ECLI:NL:GHAMS:2026:426

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.336.021/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haags huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 652 Eritrees Burgerlijk Wetboek (TCC)Art. 653 Eritrees Burgerlijk Wetboek (TCC)Art. 3 lid 1 IVRKArt. 27 lid 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing Eritrees recht op huwelijksvermogensregime en woonrecht na echtscheiding

In deze civiele zaak in hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Eritrese recht. Partijen hadden in 2014 een Legal Marriage Contract gesloten waarin zij kozen voor Eritrees recht, wat het hof, gesteund door een advies van het Internationaal Juridisch Instituut, als geldig beschouwt voor het later rechtsgeldig gesloten huwelijk in Ethiopië in 2015.

Het hof vernietigt de eerdere beschikking voor zover daarin het Nederlandse recht werd toegepast en verklaart dat er een beperkte gemeenschap van goederen bestaat waarbij voorhuwelijkse bezittingen buiten de verdeling blijven. De woning aan het adres in [plaats B] behoort tot het voorhuwelijkse vermogen van de man en blijft zijn eigendom.

Verder bepaalt het hof dat de vrouw de woning uiterlijk binnen drie maanden na afgifte van de beschikking moet verlaten. Hierbij is rekening gehouden met het belang van het minderjarige kind dat momenteel bij de vrouw verblijft, en de lopende procedure over het hoofdverblijf. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het overige hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart Eritrees recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime en bepaalt dat de vrouw de woning binnen drie maanden moet verlaten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.336.021/01
zaaknummer rechtbank: C/15/321256 / FA RK 21-4992
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente]
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.L.M. Lichteveld te Amsterdam (voorheen mr. E.M. van Blokland).
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt na te noemen minderjarige:
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren [in] 2017.

1.De verdere procedure in hoger beroep

1.1
Het hof handhaaft hetgeen is opgenomen in zijn beschikkingen van 15 oktober 2024 en 25 maart 2025. In deze laatste beschikking heeft het hof een onderzoek bevolen door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) te Den Haag ter beantwoording van de hieronder geformuleerde vragen:
1. aan welke vereisten moet naar Eritrees recht worden voldaan om tussen echtgenoten wilsovereenstemming aan te kunnen nemen over de keuze voor Eritrees recht als toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime?;
2. is het naar Eritrees recht mogelijk dat een rechtskeuze voor Eritrees recht wordt gebaseerd op een rechtskeuze die eerder voor een niet-rechtsgeldig huwelijk is gemaakt, waarna partijen buiten Eritrea (in Ethiopië) in het huwelijk treden?
3. dient Eritrea voor de toepassing van het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978 als een nationaliteitsland, of als een domicilieland te worden gekwalificeerd?
4. wat was per de datum van huwelijkssluiting op 8 mei 2015 de inhoud van het geldende wettelijke huwelijksvermogensregime naar Eritrees recht?;
5. geldt die inhoud naar Eritrees recht voor onderhavige partijen nog steeds en, indien dat niet zo is, wat is (ook op grond van mogelijk overgangsrecht) dan thans de inhoud van het voor hen geldende wettelijke huwelijksvermogensregime naar Eritrees recht?;
6. in hoeverre houdt het voor partijen geldende wettelijke systeem in dat goederen en schulden die partijen vóór het huwelijk reeds hadden, buiten iedere verdeling of verrekening blijven?;
7. kan de ene echtgenoot op grond van het voor hen geldende wettelijke huwelijksvermogensregime naar Eritrees recht anderszins aanspraak maken op een deel van de waarde van voorhuwelijkse goederen van de andere echtgenoot, en maakt het daarbij uit of dat voorhuwelijkse goed de echtelijke woning betreft?;
8. heeft u overige opmerkingen over de inhoud van het Eritrese recht die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?
1.2
Het hof heeft het adviesrapport van het IJI van 12 september 2025 ontvangen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:
- en bericht van de man van 13 oktober 2025, met bijlagen;
- een bericht van de vrouw van 16 oktober 2025.
1.3
De vrouw heeft in haar bericht van 16 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de door de man ingediende stukken omdat de indiening daarvan volgens haar in strijd met de tweeconclusieregel is. Het hof heeft de nadere producties en toelichting daarop van de man toegestaan, omdat die niet neerkwamen op een nieuwe grief. Aan de vrouw is een termijn van twee weken gegeven voor een nadere reactie. Deze reactie is op 4 november 2025 binnengekomen.

2.De verdere motivering van de beslissing

Rechtskeuze
2.1
Bij beschikking van 15 oktober 2024 heeft het hof overwogen dat de vraag welk nationaal recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, hierna ook te noemen: Verdrag 1978. Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag 1978 zijn partijen bevoegd om zelf een rechtskeuze uit te brengen. Een rechtsgeldige rechtskeuze gaat boven de in het verdrag neergelegde objectieve verwijzingsregels.
Partijen hebben op [datum] 2014 een Legal Marriage Contract met elkaar gesloten. In het Legal Marriage Contract is, volgens de Engelse vertaling, onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Today, [datum] 2014, the following terms of a marriage contract have been concluded between the groom [de man] and the bride [de vrouw] based on the civil law of the state of Eritrea.
The groom and bride are bound to live together loyally as husband and wife. In accordance with article 652 of the civil law of the state of Eritrea, any movable and immovable property that they had owned before entering into this marriage remains personal property, but any property as well as salary that they acquire after today will be deemed common property.
We, the groom and bride, in accordance with articles 577(2)/579-580/625-629 of the civil code of Eritrea, enter into this contract of marriage with our free consent by understanding what is written in the contract, and acknowledge that this contract will be a legal document that will be used to prove to any private or governmental entity that we are married, and we sign it in in the presence of the family council based on articles 1719/1731/2005.
(…).”
Het hof heeft in zijn beschikking van 15 oktober 2024 geoordeeld dat partijen met dit Legal Marriage Contract een uitdrukkelijke keuze hebben gemaakt voor toepassing van het Eritrese recht. Het hof heeft verder geoordeeld dat aan de vormvereisten die zowel het Verdrag 1978 als Proclamatie nr. 2/1991 van het Voorlopig Burgerlijk Wetboek van Eritrea stellen (de
Transitional Civil Code; hierna: TCC) voor een rechtsgeldige rechtskeuze is voldaan. Voor de vraag of ook sprake is van materiële geldigheid van de rechtskeuze overwoog het hof dat naar Eritrees recht moet worden beoordeeld of tussen de echtgenoten wilsovereenstemming bestaat over de keuze voor Eritrese recht als toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime. Daarbij speelt mee dat in dit hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen pas op 8 mei 2015 in Addis Abeba, Ethiopië rechtsgeldig met elkaar zijn gehuwd. De vraag die voorligt is of de rechtskeuze die partijen op [datum] 2014 voor het Eritrese recht hebben gemaakt ook voor het in Ethiopië gesloten huwelijk werking heeft. Het hof heeft in dat kader de volgende twee vragen aan het IJI voorgelegd:
1. aan welke vereisten moet naar Eritrees recht worden voldaan om tussen echtgenoten wilsovereenstemming aan te kunnen nemen over de keuze voor Eritrees recht als toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime?
2. is het naar Eritrees recht mogelijk dat een rechtskeuze voor Eritrees recht wordt gebaseerd op een rechtskeuze die eerder voor een niet-rechtsgeldig huwelijk is gemaakt, waarna partijen buiten Eritrea (in Ethiopië) in het huwelijk treden?
2.2
Het IJI heeft in het adviesrapport van 12 september 2025 aangegeven dat het IJI eigen onderzoek heeft verricht en tevens om juridische inlichtingen heeft verzocht aan een expert in het Eritrese recht, prof. dr. [naam] (verbonden aan de Tilburg University). Zij heeft op 9 september 2025 een Expert Report uitgebracht aan het IJI, dat als bijlage bij het adviesrapport van het IJI is gevoegd. Uit deze stukken blijkt het volgende.
2.3
Van belang is dat de Eritrese minister van Justitie op 15 mei 2015 een nieuw Burgerlijk Wetboek (
New Civil Code of Eritrea, hierna: NCCE) heeft gepubliceerd. Het is tot op heden echter onduidelijk of de NCCE geldend recht is (geworden). De NCCE beoogt het oudere burgerlijk wetboek - de TCC uit 1991 - te vervangen, maar het is dus onduidelijk of dit daadwerkelijk is gebeurd. Beide wetten zijn (met verschillende artikelnummering) echter grotendeels identiek en de relevante bepalingen in beide wetboeken komen inhoudelijk grotendeels overeen. In de praktijk passen Eritrese rechters een mengvorm van de NCCE, TCC en lokaal gewoonterecht toe.
2.4
Het IJI rapporteert dat het Eritrese recht geen specifieke regels kent met betrekking tot het uitbrengen van een rechtskeuze in het kader van het huwelijksvermogensrecht. Uit het handelen van het echtpaar en hun families zou kunnen worden afgeleid dat zij Eritrees recht (customs and practices) willen volgen. Een aantal voorbeelden van aanwijzingen die een dergelijke “keuze” onderbouwen zijn:
a. a) Betrokkenheid van de familie bij:
o de keuze van de huwelijkspartner;
o de onderhandelingen over het huwelijk.
b) Goedkeuring of afkeuring door de familie.
c) De betaling van bruidsschat of andere geschenken volgens de tradities van het paar.
d) Het bestaan van huwelijkse voorwaarden.
e) Verklaringen van getuigen van het huwelijk van de shimagille (d.w.z. degenen die bemiddeld hebben tussen de families).
Geconcludeerd wordt dat als het in [plaats] op [datum] 2014 gesloten huwelijk niet als zodanig kan worden beschouwd, er wel sprake kan zijn van een verloving dan wel een relatie, waaruit rechten en plichten voortvloeien, die in casu zijn neergelegd in het Marriage Contract.
Volgens het Eritrese recht wordt een keuze voor het Eritrese recht erkend met betrekking tot een later wettig huwelijk dat buiten Eritrea is gesloten, zoals in casu op 8 mei 2015 in Addis Abeba, Ethiopië, waar de partijen eerder een rechtskeuze hebben gemaakt met betrekking tot een eerdere informele of gebruikelijke verbintenis. Mits de oorspronkelijke rechtskeuze vrijwillig, duidelijk kenbaar en niet in strijd met de openbare orde of dwingende bepalingen van het Eritrese recht is gemaakt, kan een dergelijke keuze dienen als geldige basis voor de toepassing van het Eritrese recht op zaken die voortvloeien uit het latere wettige huwelijk, aldus het IJI.
2.5
De man sluit zich aan bij dit advies van het IJI en stelt dat sprake is van een rechtskeuze voor Eritrees recht welke rechtskeuze ook bindend is voor het huwelijk gesloten in Ethiopië.
2.6
De vrouw blijft van mening dat niet aan de materiële vereisten voor de geldigheid van de rechtskeuze voor toepassing van het Eritrese recht op het huwelijksvermogensregime is voldaan. Gelet op het ontbreken van specifieke regels voor het doen van een rechtskeuze in het Eritrese recht is de vrouw van mening dat partijen geen geldige rechtskeuze hebben kunnen maken voor het Eritrese huwelijksvermogensregime. Volgens de vrouw wordt niet voldaan aan de genoemde "aanwijzingen" die een rechtskeuze zouden onderbouwen.
Dat het naar Eritrees recht mogelijk is dat een rechtskeuze voor Eritrees recht gebaseerd wordt op een rechtskeuze die eerder voor een niet-rechtsgeldig huwelijk is gemaakt, waarna partijen buiten Eritrea (in Ethiopië) in het huwelijk treden, wordt niet verder onderbouwd. Nu het document, waarvan de man heeft gesteld dat de vrouw dit heeft ondertekend, niet is geregistreerd bij de civiele autoriteiten, kan dit document niet worden beschouwd als een "prenuptial contract'' of een naar Eritrees recht geldige akte van huwelijkse voorwaarden en kan dit document dientengevolge geen rechtsgevolgen hebben voor het huwelijksvermogensregime van partijen, aldus de vrouw.
2.7
Het hof sluit zich, anders dan de vrouw, aan bij het advies van het IJI. Hoewel in Eritrea geen rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen op [datum] 2024, kan de ondertekening van het Legal Marriage Contract naar het oordeel van het hof worden gezien als een verloving, dan wel een relatie waaruit rechten en plichten voortvloeien. Partijen hebben in deze huwelijkse voorwaarden, onder verwijzing naar artikel 652 uit Pro het Eritrees burgerlijk wetboek, benoemd dat voorhuwelijks vermogen niet gemeenschappelijk wordt. Volgens de man was er overleg en goedkeuring van de familie die ook als getuigen hebben opgetreden.
Deze eerder door partijen gemaakte rechtskeuze is naar Eritrees recht geldig voor het later op 8 mei 2015 rechtsgeldig gesloten huwelijk in Ethiopië. Deze rechtskeuze is naar het oordeel van het hof vrijwillig gemaakt, was duidelijk kenbaar en niet in strijd met de openbare orde en werkt dan ook door in het latere huwelijk van partijen. Dat het Legal Marriage Contract niet is geregistreerd bij de civiele autoriteiten van Eritrea doet wat betreft de geldigheid van de rechtskeuze niets daaraan af. Dit betekent dat Eritrees recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Inhoud Eritrees recht
2.8
De vraag is vervolgens wat de inhoud was van het op 8 mei 2025 geldende wettelijke huwelijksvermogensregime naar Eritrees recht en of daarin sindsdien een relevante wijziging is gekomen.
Op 8 mei 2015 was de TCC in elk geval nog van kracht. Daaruit volgt dat het voorhuwelijksvermogen tot het persoonlijk eigendom van de desbetreffende echtgenoot behoort en niet bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen wordt betrokken. Volgens het IJI geldt op grond van artikel 652 TCC Pro dat het persoonlijk vermogen van de echtgenoten het voorhuwelijks vermogen en de staande huwelijk om niet verkregen goederen (door vererving of schenking) omvat, terwijl staande huwelijk anders dan om niet verkregen vermogen (bijv. salaris) in beginsel gemeenschappelijk wordt. Vermogen dat aan de echtgenoten gezamenlijk wordt geschonken is gemeenschappelijk, tenzij de schenker anders heeft bepaald. Artikel 653 TCC Pro bevat het wettelijk vermoeden dat vermogen gemeenschappelijk is, tenzij de desbetreffende echtgenoot bewijst dat het vermogen tot zijn persoonlijk vermogen behoort. De NCCE bevat op dit punt geen relevante wijzigingen en ook van andere wijzigingen is niet gebleken. Deze inhoud van het wettelijke huwelijksvermogensregime naar Eritrese recht is overigens tussen partijen niet in geschil.
2.9
Vast staat dat de woning aan het adres [A-straat] te [plaats B] (hierna: de woning) tot het voorhuwelijkse vermogen van de man behoort en volgens het Eritrees recht daarom niet in de verdeling betrokken wordt en eigendom van de man blijft.
2.1
Conclusie van dit alles is dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij voor recht is verklaard dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. Het hof zal het verzoek van de man een verklaring voor recht uit te spreken dat er een beperkte gemeenschap van goederen is waar de bezittingen van partijen van vóór het huwelijk geen deel van uitmaken, toewijzen.
Termijn verlaten woning
2.11
De man verzoekt te bepalen dat de woning aan hem toebehoort en dat hij (tegenover de vrouw) uiterlijk twee weken na het afgeven van de beschikking het recht heeft om in de woning te wonen met bevel dat de vrouw de woning dient te verlaten. Hij wijst erop dat er vanwege ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de vrouw een nieuwe bodemprocedure over het hoofdverblijf van [minderjarige] loopt waar nog een uitspraak op moet komen. Vanwege deze zorgen en omdat de vrouw niet meewerkt met de hulpverlening is inmiddels ook een ondertoezichtstelling uitgesproken. De man kan al jaren nauwelijks zorgdragen voor [minderjarige] omdat hij dakloos is en geen kans maakt op een andere woning, omdat hij op papier al een woning heeft. De vrouw krijgt geen urgentie, omdat zij het gebruik van de woning van de man heeft. Er is daarom een groot belang bij een spoedige beslissing over de woning en een korte termijn van het verlaten van de woning, aldus de man.
2.12
De vrouw wijst er op dat de rechtbank de beslissing op het verzoek van de man tot het vaststellen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem heeft aangehouden tot een nader te bepalen zitting in juli 2026 in afwachting van de door de GI in te zetten hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.
De vrouw stelt alles in het werk om op korte termijn andere woonruimte te vinden voor haarzelf en [minderjarige] . Zij heeft inmiddels opnieuw een urgentieverklaring aangevraagd, op welke
aanvraag nog niet is beslist. Ook al zou er een urgentieverklaring aan de vrouw worden verstrekt, dan zal dit nog niet betekenen dat zij binnen enkele weken een andere woning heeft.
De vrouw verzoekt het hof haar daarom een ruimere termijn van vijf maanden te geven om de woning te verlaten.
2.13
Het hof overweegt als volgt. Omdat de woning eigendom van de man is en inmiddels meer dan zes maanden zijn verstreken sinds de inschrijving op 8 maart 2024 van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, heeft de vrouw geen recht meer op bewoning van de woning. Zij verblijft daar thans zonder titel. Vaststaat echter ook dat [minderjarige] krachtens de bestreden beschikking, door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 15 oktober 2024, zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft en zij op dit moment nog samen in de woning van de man verblijven. Ontruiming van de woning door de vrouw heeft dan ook in beginsel tot gevolg dat ook [minderjarige] de woning moet verlaten. Dat is een factor waarmee het hof, mede gelet op art. 3 lid 1 en Pro art. 27 lid 3 IVRK Pro, ambtshalve rekening moet houden (zie ook HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799). Dakloosheid van een kind wordt maatschappelijk niet aanvaardbaar geacht. De man heeft echter inmiddels aan de rechtbank verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. Wat er verder van dat verzoek zij, dit betekent dat ontruiming van de woning door de vrouw niet automatisch tot gevolg hoeft te hebben dat [minderjarige] dakloos wordt. Het hof ziet hierin echter wel aanleiding om de ontruimingstermijn daarop aan te passen. Het hof zal daarom in alle redelijkheid en rekening houdend met alle belangen over en weer, in de eerste plaats ook die van [minderjarige] , bepalen dat de vrouw binnen drie maanden na het afgeven van de beschikking de woning dient te verlaten.
2.14
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij voor recht is verklaard dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlandse recht en:
verklaart voor recht dat er een beperkte gemeenschap van goederen is waar de bezittingen van partijen van vóór het huwelijk geen deel van uitmaken;
stelt vast dat de woning aan het adres [A-straat] , [plaats B] aan de man toebehoort
bepaalt dat de man (tegenover de vrouw) uiterlijk drie maanden na afgifte van deze beschikking het recht heeft om in de woning te wonen met bevel dat de vrouw de woning uiterlijk dan dient te verlaten;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.