Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
De betrokkene wordt thans in het vrijwillig kader begeleid door Mentrum FACT West in verband met haar psychiatrische problematiek. Zij lijdt aan een stoornis, bestaande uit schizofrenie, en is daarnaast bekend met een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type. De betrokkene woonde in het verleden bij haar moeder, maar woont sinds 2017 samen met haar zus [zus] . Zij voeren een gezamenlijke huishouding en zus [zus] biedt haar structurele ondersteuning.
Het hof constateert dat, gelet op de door de betrokkene, haar zus [zus] en de bewindvoerder/mentor geschetste omstandigheden, de noodzaak van het bewind en het mentorschap thans niet langer aanwezig is. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat het momenteel niet naar behoren gaat met de betrokkene.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in de periode die vooraf ging aan de aanvraag van de maatregelen sprake was van een diffuse en onrustige situatie. Er zou onder meer sprake zijn geweest van een dreigende situatie, waarbij de betrokkene een mes zou hebben getrokken richting haar zus [zus] . Deze omstandigheden konden destijds aanleiding geven tot zorgen. De betrokkene heeft vervolgens met een zorgmachtiging verbleven in een instelling van Mentrum. De zorgmachtiging heeft gegolden van 26 november 2024 tot en met 6 mei 2025. Daarnaast bestond onder meer onduidelijkheid over een aan de betrokkene onterecht uitbetaalde daklozenuitkering.
Het hof stelt vast dat de diffuse en onrustige situatie inmiddels is opgehelderd en gestabiliseerd en dat de destijds bestaande zorgen thans zijn weggenomen. Hoewel is gebleken dat de betrokkene niet volledig zelfstandig kan functioneren en bij de betrokkene sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld is dit niet progressief van aard. Er is geen sprake van een aandoening die leidt tot een voortschrijdende achteruitgang. De betrokkene neemt deel aan dagbesteding gedurende drie dagen per week en gebruikt haar medicatie conform voorschrift, die zij wekelijks op vrijdag van Mentrum ontvangt. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep was de zorgmachtiging inmiddels geëindigd. De ondersteuning door zus [zus] is goed georganiseerd en wordt reeds jarenlang op stabiele wijze geboden.
Ook in financieel opzicht is sprake van een stabiele situatie. Er bestaan op dit moment geen zorgen over de uitgaven van de betrokkene. Er zijn geen schulden bekend en er is sprake van een rekening waarop een positief vermogen wordt opgebouwd. Zus [zus] heeft tijdens de zitting verklaard dat zij zich, eventueel met ondersteuning van een onafhankelijke derde, zal blijven ontfermen over de financiële belangen van de betrokkene, zoals zij dat in het verleden steeds heeft gedaan. Het hof heeft hierin vertrouwen.
Het hof is dan ook van oordeel dat een adequate behartiging van de belangen van de betrokkene, zowel van vermogensrechtelijke als van niet-vermogensrechtelijke aard, zonder de maatregelen van bewind en mentorschap nu voldoende is gewaarborgd. De combinatie van structurele ondersteuning door zus [zus] en toezicht en begeleiding door Mentrum biedt daarvoor voldoende waarborgen, waarbij de mogelijkheid bestaat om indien nodig tijdig op te schalen naar meer intensieve zorg.
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de wettelijke gronden voor het mentorschap en het bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren maar inmiddels niet meer aan de orde zijn en het hof zal het mentorschap en het bewind opheffen met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking, te weten per 10 maart 2026.