dat de overdracht van [minderjarige 1] dient plaats te vinden in [plaats D] . Voor het hof is niet duidelijk wat de vader ervan weerhoudt om voor de zorgregeling naar [plaats D] af te reizen, zeker niet nu hij kennelijk voor zijn werk op en neer naar [plaats] (in de buurt van [plaats D] ) reist en dit wellicht met elkaar te combineren valt. Dat de vader het liefst zou zien dat de moeder met [minderjarige 1] terugverhuist naar [plaats A] , zodat de zorg voor [minderjarige 1] meer evenwichtig kan worden verdeeld, kan het hof zich voorstellen, maar is nu niet aan de orde. Zoals de moeder terecht heeft opgemerkt staat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder niet ter discussie tussen partijen. Sinds januari 2023 woont de moeder met [minderjarige 1] in [plaats C] op ruim 200 kilometer afstand van de vader. Dit heeft tot gevolg dat uit praktisch oogpunt de door de vader verzochte co-ouderschapsregeling niet uitvoerbaar is en het verzoek alleen al om die reden moet worden afgewezen. Doorslaggevend voor het hof is echter het feit dat de vader tot op heden heeft nagelaten uitvoering te geven aan de zorgregeling. Het hof acht deze opstelling niet in het belang van [minderjarige 1] , nu hij daarmee laat zien dat hij haar belang niet kan stellen boven zijn eigen belang. Voordat kan worden gekeken naar uitbreiding van de zorgregeling – zoals de vader wenst – zal een beperktere regeling goed moeten verlopen. Nu de vader zelf de zorgregeling heeft stopgezet, is het aan hem om deze weer nieuw leven in te blazen, al dan niet via de betrokken hulpverleningsinstanties. Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling passend en in het belang van [minderjarige 1] . Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.
Informatieregeling
5.9
De vader heeft verzocht aan de moeder een informatieregeling op te leggen, waarbij zij de vader tweewekelijks schriftelijk op de hoogte stelt van de ontwikkelingen van [minderjarige 1] , onder overlegging van een recente foto. Ter zitting in hoger beroep is namens de moeder aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen een informatieregeling, maar dat zij op dit moment geen rechtstreeks contact kan hebben met de vader. Zij stelt voor de informatie-uitwisseling via de advocaten of de betrokken hulpverleningsinstanties te laten verlopen.
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van contra-indicaties voor een informatieregeling. Het belang van [minderjarige 1] verzet zich daar niet tegen. Integendeel, het is voor haar van belang dat haar vader van haar wel en wee op de hoogte is. Omdat de verhouding tussen partijen nog altijd ernstig verstoord is, zal het hof bepalen dat de moeder de vader eenmaal per maand via haar advocaat zal informeren over de gezondheid en persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige 1] en daarbij ook elke maand een recente foto van [minderjarige 1] meestuurt. Hoewel het hof het advies van de raad onderschrijft dat de vader meer initiatief dient te tonen in het verkrijgen van informatie over [minderjarige 1] , heeft ook te gelden dat de zorgregeling al ruim een jaar stilligt en de moeder over alle informatie beschikt. Indien de vader – naast de informatieregeling – meer informatie over [minderjarige 1] wenst, kan hij zich als gezaghebbende ouder ook tot alle betrokken hulpverleningsinstanties en de school van [minderjarige 1] wenden.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.1
De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.
Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 1] (de behoefte)
5.11
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [minderjarige 1] van € 973,- per maand per 1 januari 2025 is tussen partijen niet in geschil en staat daarmee vast.
Draagkracht
5.12
In geschil tussen partijen is de verdeling van deze kosten van [minderjarige 1] over de ouders.
Het hof zal dan ook de draagkracht van beide ouders vaststellen en een draagkrachtvergelijking maken in het geval de gezamenlijke draagkracht van de ouders de behoefte van [minderjarige 1] te boven gaat. Daarbij zal het hof de aanbevelingen voor de berekening van de kinderalimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen tot uitgangspunt nemen.
5.13
De moeder ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Conform de hiervoor genoemde aanbevelingen neemt het hof geen draagkracht bij de moeder aan, nu [minderjarige 1] daar haar hoofdverblijf heeft.
5.14
Tussen partijen is de draagkracht van de vader in geschil. De vader werkt als zzp-er in de thuiszorg. In de bestreden beschikking is de rechtbank uitgegaan van een fiscale winst uit onderneming van € 117.382,- bruto in 2023. De vader meent dat dit een te hoog bedrag is. Hij stelt dat zijn inkomen aanzienlijk is gedaald als gevolg van het overlijden van een van zijn cliënten op 18 december 2024. De vader heeft tot op heden geen andere cliënt om dit inkomensverlies te compenseren. Als gevolg hiervan is zijn draagkracht aanzienlijk verminderd. Verder meent de vader dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de partner van de vader in verwachting was van een tweeling. De rechtbank heeft de kosten van onderhoud van zijn tweeling pas vanaf het moment van de geboorte in aanmerking genomen. Dit is echter niet juist. De vader heeft al voor de geboorte uitgaven moeten doen ter voorbereiding op de komst van de tweeling. Tot slot heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de reiskosten die de vader moet maken in het kader van de uitvoering van de zorgregeling. Hij is niet in staat om deze kosten te betalen en kan om die reden ook geen uitvoering geven aan de vastgestelde zorgregeling.
De moeder voert verweer.
5.15
Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank naar aanleiding van de stelling van de vader dat zijn inkomen is verminderd als gevolg van het overlijden van een cliënt overwogen dat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd en dat van hem mag worden verwacht dat hij nieuwe cliënten werft om zijn cliëntenbestand en inkomsten op peil te houden. Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe.
De vader heeft in eerste aanleg een fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2023 overgelegd waaruit een winst uit onderneming van € 117.382,- bruto blijkt. In hoger beroep heeft hij een conceptaangiftebiljet inkomstenbelasting 2023 overgelegd waaruit een winst uit onderneming van € 70.069,- bruto blijkt en een conceptaangiftebiljet inkomstenbelasting 2024 overgelegd waaruit een winst uit onderneming van € 66.900,- bruto blijkt. Ter zitting in hoger beroep heeft hij toegelicht dat hij door de echtscheiding achterloopt met zijn administratie en dat door zijn eerste boekhouder een schatting is gemaakt op basis van het verleden, wat later is bijgesteld door zijn huidige boekhouder. De moeder heeft dit gemotiveerd betwist en stelt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de omzet van de vader relatief weinig is gedaald. Kennelijk zijn de kosten van de vader toegenomen. Nu een nadere toelichting is uitgebleven, zal het hof net als de rechtbank voorbijgaan aan de stelling van de man dat zijn inkomen is verminderd. Daarbij komt dat de vader inmiddels vier kinderen heeft en naar eigen zeggen ook bijdraagt aan het levensonderhoud van zijn partner, die geen inkomen heeft en aan dat van haar oudste kind. Met het oog op deze onderhoudsverplichtingen dient de vader zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. Volgens de vader werkt hij circa 40 uur per week bij een cliënt thuis in [plaats] , bestaande uit een 24-uurs dienst op zondag en een dienst van dinsdag 13:00 uur tot woensdag 09:00 uur. Weliswaar kan van de vader niet worden verwacht dat hij veel meer dan fulltime werkt, maar van hem mag wel worden verwacht dat hij zo nu en dan wat extra diensten op zich neemt. Dit deed hij immers voorheen ook. Hoewel het hof begrijpt dat de vader meer thuis wil zijn om te helpen met de zorg voor de kinderen, heeft ook te gelden dat zijn partner niet buitenshuis werkt en fulltime beschikbaar is voor de kinderen. Wellicht dat het werven van nieuwe cliënten dichterbij huis de vader meer ruimte geeft in het combineren van zijn werk en zijn gezin. Anderzijds geeft het aannemen van meer cliënten in de omgeving van [plaats] wellicht mogelijkheden om zijn werk te combineren met de zorgregeling voor [minderjarige 1] . De afstand [plaats] – [plaats D] is immers beduidend korter dan de afstand [plaats A] – [plaats D] . Gelet op het voorgaande zal het hof dan ook net als de rechtbank uitgaan van een winst uit onderneming van € 117.382,- bruto per jaar, wat leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 6.027,- per maand.
5.16
Anders dan de vader meent, zal het hof geen rekening houden met de kosten die hij naar eigen zeggen heeft moeten maken ter voorbereiding op de geboorte van de tweeling. Dergelijke (incidentele) kosten dient hij te voldoen uit zijn vrije ruimte, dan wel uit spaargeld.
Net als de rechtbank zal het hof vanaf de geboorte van de tweeling rekening houden met zijn onderhoudsplicht jegens hen en de beschikbare draagkracht van de vader gelijk verdelen over zijn vier kinderen.
5.17
Het hof zal evenmin rekening houden met de reiskosten verbonden aan de zorgregeling, nu gebleken is dat de vader al ruim een jaar geen uitvoering geeft aan deze regeling. Daarbij komt dat het hof in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om af te wijken van de gelijke verdeling van de kosten in verband met de zorgregeling over beide partijen, zoals de rechtbank heeft gedaan door de overdracht van [minderjarige 1] halverwege de woonplaatsen van partijen te bepalen.
5.18
Nu het hof geen aanleiding ziet om het draagkrachtloos inkomen van de vader te verhogen met extra lasten aan zijn zijde, zal het hof aansluiten bij de door de rechtbank berekende draagkracht van de vader van € 2.036,- per maand. Uitgaande van deze draagkracht moet de vader in staat worden geacht de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie te voldoen.
Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking ook op het punt van de kinderalimentatie in stand dient te blijven.
5.19
De vader heeft nog aangevoerd dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek om kinderalimentatie te ontvangen, omdat zij een zogeheten bijstandsuitkering ontvangt en de kinderalimentatie die zij ontvangt of zal ontvangen daarop wordt ingehouden, zodat zij en [minderjarige 1] financieel niet beter worden van een bijdrage van de man.
De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Een bijstandsuitkering is een sociaal vangnet voor personen die niet op een andere wijze in hun bestaan kunnen voorzien. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet, bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. De kinderalimentatie is zo’n voorliggende voorziening: het zijn in eerste instantie immers de ouders, en niet de Staat, die in de kosten van de kinderen moeten voorzien. De moeder heeft dan ook belang bij haar verzoek om kinderalimentatie.
5.21
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 10 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en
bepaalt als informatieregeling dat de moeder gehouden is om de vader eens per maand schriftelijk op de hoogte te stellen (al dan niet via de advocaten van partijen) omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige 1] gezondheid en ontwikkeling, school, sporten en hobby’s en daarbij een recente foto van [minderjarige 1] meestuurt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.