In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, gaat het om de beëindiging van het gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen door de rechtbank Amsterdam. De vader, verzoeker in hoger beroep, is het niet eens met de beslissing van de rechtbank die de moeder het eenhoofdig gezag heeft toegewezen en een omgangsregeling heeft vastgesteld. De vader is van mening dat hij samen met de moeder het gezag moet blijven uitoefenen en dat de opgelegde dwangsom voor het niet naleven van de omgangsregeling onterecht is. De moeder daarentegen wil dat de beslissingen van de rechtbank in stand blijven, omdat zij van mening is dat de vader geen verantwoordelijkheid neemt en de communicatie tussen hen problematisch is. Het hof heeft de zaak in hoger beroep behandeld, waarbij de vader zijn standpunten heeft toegelicht en de moeder haar verweer heeft gevoerd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen moet worden beëindigd, gezien de slechte communicatie tussen de ouders en de noodzaak voor de moeder om zonder vertraging beslissingen te kunnen nemen. De omgangsregeling is aangepast, waarbij de vader nu twee weken van tevoren moet informeren als hij niet kan voldoen aan de regeling. De dwangsom is bekrachtigd, omdat deze als prikkel dient voor de vader om de omgangsregeling na te leven. De kosten van de procedure worden door beide partijen zelf gedragen.