Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:439

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
200.335.313/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 170 RvArt. 7:175 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over betaling van €500.000 in afwikkeling samenwoning

Partijen hadden een affectieve relatie en sloten in mei 2020 een samenlevingsovereenkomst. Na beëindiging van de relatie in juli 2021 ontstond een geschil over de afwikkeling, met name over de vraag of de vrouw aan de man een bedrag van €500.000,- verschuldigd is op grond van een overeenkomst of anderszins.

De rechtbank wees de vordering van de man tot betaling van €500.000,- af. In hoger beroep betwist de vrouw het bestaan van een dergelijke overeenkomst, terwijl de man stelt dat partijen op 18 juni 2021 een definitieve afspraak maakten, ondersteund door e-mails en een brief aan een financieel adviseur.

Het hof oordeelt dat de man voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een afspraak, maar dat deze nog niet vaststaat vanwege gemotiveerde betwisting door de vrouw. Daarom wordt de man toegelaten tot bewijslevering, waaronder het horen van getuigen, om het bestaan van de overeenkomst aan te tonen.

Daarnaast behandelt het hof andere geschilpunten zoals de verdeling van de inboedel en vorderingen over onrechtmatige overboekingen, maar stelt de beslissing hierover aan in afwachting van de bewijsopdracht. Het hof wijst tevens het verzoek van de vrouw tot opheffing van conservatoire beslagen aan, maar houdt ook dit aan.

Het arrest bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris en dat verdere beslissingen worden aangehouden totdat het bewijs is geleverd.

Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de overeenkomst tot betaling van €500.000,- en wijst het getuigenverhoor toe, met aanhouding van verdere beslissingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers : 200.335.313/01
zaaknummer rechtbank : C/13/712123 / HA ZA 22-11
arrest van de meervoudige familiekamer van 24 februari 2026
inzake
[de man]
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna ook te noemen: de man,
advocaat: mr. B.J. Davidse,
tegen
[de vrouw]
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna ook te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.J. Loonstein.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
De man is bij dagvaarding van 17 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023 dat is gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
1.2.
Partijen hebben daarna (in de hoofdzaak) de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van de zijde van de man;
- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep, van de zijde van de vrouw;
- akte uitlaten producties tevens antwoord in het principaal appel [het hof begrijpt: incidenteel appel] van de zijde van de man;
- akte houdende uitlating producties van de zijde van de vrouw.
1.3.
De vrouw heeft vóór haar memorie van antwoord een incidentele memorie tot zekerheidsstelling op de voet van artikel 224 Rv Pro ingediend, waarna beide partijen in het incident nog een aantal processtukken hebben ingediend. Het heeft hof op 26 november 2024 in dit incident arrest gewezen. Daarbij is de incidentele vordering van de vrouw afgewezen.
1.4.
De man heeft, onder intrekking van het oorspronkelijk onder primair 2 gevorderde, in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
Primair
zal bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- verschuldigd is, en dat die betaling strekt tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot betaling van dit bedrag, al dan niet in de vorm van een schenking, met veroordeling van de vrouw tot betaling van voornoemd bedrag, binnen 10 dagen, althans binnen een door het hof in goede justitie vast te stellen termijn, na de in deze te wijzen uitspraak, te verhogen met de wettelijke rente van de dag van dagvaarding in eerste instantie en de kosten van executie;
zal bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de te verdelen inboedel dient te vergoeden aan de man, te weten voor een totaalbedrag van € 44.950,-. In het geval de inboedel op een andere wijze gewaardeerd dient te worden verzoekt de man het hof dat het een deskundige aanwijst die de inboedel zal waarderen;
Subsidiair
3. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 81.739,94 verschuldigd is op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor de betalingen gedaan vanaf de privérekening van de man ten behoeve van aankoop van goederen en zaken en overboekingen naar bankrekeningen van de vrouw;
4. in het geval het hof de in randnummer 33 tot en met 46 genoemde betalingen (van de memorie van grieven) niet kwalificeert als een onverschuldigde betaling doet de man een beroep op vergoeding door de vrouw aan hem van € 81.739,94 op grond van de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding.
1.5.
De vrouw heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd het hoger beroep van de man, althans zijn memorie van grieven, nietig althans niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de man gevorderde af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.
In het incidenteel hoge beroep heeft de vrouw gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan haar een bedrag van € 41.500,- aan onrechtmatig verkregen gelden te betalen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ieder van de onrechtmatige opnames, alsmede op te heffen de door de man uit hoofde van het beslagverlof d.d. 2 februari 2022 gelegde conservatoire beslagen. Daarnaast heeft de vrouw gevorderd om de man in alle instanties te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
1.6.
De man heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
1.7.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 december 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. De man was daarbij in persoon aanwezig, de vrouw niet.
1.8.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2.Feiten

2.1.
Partijen hebben vanaf medio 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 27 mei 2020 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Medio juli 2021 is de relatie tussen partijen beëindigd en is de samenlevingsovereenkomst opgezegd.
2.2.
De vrouw houdt alle aandelen in Beverly Business B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in een aantal dochtervennootschappen. De vrouw is daarnaast eigenaar (geweest) van een aantal onroerende zaken, waaronder een tweetal panden aan de [A-straat] te [plaats B] .

3.Beoordeling

3.1
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, de vordering van de man om de vrouw te veroordelen € 500.000,- aan hem te betalen, afgewezen. Aan deze vordering had de man primair de nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst ten grondslag gelegd, subsidiair dat sprake is van een vergoedingsrecht uit hoofde van een stilzwijgende afspraak, onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking en/of de redelijkheid en billijkheid.
Verder heeft de rechtbank op vordering van de man de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van inboedel vastgesteld. Deze wijze van verdeling houdt in dat partijen om de beurt een inboedelgoed van de door de man overgelegde inboedellijst moeten kiezen totdat de gehele inboedel is verdeeld, een en ander zonder nadere verrekening.
De (meer subsidiaire) vordering van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in verband met bijdragen aan de verbouwingen aan onroerende zaken van de vrouw is afgewezen.
Ook de vordering van de vrouw tot betaling van € 41.500,- door de man in verband met onterechte overboekingen van haar rekening naar zijn rekening is afgewezen.
3.2.
Tegen dit vonnis is de man met een vijftal afzonderlijk genummerde grieven opgekomen. In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw twee grieven gericht tegen het bestreden vonnis.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.3.
Het meest verstrekkende verweer van de vrouw in hoger beroep is dat de memorie van grieven van de man nietig is, althans dat de man in zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat nergens in de memorie van grieven blijkt tegen welke specifieke rechtsoverwegingen van het bestreden vonnis de man zijn grieven richt. Bovendien geeft de man niet aan waarom hij het met bepaalde rechtsoverwegingen in het bestreden vonnis niet eens is. Volgens de vrouw heeft de man in zijn memorie van grieven (dus) niet voldoende duidelijk gemaakt wat in hoofdlijnen zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis zijn en welke grieven opkomen tegen welke specifieke rechtsoverwegingen. De memorie van grieven voldoet volgens de vrouw dan ook niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid.
De man heeft betwist dat zijn memorie van grieven niet aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Volgens hem is duidelijk op welke onderdelen hij het niet met de uitspraak van de rechtbank eens is en waarom hij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden.
3.4.
Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aan grieven geen formele vereisten gesteld. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn (zie HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242 en HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899). Naar het oordeel van het hof heeft de man in zijn memorie van grieven voldoende duidelijk naar voren gebracht op welke gronden de uitspraak van de rechtbank naar zijn mening moet worden vernietigd. Daartoe heeft de man een vijftal afzonderlijk genummerde grieven aangevoerd, waarbij hij telkens heeft aangegeven welke beslissing van de rechtbank naar zijn mening onjuist is en waarom dit wat hem betreft het geval is. Voor de vrouw was dit blijkens de memorie van antwoord ook voldoende kenbaar, aangezien zij hiertegen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het hof is de man dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep en is van nietigheid van de memorie van grieven geen sprake.
Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep
In het principaal hoger beroep
Grief 1 (schenkingsovereenkomst)
3.5.
In grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat het e-mailbericht van de vrouw aan hem van 24 juni 2021 slechts als een voornemen tot schenking kwalificeert en niet als een overeenkomst. Volgens de man was de verdeling van het vermogen al langer onderwerp van gesprek tussen partijen. In dat kader hadden zij eerder al met elkaar afgesproken dat de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- zou betalen. Dat bedrag kwam hem toe, omdat al het vermogen van partijen (waaronder de onderneming en onroerende zaken) vanwege ‘oude’ financiële problemen aan zijn zijde op naam van de vrouw waren gesteld, terwijl de waarde(-stijging) van dit vermogen door gezamenlijke inspanning van partijen is gerealiseerd. Deze ongelijkheid wilden partijen herstellen. Zij zijn vervolgens op 18 juni 2021 op een terras in [plaats C] bij elkaar gekomen om met elkaar te praten over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- aan de man zou worden overgemaakt. Partijen hebben daarbij ook nog over andere onderwerpen gesproken, zelfs over de mogelijkheid dat zij alsnog zouden trouwen. Bij dit gesprek was ook de heer [naam 1] aanwezig. Hij was de financieel adviseur van partijen, en kon partijen onder meer adviseren over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- met zo min mogelijk fiscale consequenties aan de man voldaan kon worden. De man had zelf naar de bespreking een berekening meegenomen, waaruit volgde dat bij betaling van een bedrag van € 500.000,- een bedrag van € 86.476,- aan schenkbelasting betaald zou moeten worden. Volgens de man hebben partijen tijdens het gesprek van 18 juni 2021 definitief met elkaar afgesproken dat de vrouw een bedrag van € 500.000,- aan hem zou betalen. Dit blijkt volgens de man uit de uitvoerige brief die hij op 20 juni 2021 aan de heer [naam 1] heeft gestuurd. Ook verwijst de man naar het appbericht van de vrouw van 23 juni 2021 met daarin de belofte: “
Ik ga alles met je delen (..) wacht maar af.” Daarnaast heeft de vrouw de overeenstemming bevestigd in haar e-mailbericht van 24 juni 2021 aan de man en de heer [naam 1] . De man heeft de gemaakte afspraak bovendien nog eens bevestigd in zijn e-mailbericht van 27 juni 2021 (tijdstip 9.11 uur) aan de heer [naam 1] . Vervolgens stelde vrouw in haar e-mailbericht van 27 juni 2021 opeens als aanvullende voorwaarde dat betaling van het bedrag van € 500.000,- tegen finale kwijting zou moeten geschieden. Deze voorwaarde was echter niet eerder overeengekomen. Deze finale kwijting maakte dus geen deel uit van de al eerder gemaakte afspraak. De vrouw kon deze aanvullende voorwaarde dus ook niet meer stellen, aldus de man.
3.6.
De vrouw heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat zij aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen. De vrouw heeft in het kader van de tussen partijen gevoerde gesprekken weliswaar een bedrag van € 500.000,- genoemd, maar daar is het bij gebleven. Het is aan de man om te bewijzen dat een afspraak tot stand is gekomen. Tijdens het gesprek op 18 juni 2021 is geen overeenkomst tot betaling van een bedrag van € 500.000,- gesloten, en een dergelijke overeenkomst kan volgens de vrouw ook niet uit de latere e-mailberichten van 24 en 27 juni 2021 worden afgeleid.
3.7.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat op de man de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die leiden tot het bestaan van een overeenkomst op grond waarvan de vrouw gehouden is om aan hem een bedrag van € 500.000,- te betalen. Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten en omstandigheden.
Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van een afspraak. Ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten, heeft hij gewezen op het gesprek dat partijen op 18 juni 2021 in aanwezigheid van de heer [naam 1] op het terras hebben gevoerd. Daarbij heeft hij de notitie in geding gebracht die hij bij gelegenheid van dat gesprek had meegenomen. In die notitie wordt uitgegaan van een schenking van € 500.000,-. Op de notitie heeft de man met de hand geschreven ‘dure optie’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat deze opmerking betrekking had op de hoge schenkbelasting die verschuldigd zou zijn als ervoor zou worden gekozen om de betaling aan hem in de vorm van een schenking plaats te laten vinden. De man heeft verder gewezen op de uitvoerige brief die hij naar aanleiding van het gesprek op 18 juni 2021 aan de heer [naam 1] stuurde. Daarin schrijft hij onder meer: “
Dan over vrijdag (…) op het terras in [plaats C] waar we een afspraak hadden om over de 5 ton schenking aan mij te praten, op welke manier dat nu eindelijk mijn kant op zou komen, eens waren we het al op het moment dat de serveerster aan tafel kwam afruimen en [de vrouw] niet het fatsoen had even haar mond te houden maar juist begon uit varen over verduistering van 9 ton, welke onjuist is, het vreemd gaan e.d. ik vind daar geen enkel excuus voor op zijn plaats, ze had dit nooit mogen doen, beschamend. Jij zat erbij en keer ernaar.” De man heeft verder nog gewezen op het mailbericht van de vrouw aan hem en de heer [naam 1] d.d. 24 juni 2021. Daarin schrijft de vrouw: “
Wat er dan wel meteen kan gebeuren in(het hof begrijpt “is”)
dat [naam 2] een aanvraag doet om [de man] 5 ton te schenken. Met zo min mogelijk kleerscheuren.” Ook hieruit volgt volgens de man dat partijen met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen.
3.8.
De vrouw heeft de door man gestelde feiten echter gemotiveerd betwist. Zo heeft zij erop gewezen dat de man in zijn brief aan de heer [naam 1] (ook) heeft geschreven: “
Een gesprek met zijn drieën vond ik zelf eigenlijk geen goed idee, (ik had ook iemand mee moeten nemen die aan mijn zijde stond) het is eigenlijk zo gelopen als ik had verwacht, het escaleerde en draaide uit op niets. We zijn dus geen steek verder gekomen.”. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen nu juist geen afspraken met elkaar hebben gemaakt. De vrouw heeft verder gewezen op de brief van de advocaat van de man aan haar d.d. 8 juli 2021. In die brief schrijft de advocaat van de man: “
Client zou graag afspraken met u willen maken over de verdeling van de (waarde van de) bedrijven, het onroerend goed en overig vermogen. U heeft al aan client toegezegd dat hij in ieder geval recht heeft op een bedrag van EUR 500.000,-“. Als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst (aanbod en aanvaarding), had de advocaat van de man volgens de vrouw niet gesproken over ‘een toezegging’ maar had zij nakoming van de overeenkomst gevorderd. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij bij het schrijven van haar e-mailbericht van 24 juni 2021 nog hoopte dat zij haar relatie met de man kon redden. Ze zat op dat moment in een emotionele achtbaan. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om aan de man zo maar een bedrag van € 500.000,- te schenken, ongeacht of haar relatie met de man nu wel of niet zou eindigen.
3.9.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de door de man gestelde afspraak (vooralsnog) niet is komen vast te staan. De man heeft in hoger beroep echter bewijs van zijn stellingen aangeboden. Daarbij heeft hij onder meer aangeboden om de heer [naam 1] als getuige te horen. Hij kan volgens de man verklaren over de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt. Gelet op de hiervoor geschetste stand van zaken, zal het hof de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- dient te betalen. In dat kader overweegt het hof nog dat de man spreekt van een schenkingsovereenkomst, maar dat hij tegelijkertijd aangeeft dat het overeengekomen bedrag betrekking had op ‘zijn aandeel’ in het vermogen van de vrouw. In dat laatste geval is van een (civielrechtelijke) schenkingsovereenkomst geen sprake. De grond voor betaling van het bedrag van € 500.000,- is dan geen vrijgevigheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen voorgehouden dat in geval sprake is van een civielrechtelijke schenking, het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod als aangenomen geldt wanneer deze, na er kennis van te hebben genomen, het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 7:175 lid 2 BW Pro). Aan de aanvaarding van een schenkingsaanbod, en daarmee aan de totstandkoming van een schenkingsovereenkomst, worden dus minder strenge eisen gesteld dan aan een wederkerige overeenkomst. Om die reden is niet alleen van belang of de vrouw een aanbod tot betaling van een bedrag van € 500.000,- aan de man heeft gedaan, maar ook wat het (civielrechtelijke) karakter van dit aanbod is geweest. Ook dit ligt in de hiervoor weergegeven bewijsopdracht aan de man besloten.
Grief 2 (stilzwijgende overeenkomst)
3.10.
Grief 2 van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen geen stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat zij het opgebouwde vermogen bij helfte zullen delen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het in zijn oorspronkelijke petitum onder 2 primair gevorderde ingetrokken. Daarin vorderde de man te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan verdeling van het vermogen dat zij onder zich had op 21 juli 2021, zodanig dat ieder de helft van dat vermogen wordt toebedeeld op grond van de tussen partijen overeengekomen afspraak dat op die wijze zou worden gedeeld. Nu de man deze vordering heeft ingetrokken, behoeft grief 2 geen verdere behandeling. Deze grief zal dan ook bij eindarrest worden afgewezen.
Grief 3 en grief 4 (ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid)
3.11.
Met zijn grieven 3 en 4 komt de man op tegen de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een vergoeding omdat hij vanaf zijn privérekening betalingen heeft gedaan voor de verbouwingen van de onroerende zaken van de vrouw. Deze grieven dienen ter onderbouwing van de vorderingen hiervoor vermeld onder 3 en 4 en hebben een subsidiair karakter. Aan beoordeling van deze grieven komt het hof pas toe als de primaire vordering van de man tot betaling van een bedrag van € 500.000,- wordt afgewezen. Vanwege dit subsidiaire karakter zal het hof de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.
Grief 5 (inboedel)
3.12.
Grief 5 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft bepaald dat partijen om de beurt een goed mogen aanwijzen van de door de man overgelegde inboedellijst. Deze lijst blijkt volgens de man echter niet compleet en bovendien waren er op de aan de lijst genoemde goederen geen waarden gekoppeld. De man heeft daarom als productie 23 in hoger beroep een nieuwe inboedellijst in geding gebracht. Daarin is de waarde van de totale inboedel gesteld op een bedrag van € 89.900,-. Volgens de man werkt de vrouw niet mee aan verdeling van de inboedel en heeft zij een groot deel van de inboedel inmiddels verkocht. Om die reden vordert de man in hoger beroep de vrouw te veroordelen om aan hem de helft van de waarde van de inboedel te vergoeden. Aldus dient de vrouw aan hem een bedrag van € 44.950,- te betalen. Indien het hof van oordeel is dat de door de man genoemde waarden van de inboedelgoederen niet gevolgd kan worden, wil hij dat er een deskundige wordt benoemd die de waarde van de goederen vaststelt.
3.13.
De vrouw heeft de inhoud van de aangepaste inboedellijst betwist. Bovendien heeft zij betwist dat zij de op die lijst genoemde inboedelgoederen in haar bezit heeft. De man heeft na beëindiging van de relatie zijn persoonlijke eigendommen meegenomen of uit de garage gehaald. De vrouw kan de door de man genoemde inboedelgoederen dus niet (meer) afgeven. Ook de waarden die de man aan de inboedelgoederen toekent, zijn volgens de vrouw niet juist. Zij zijn door de man ook op geen enkele wijze onderbouwd.
3.14.
Het hof oordeelt als volgt. De man vordert verdeling van de inboedel. Om die reden rust op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang en de waarde daarvan. In eerste aanleg heeft de man als productie 20 een inboedellijst overgelegd. De vrouw heeft op die inboedellijst inhoudelijk gereageerd. In hoger beroep heeft de man een veel uitgebreidere inboedellijst overgelegd, maar de vrouw heeft zowel de omvang als de waarde van de op deze lijst genoemde goederen betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de man geen aankoopfacturen of waardebepaling heeft overgelegd. Bij die stand van zaken had het op de weg van de man gelegen om nadere feiten en omstandigheden stellen waaruit volgt dat de door hem genoemde inboedelgoederen aan partijen toebehoorden, dat hij de genoemde inboedelgoederen niet onder zich heeft maar de vrouw wel, en wat de waarden van deze goederen zijn. Dat heeft hij nagelaten. Wel heeft de vrouw in eerste aanleg reeds aangegeven dat zij aan de man het horloge merk Rolex en de dekens en plaids zal afgeven, en dat hij – mits nog aanwezig – zijn Koga Miyata racefiets, Biblos sportfiets en Segwaystep met oplader kan krijgen. Ten aanzien van het zebrakleed heeft de vrouw aangegeven dat dit met de woning is meeverkocht, en wat betreft de Rimowa koffer heeft zij aangegeven dat deze ‘in de plomp ligt’. Het hof is van oordeel dat de vrouw ten aanzien van deze goederen in hoger beroep dan ook niet kon volstaan met de enkele betwisting dat zij deze goederen niet in bezit heeft. Zij had deze zaken blijkbaar wel in haar bezit, dan wel had (als laatste) daarover de beschikking. Evenmin kon zij volstaan met de enkele betwisting van de waarde van deze goederen. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van deze goederen aan de man dient te vergoeden, waarbij het hof zal uitgaan van de door de man in productie 23 genoemde waarden met dien verstande dat het hof voor de waarde van de Rolex zal uitgaan van een bedrag van € 6.600,-. Dit is de waarde die de man in eerste aanleg aan het horloge heeft toegekend en die hij heeft gebaseerd op een taxatierapport. Waarom het horloge nu (in hoger beroep) € 2.400,- meer waard zou zijn, heeft de man niet toegelicht of onderbouwd. Dat betekent dat de vrouw aan de man ter zake de inboedel per saldo een bedrag van € 6.850,-,- dient te vergoeden. Het hof zal de vrouw bij eindarrest veroordelen om dit bedrag aan de man te betalen.
Incidenteel hoger beroep
Grief 1 (vordering van € 41.500,-)
3.15.
In haar eerste grief in incidenteel appel komt de vrouw op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering van € 41.500,- die zij op de man stelt te hebben. De man heeft volgens de vrouw stelselmatig bedragen van haar bankrekening naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Weliswaar had de man een volmacht om namens haar en/of haar onderneming ten laste van haar (zakelijke) bankrekeningen betalingen te doen, maar hij mocht op basis van deze volmacht niet zonder medeweten en toestemming van bedragen van haar bankrekeningen naar zijn eigen bankrekening overmaken. De man heeft zijn volmacht dan ook misbruikt en heeft daarmee onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld.
3.16.
De man heeft aangevoerd dat partijen gedurende hun relatie onderling regelmatig geldbedragen overmaakten. Volgens de man wist de vrouw van alle overboekingen af en heeft hij geen misbruik gemaakt van de aan hem afgegeven volmacht. De vrouw heeft bovendien niet aangegeven welke overboekingen volgens haar dan precies met misbruik van de volmacht hebben plaatsgevonden.
3.17.
Het hof oordeelt als volgt. Onderdeel van de subsidiaire vordering van de man is terugbetaling door de vrouw van een bedrag van € 47.500,- waarvan hij stelt dat hij dit in de loop van de relatie van partijen aan de vrouw heeft overgemaakt. Volgens de man dient de vrouw dit bedrag aan hem te vergoeden uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Partijen stellen dus over en weer dat de ander bedragen aan hem/haar moet vergoeden vanwege overboekingen die in de loop van de jaren tussen hen hebben plaatsgevonden. Het hof wil deze vorderingen zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Daarom zal het hof de beslissing op de eerste grief in het incidenteel appel aanhouden, in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.
Grief 2 (opheffing conservatoir beslag)
3.18.
In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de conservatoire beslagen niet heeft opgeheven die de man ten laste van haar heeft gelegd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat de vrouw de beslagstukken niet in geding had gebracht en in het petitum van haar reconventionele vordering enkel over ‘de beslagen’ had gesproken. Aldus was deze vordering volgens de rechtbank te onbepaald. In hoger beroep heeft de vrouw de beslagstukken alsnog overgelegd. Als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen, is sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door de man ingeroepen recht en dienen de beslagen volgens de vrouw te worden opgeheven.
3.19.
Het hof constateert dat de vrouw zelf stelt dat de beslagen dienen te worden opgeheven als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen. Omdat ten aanzien van de vorderingen van de man nog geen eindbeslissing zal worden gegeven, zal de beslissing over de opheffing van de beslagen ook worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
laat de man toe tot het bewijs van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- dient te betalen;
bepaalt dat als de man bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van mr. M.C. Schenkeveld, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;
verwijst de zaak naar de rol van
10 maart 2026voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
bepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 Rv Pro de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste 10 dagen voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M. van Baardewijk en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.