ECLI:NL:GHAMS:2026:422

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.357.978/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 BWArt. 1:450 BWArt. 1:451 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onderbewindstelling en mentorschap wegens afgenomen noodzaak

De betrokkene, geboren in 1969, was onder bewind gesteld en had een mentorschap vanwege haar psychiatrische aandoeningen en vermeende onvermogen haar belangen te behartigen. De kantonrechter had deze maatregelen ingesteld op verzoek van Mentrum.

In hoger beroep betwistte de betrokkene de noodzaak van deze beschermingsmaatregelen, stellende dat zij met ondersteuning van haar zus en vrijwillige hulpverlening haar belangen adequaat kan behartigen. Tijdens de zitting verklaarden zowel de betrokkene als haar zus dat zij zelfstandig functioneren en geen bewindvoering of mentorschap wensen. De bewindvoerder/mentor gaf aan beperkte informatie te hebben over de financiële situatie en zorgbehoefte, maar erkende dat de situatie complex is door het samenwonen van de zussen.

Het hof concludeerde dat de omstandigheden sinds de bestreden beschikking zijn gestabiliseerd en dat de betrokkene, ondanks haar psychiatrische stoornissen, niet progressief achteruitgaat. De ondersteuning door haar zus en Mentrum is adequaat en biedt voldoende waarborgen. Daarom zijn de wettelijke gronden voor bewind en mentorschap niet langer aanwezig en worden deze per 10 maart 2026 opgeheven.

Uitkomst: Het hof heft de onderbewindstelling en het mentorschap van betrokkene op per 10 maart 2026 wegens afgenomen noodzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.978/01
zaaknummer rechtbank: 11578711 EB VERZ 25-1937
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- Mentrum-VIP (hierna: Mentrum);
- [zus] (hierna: zus [zus] );
- [bewindvoerder] Bewindvoering B.V. (hierna: de bewindvoerder respectievelijk de mentor of de bewindvoerder/mentor);
- [de broer] (hierna: de broer).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of het instellen van bewind en mentorschap noodzakelijk is voor de betrokkene.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft bij beschikking van 12 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) op verzoek van Mentrum de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld. Tevens is ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld. Tot bewindvoerder en mentor is benoemd [bewindvoerder] Bewindvoering B.V.
De betrokkene is het hier niet mee eens en wil dat de bestreden beschikking vernietigd wordt.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De betrokkene is op 8 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De zitting heeft op 14 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- zus [zus] ;
- de bewindvoerder respectievelijk de mentor, vertegenwoordigd door [bewindvoerder] .
Voorts waren twee student-stagiaires (van de zijde van het kantoor van mr. Boomstra) bij de zitting aanwezig.
De broer is behoorlijk opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.
Bij bericht van 17 november 2025 heeft Mentrum aangegeven dat mevrouw [naam] die Mentrum in eerste aanleg vertegenwoordigde inmiddels met pensioen is en dat er nog geen opvolger voor haar is aangesteld en er om die reden geen vertegenwoordiger van Mentrum ter zitting zal verschijnen.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [in] 1969 te Curaçao en is 57 jaar oud.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de goederen die de betrokkene toebehoren of zullen toebehoren onder bewind gesteld als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand en ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld, met benoeming van de bewindvoerder en de mentor als zodanig.
4.2
De betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap alsnog af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
Bewind
5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.2
Uit artikel 1:449, tweede lid, BW volgt dat de kantonrechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
Mentorschap
5.3
Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
5.4
Uit artikel 1:462, tweede lid, BW volgt dat de kantonrechter het mentorschap kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.5
De betrokkene stelt – kort samengevat – dat zij zowel lichamelijk als geestelijk in staat is haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen waar te nemen, met ondersteuning van haar tweelingzus [zus] en vrijwillige hulpverlening.
Volgens de betrokkene is niet gebleken dat haar financiële situatie zodanig problematisch is dat het noodzakelijk is een bewindvoerder aan te stellen. Zij benadrukt dat beschermingsmaatregelen uitsluitend dienen te worden getroffen indien deze noodzakelijk zijn en minder ingrijpende alternatieven onvoldoende blijken te zijn. De betrokkene is van mening dat dergelijke minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn, zoals de reeds bestaande vrijwillige ondersteuning door maatschappelijk werk en de dagelijkse ondersteuning van zus [zus] .
Ten aanzien van het mentorschap betwist de betrokkene dat zus [zus] tegen haar wil beslissingen neemt en stelt zij dat er geen aanleiding is voor het instellen van mentorschap. In het verleden is sprake geweest van een goede samenwerking tussen haar zus [zus] en zorgverleners, waaronder Mentrum, waarbij medische beslissingen steeds in overleg met de betrokkene tot stand kwamen. Hoewel er incidenteel sprake is geweest van meningsverschillen met zorgverleners, acht de betrokkene dit onvoldoende grond voor de ingrijpende maatregel van mentorschap. De hechte band tussen haar en haar zus [zus] waarborgt dat zorg- en welzijnsbeslissingen op zorgvuldige wijze en in het belang van de betrokkene worden genomen. Het feit dat zij al jarenlang samenwonen vormt daarbij geen bezwaar, maar juist een garantie dat beslissingen worden genomen met oog voor de belangen en de leefwereld van de betrokkene.
5.6
Zus [zus] heeft tijdens de zitting – kort samengevat – het volgende verklaard. De woonsituatie van de zussen is stabiel en zij wonen al jaren samen. Zij wonen in een particuliere huurwoning aan het [straat] . Er is geen sprake van een begeleide woonsituatie. De betrokkene lijdt aan een psychiatrische stoornis en zij neemt haar medicatie, die zij elke week via de hulpverlening verstrekt krijgt, trouw in. Zus [zus] houdt de betrokkene goed in de gaten, zorgt voor haar en mentorschap is dan ook niet nodig. Er is momenteel geen zorgmachtiging.
De zussen hebben nooit onder bewind gestaan en dit heeft in het verleden ook niet tot problemen geleid. Zij beschouwen zichzelf als zelfstandige personen en kunnen ook financieel gezien goed rondkomen.Zus [zus] heeft verder verklaard bereid te zijn samen te werken met de hulpverlening waar dit nodig is, maar de betrokkene en zij wensen geen bewindvoering en metorschap. Gedurende een periode van 26 jaar hebben zij te maken gehad met Mentrum, zonder dat dit aanleiding heeft gegeven tot het treffen van beschermingsmaatregelen. De huidige procedure wordt door hen als zeer pijnlijk ervaren.
5.7
De bewindvoerder/mentor heeft tijdens de zitting – kort samengevat – het volgende verklaard. Ten aanzien van de financiële situatie heeft de bewindvoerder/mentor uitsluitend zicht op één bankrekening waarop de uitkering van de betrokkene wordt ontvangen. Deze rekening wordt alleen gebruikt voor inkomensdoeleinden en kent geen uitgaven, aangezien de zussen hun financiële zaken zelf en onderling regelen. Er bestaat geen volledig overzicht van de financiën en de administratie, omdat de zussen hierover geen nadere informatie verstrekken. De bewindvoerder/mentor is niet op de hoogte van eventuele schulden. Op genoemde rekening is sprake van een groeiend saldo en een positief vermogen.
Met betrekking tot het mentorschap heeft de bewindvoerder/mentor verklaard dat er tot op heden weinig tot geen actie is ondernomen, aangezien de zussen eerst de uitkomst van het hoger beroep wensen af te wachten. Voor Mentrum is het lastig om passende zorg te verlenen, omdat het contact voornamelijk via zus [zus] verloopt. De zussen wensen geen zorg aan huis. Door het samenleven van de zussen is het volgens de bewindvoerder/mentor complex om vast te stellen of en zo ja welke specifieke zorg voor de betrokkene daadwerkelijk noodzakelijk is. De betrokkene wordt als zorgbehoevend aangemerkt, maar over de aard en omvang van de benodigde zorg bestaat veel onduidelijkheid. Hoewel het op dit moment naar omstandigheden goed gaat met de betrokkene, is er tegelijkertijd weinig concrete informatie over de zorgbehoefte van haar beschikbaar.
Beoordeling door het hof
5.8
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
De betrokkene wordt thans in het vrijwillig kader begeleid door Mentrum FACT West in verband met haar psychiatrische problematiek. Zij lijdt aan een stoornis, bestaande uit schizofrenie, en is daarnaast bekend met een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type. De betrokkene woonde in het verleden bij haar moeder, maar woont sinds 2017 samen met haar zus [zus] . Zij voeren een gezamenlijke huishouding en zus [zus] biedt haar structurele ondersteuning.
Het hof constateert dat, gelet op de door de betrokkene, haar zus [zus] en de bewindvoerder/mentor geschetste omstandigheden, de noodzaak van het bewind en het mentorschap thans niet langer aanwezig is. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat het momenteel niet naar behoren gaat met de betrokkene.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in de periode die vooraf ging aan de aanvraag van de maatregelen sprake was van een diffuse en onrustige situatie. Er zou onder meer sprake zijn geweest van een dreigende situatie, waarbij de betrokkene een mes zou hebben getrokken richting haar zus [zus] . Deze omstandigheden konden destijds aanleiding geven tot zorgen. De betrokkene heeft vervolgens met een zorgmachtiging verbleven in een instelling van Mentrum. De zorgmachtiging heeft gegolden van 26 november 2024 tot en met 6 mei 2025. Daarnaast bestond onder meer onduidelijkheid over een aan de betrokkene onterecht uitbetaalde daklozenuitkering.
Het hof stelt vast dat de diffuse en onrustige situatie inmiddels is opgehelderd en gestabiliseerd en dat de destijds bestaande zorgen thans zijn weggenomen. Hoewel is gebleken dat de betrokkene niet volledig zelfstandig kan functioneren en bij de betrokkene sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld is dit niet progressief van aard. Er is geen sprake van een aandoening die leidt tot een voortschrijdende achteruitgang. De betrokkene neemt deel aan dagbesteding gedurende drie dagen per week en gebruikt haar medicatie conform voorschrift, die zij wekelijks op vrijdag van Mentrum ontvangt. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep was de zorgmachtiging inmiddels geëindigd. De ondersteuning door zus [zus] is goed georganiseerd en wordt reeds jarenlang op stabiele wijze geboden.
Ook in financieel opzicht is sprake van een stabiele situatie. Er bestaan op dit moment geen zorgen over de uitgaven van de betrokkene. Er zijn geen schulden bekend en er is sprake van een rekening waarop een positief vermogen wordt opgebouwd. Zus [zus] heeft tijdens de zitting verklaard dat zij zich, eventueel met ondersteuning van een onafhankelijke derde, zal blijven ontfermen over de financiële belangen van de betrokkene, zoals zij dat in het verleden steeds heeft gedaan. Het hof heeft hierin vertrouwen.
Het hof is dan ook van oordeel dat een adequate behartiging van de belangen van de betrokkene, zowel van vermogensrechtelijke als van niet-vermogensrechtelijke aard, zonder de maatregelen van bewind en mentorschap nu voldoende is gewaarborgd. De combinatie van structurele ondersteuning door zus [zus] en toezicht en begeleiding door Mentrum biedt daarvoor voldoende waarborgen, waarbij de mogelijkheid bestaat om indien nodig tijdig op te schalen naar meer intensieve zorg.
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de wettelijke gronden voor het mentorschap en het bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren maar inmiddels niet meer aan de orde zijn en het hof zal het mentorschap en het bewind opheffen met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking, te weten per 10 maart 2026.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het hof voorgelegd, ten aanzien van het instellen van het bewind en het mentorschap tot 10 maart 2026;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor het overige en, opnieuw rechtdoende:
heft op het bewind over de goederen van [betrokkene] , geboren [in] 1969, met ingang van 10 maart 2026;
heft op het mentorschap van [betrokkene] , geboren [in] 1969, met ingang van 10 maart 2026;
bepaalt dat de bewindvoerder/mentor binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de betrokkene en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Amsterdam overlegt;
draagt de griffier op krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam in verband met aantekening in het Curatele- en bewindregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.