ECLI:NL:GHAMS:2026:423

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.357.752/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en vaststelling wekelijks videobelmoment tussen vader en minderjarige

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor een vierjarige minderjarige na echtscheiding van de ouders. De rechtbank had een begeleide omgang vastgesteld van minimaal twee uur per twee weken, wat de vader betwistte en wilde uitbreiden met onbegeleide omgang en een wekelijks videobelmoment.

In hoger beroep heeft het hof de bestaande regeling bekrachtigd, omdat de vader meerdere omgangsmomenten had afgezegd en de moeder onvoldoende vertrouwen heeft in onbegeleide omgang. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de omgangsmomenten in stand te houden en de procedure niet aan te houden.

Het hof oordeelde dat uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van de minderjarige is en wees het verzoek van de vader om onbegeleide omgang af. Wel werd een vast wekelijks videobelmoment op woensdag om 18.00 uur ingesteld, zonder minimale duur, om de band tussen vader en kind te bevorderen.

De moeder staat open voor uitbreiding van de omgang als het contact goed verloopt en het hof zag geen aanleiding voor aanhouding of benoeming van een bijzondere curator. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de begeleide zorgregeling en stelt een vast wekelijks videobelmoment in, terwijl uitbreiding en onbegeleide omgang worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.752/01
zaaknummer rechtbank: C/13/741635 / FA RK 23-7289
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende op een voor het hof onbekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. P. Kowalczyk te Rotterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B.A. Huijgen te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] (4 jaar). De rechtbank heeft tweewekelijkse begeleide contacten van minimaal twee uur tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. De vader is het daar niet mee eens en wil meer contact met [minderjarige] . De moeder is het wel eens met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 4 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 10 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 12 augustus 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 5 januari 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 19 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn [in] 2021 te [plaats B] , Polen met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 23 september 2024 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Uit het huwelijk is [in] 2021 te [plaats C] [minderjarige] geboren.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hem.
3.3
De moeder heeft de Poolse en de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Poolse nationaliteit. [minderjarige] heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
3.4
Bij beschikking van 12 juni 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en daarbij bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, dat de vader een kinderbijdrage van € 50,- per maand aan de moeder dient te betalen en een informatieregeling vastgesteld. Partijen zijn via het Uniform Hulpaanbod doorverwezen naar Altra voor het hulpverleningstraject Ouderschap Blijft en in afwachting daarvan is de behandeling van de zorgregeling aangehouden. Het verzoek van de moeder om het eenhoofdig gezag is in deze beschikking afgewezen.
3.5
IHub (voorheen Altra) heeft de rechtbank op 13 november 2024 geïnformeerd dat het uniform hulpaanbod geen doorgang kon vinden.
3.6
De rechtbank heeft op 7 mei 2025 een eindbeschikking (de bestreden beschikking) gewezen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus bepaald dat [minderjarige] met ingang van de datum van de beschikking eenmaal per twee weken, gedurende minimaal twee uur bij Ballorig, of een andere door de moeder gekozen plek, in het bijzijn van de moeder of een door haar gekozen begeleider, contact heeft met de vader, waarbij op termijn in onderling overleg uitbreiding kan plaatsvinden.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, waarbij de vader het eerste en derde weekend van iedere maand op zaterdag en zondag vier uur per dag met [minderjarige] doorbrengt zonder aanwezigheid van de moeder en oma (moederszijde). Daarnaast verzoekt de vader te bepalen dat hij eenmaal per week op woensdag om 18.00 uur voor tenminste vijftien minuten mag videobellen met [minderjarige] , waarbij de moeder het videocontact dient te faciliteren.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Aangezien [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de verzoeken. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof dat zal doen.
Het wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.3
De vader stelt dat onbegeleide omgang tussen hem en [minderjarige] het uitgangspunt is. Ten onrechte is aan onbegeleide omgang de voorwaarde verbonden dat de vader een woon- of verblijfadres in Nederland moet hebben. Volgens de vader heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom niet van de moeder kan worden verwacht dat zij [minderjarige] aan de vader meegeeft zonder te weten waar de vader met hem zal verblijven. Daarnaast is niet gemotiveerd waarom het begrijpelijk is dat de moeder het contact wil begeleiden en dat zij er vertrouwen in moet krijgen dat [minderjarige] veilig is bij de vader en dat hij verantwoorde en liefdevolle zorg verleent. Toen de ouders samenwoonden was het contact tussen [minderjarige] en de vader goed. Verder is volgens de vader ten onrechte een probleem gemaakt van het feit dat hij alleen Pools spreekt en zich in openbare ruimten niet verstaanbaar zou kunnen maken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet doorgepakt op de deelbeschikking van 12 juni 2024. De moeder is haar afspraken niet nagekomen en heeft het traject ‘Ouderschap Blijft’ laten mislukken. Zij wil niet dat er onbegeleide omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] , ook niet als de begeleide omgang goed verloopt. De rechtbank had de moeder daarom moeten opdragen alsnog haar medewerking te verlenen aan het traject van iHub, de vader onbegeleide omgang moeten toekennen of de raad de opdracht moeten geven om te adviseren hoe onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] tot stand moet komen. Ook is niet gemotiveerd waarom is afgezien van het benoemen van een bijzondere curator. De rechtbank had de kwestie niet al in dat stadium mogen beslissen, omdat het onderzoek nog niet was afgerond. Bovendien heeft de raad tijdens de zitting bij de rechtbank niet, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd waarom een raadsonderzoek, een (omgangs)ondertoezichtstelling of verdere bemoeienis van de raad niet nodig is. De uitspraken van de raad destijds tonen aan dat de raad het dossier niet kent of de moeder heeft voorgetrokken. Tot slot meent de vader dat het contact tussen [minderjarige] en hem moet worden uitgebreid (ook met een wekelijks videobelmoment).
5.4
De moeder is van mening dat de huidige zorgregeling op de juiste gronden is vastgesteld. Zij is angstig vanwege bedreigingen door de vader. Zij heeft haar zorgen zoveel mogelijk opzij gezet, maar acht onbegeleide omgang op dit moment niet realistisch. Het is van belang dat de vader aangeeft waar hij met [minderjarige] verblijft, omdat hij niet in Nederland woont en de moeder zorgen heeft over een mogelijke kinderontvoering. Zij kan niet instemmen met een uitbreiding van de zorgregeling, allereerst omdat de vader weigert zijn huidige verblijfplaats (in het buitenland) kenbaar te maken. Het gebrek aan zelfinzicht van de vader is ook een reden voor de moeder om geen onbegeleide omgang te laten plaatsvinden. De moeder begrijpt niet waarom het traject bij Ouderschap Blijft is gestopt en het is onjuist dat zij het traject heeft laten mislukken. Zij heeft meermaals bij de vader en Altra aangegeven dat op termijn (als de begeleide omgang goed verloopt) onbegeleide omgang kan plaatsvinden. De moeder wil dat de omgang eerst wordt opgebouwd zodat [minderjarige] en de vader aan elkaar kunnen wennen. Daarnaast dient er gewerkt te worden aan vertrouwensherstel. Als de vader zijn adresgegevens kenbaar maakt en aangeeft waar hij met [minderjarige] zal verblijven, kan op termijn onbegeleide omgang plaatsvinden. De rechtbank heeft verder terecht geen bijzondere curator benoemd en de zaak niet aangehouden. Videobellen tussen de vader en [minderjarige] is in de toekomst onder bepaalde voorwaarden mogelijk, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de begeleide omgangsmomenten op dit moment in stand te laten. Daarbij is van belang dat de afspraken die gemaakt worden ook nagekomen worden, zodat daarin continuïteit is voor [minderjarige] . De afgelopen tijd is een aantal omgangsmomenten niet doorgegaan en daarom is het verzoek van de vader om de omgang uit te breiden mogelijk niet haalbaar. Als [minderjarige] ouder wordt zal hij er last van krijgen als de vader de omgangsafspraken niet nakomt. Voor onbegeleide omgangsmomenten is het (voor de moeder) van belang om te weten waar de vader verblijft. De raad denkt dat bekendmaking van de verblijfplaats van de vader een positief effect zal hebben op het vertrouwen van de moeder. Ook moet zij er vertrouwen in krijgen dat de vader de afspraken nakomt. De vader moet de ruimte krijgen om een band op te bouwen met [minderjarige] en om te laten zien dat hij afspraken nakomt en dat het goed gaat met [minderjarige] . De raad adviseert te bezien hoe de contacten de komende zes maanden verlopen en daartoe de procedure aan te houden. Als het niet lukt om de omgang verder vorm te geven kan de raad worden verzocht onderzoek te doen naar verdere hulpverlening. De raad denkt nog steeds dat het goed zou zijn als de ouders begeleiding krijgen, bijvoorbeeld vanuit het Ouder- en Kindteam of iHub. Verder vindt de raad een videobelmoment op de woensdag, bijvoorbeeld eerst eenmaal in de twee weken waarbij de vader [minderjarige] een boekje voorleest of zij een spelletje met elkaar spelen, passend. Als [minderjarige] de vader korte momenten ziet, zal dat hun band goed doen.
De beoordeling
5.6
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan hebben [minderjarige] en de vader elkaar, afgezien van enkele videobelmomenten, langere tijd niet gezien. Sinds mei 2025 vinden er - zoals in de bestreden beschikking is bepaald – (in beginsel) eenmaal in de twee weken gedurende minimaal twee uur omgangsmomenten plaats tussen de vader en [minderjarige] bij Ballorig, welke omgangsmomenten door de moeder worden begeleid. Gebleken is dat de moeder tijdens die momenten op afstand aanwezig is en dat de vader met [minderjarige] kan spelen.
5.7
Vast is komen te staan dat de vader en [minderjarige] elkaar op 6 december 2025 voor het laatst hebben gezien en dat de vader de afgelopen periode meerdere omgangsmomenten met [minderjarige] heeft afgezegd. Het hof is met de moeder van oordeel dat een uitbreiding van de zorgregeling, zoals de vader heeft verzocht, op dit moment dan ook niet in het belang van [minderjarige] is. Zoals de raad naar voren heeft gebracht is het voor [minderjarige] van belang dat de omgangsmomenten bestendig zijn. Aangezien de vader nu al moeite heeft om de omgang na te komen, ligt uitbreiding van de zorgregeling niet in de rede.
Ten aanzien van het verzoek van de vader om [minderjarige] zonder begeleiding te zien is het hof van mening dat dat nu nog te vroeg is. Daarbij overweegt het hof dat de moeder de omgangsmomenten op dit moment begeleidt en dat zij (nu nog) onvoldoende vertrouwen heeft in onbegeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader. Het hof merkt daarnaast, net als de raad, op dat het een positief effect op het vertrouwen van de moeder kan hebben als de vader zijn huidige verblijfplaats kenbaar maakt aan haar, wat hij tot op heden weigert. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de door de rechtbank bepaalde zorgregeling te wijzigen en zal de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling daarom bekrachtigen. Het staat de ouders uiteraard vrij om in onderling overleg een andere invulling te geven aan de zorgregeling. Daarbij overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder open staat voor een uitbreiding van de omgang als de omgang goed verloopt. Zo heeft zij verklaard dat het voor haar mogelijk is om de omgangsmomenten langer te laten duren, omdat zij de hele middag vrijhoudt voor de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader. Gebleken is dat zij eerder al, op 6 december 2025, aan de vader heeft voorgesteld om het omgangsmoment langer te laten duren, maar dat hij daar toen geen gebruik van heeft gemaakt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de moeder het aanbod om de omgang langer te laten plaatsvinden als de omgang goed verloopt, gestand zal doen. Het hof ziet ook geen aanleiding om de procedure aan te houden zoals de raad heeft geadviseerd, omdat de moeder heeft laten zien dat zij de vader en [minderjarige] de ruimte geeft een band met elkaar op te bouwen. Evenmin ziet het hof aanleiding om een bijzondere curator te benoemen.
5.8
De vader heeft aanvullend verzocht te bepalen dat hij eenmaal per week op woensdag om 18.00 uur voor tenminste vijftien minuten mag videobellen met [minderjarige] , waarbij de moeder het videocontact dient te faciliteren. Met de raad is het hof van oordeel dat het de band tussen [minderjarige] en de vader ten goede zal komen als zij elkaar regelmatig op korte momenten zien. Het hof acht een wekelijks videobelmoment op woensdag om 18.00 uur in het belang van [minderjarige] . De vader kan [minderjarige] dan bijvoorbeeld, zoals de raad heeft voorgesteld, (via een videoverbinding) een boekje voorlezen of zij kunnen een spelletje met elkaar doen. Anders dan de vader heeft verzocht zal het hof geen minimale duur voor dit contactmoment bepalen, nu [minderjarige] nog jong is. De ouders dienen tijdens deze videobelmomenten goed te kijken naar de draagkracht van [minderjarige] en de duur van het contact daarop af te stemmen.
5.9
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin vastgestelde zorgregeling;
bepaalt dat er een vast videobelmoment geldt tussen de vader en [minderjarige] op woensdag om 18.00 uur;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.