ECLI:NL:GHAMS:2026:42

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.354.429/01 en 200.354.429/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling van minderjarigen in hoger beroep

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Amsterdam is behandeld, gaat het om de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder, verzoekster in principaal hoger beroep, is het niet eens met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, die de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader heeft bepaald en een zorgregeling heeft vastgesteld. De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en een co-ouderschapsregeling in te voeren, terwijl de vader, die het eens is met de beschikking van de rechtbank, een aanpassing van de zorgregeling wenst. De rechtbank had bepaald dat de kinderen drie weekenden bij de moeder en één weekend bij de vader verblijven, met een kinderalimentatie van € 80,- per kind per maand die de moeder aan de vader moet betalen. De moeder is van mening dat de huidige regeling niet in het belang van de kinderen is en dat zij de hoofdverblijfplaats bij haar moet krijgen, terwijl de vader stelt dat de kinderen goed gedijen in hun huidige situatie. Het hof heeft de zaak behandeld en de verzoeken van de moeder afgewezen, terwijl het verzoek van de vader om aanpassing van de wisselmomenten is toegewezen. De moeder heeft ook verzocht om voorlopige voorzieningen, maar dit verzoek is afgewezen. De beslissing van het hof is op 13 januari 2026 openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.354.429/01 en 200.354.429/02
zaaknummer rechtbank: C/15/354143 / FA RK 24/3326
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep en in het incident,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Z. Acer te Arnhem,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep en in het incident,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.A. Stoffijn te Waalwijk.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2021 (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk ook: de kinderen.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: zorgregeling) en bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft in een beschikking van 17 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald en een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen steeds drie weekenden achter elkaar bij de moeder verblijven en dan een weekend bij de vader. Verder is bepaald dat de moeder € 80,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vader.
1.3
De moeder is het hier niet mee eens. Zij wil dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar (in [plaats A] ) wordt bepaald, een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld en dat wordt bepaald dat geen kinderalimentatie hoeft te worden betaald.
De vader is het eens met de bestreden beschikking, maar hij wil wel graag een aanpassing van de zorgregeling in die zin dat het tijdstip van de wisselmomenten op de vrijdag en de zondag wordt gewijzigd en dat een verdeling van de vakanties en feestdagen wordt vastgesteld.
Het hof wijst de verzoeken van de moeder af en die van de vader toe en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 12 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Zij heeft daarbij ook een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit laatste verzoek is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.354.429/02.
2.2
De vader heeft op 6 augustus 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. Hij heeft hierin ook verweer gevoerd tegen het verzoek voorlopige voorzieningen.
2.3
De moeder heeft op 26 augustus 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft verder nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 juni 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 16 juli 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 24 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 29 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 30 september 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 1 oktober 2025.
2.5
Voorafgaand aan de zitting heeft het hof partijen schriftelijk laten weten dat het bij bericht van 1 oktober 2025 aangevoerde bezwaar van de vader tegen de indiening van de akte door de moeder, bij bericht van 29 september 2025, wordt verworpen voor zover daarbij producties zijn overgelegd en in de akte daarop een toelichting is gegeven. Ook het bezwaar van de vader tegen indiening van de productie, gevoegd bij de brief van 30 september 2025 van de moeder, wordt verworpen. Verder heeft het hof partijen geïnformeerd dat het aanvullende verzoek van de moeder tot het gelasten van een raadsonderzoek, zoals opgenomen in haar bericht van 29 september 2025, ter zitting nader zal worden besproken.
2.6
De zitting heeft op 9 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, beiden via een (gezamenlijke) videoverbinding;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn in 2017 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 19 september 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 september 2019 in de registers van de burgerlijke stand. Na het huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft de kinderen erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
3.2
De vader heeft een dochter uit een eerdere relatie, [dochter] , geboren [in] 2013 (hierna: [dochter] ).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader (toevoeging hof: in [plaats B] ) vastgesteld. In het kader van de zorgregeling is bepaald dat de kinderen steeds drie weekenden achter elkaar van vrijdagavond tot zondagavond bij de moeder (toevoeging hof: in [plaats A] ) verblijven en dan één weekend bij de vader, waarbij geldt dat de kinderen het weekend bij de vader zijn waarin ook [dochter] bij de vader is, en de overdracht zowel op de vrijdagavond als op de zondagavond om 18.00 uur plaatsvindt bij Motel [hotel] te [plaats C] . Daarnaast is bepaald dat de moeder € 80,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vader dient te betalen, met ingang van de dag van de beschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
in principaal hoger beroep en in het incident
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn;
  • primair de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met de kinderen naar [plaats A] dan wel, subsidiair, het huurrecht van de voormalige gezamenlijke huurwoning gelegen aan de [A-straat] te [plaats B] aan de moeder toe te kennen om zich aldaar met de kinderen te vestigen;
  • een zorgregeling vast te stellen waarin het co-ouderschap wordt voortgezet, althans een zorgverdeling vast te stellen waarbij de kinderen substantieel en regelmatig contact behouden met de vader;
  • de kinderalimentatie te wijzigen naar € 25,- per maand per ouder, dan wel de kinderalimentatie op nihil te stellen.
Aanvullend heeft de moeder verzocht om een raadsonderzoek te gelasten.
Verder verzoekt de moeder, bij wijze van voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv, te bepalen dat:
  • de kinderen gedurende de procedure (in hoger beroep) aan de moeder worden toevertrouwd;
  • het co-ouderschap wordt voortgezet, althans een zorgverdeling te bepalen waarbij de minderjarigen een substantieel en regelmatig contact behouden met de vader dat in ieder geval geldt tot 5 januari 2026;
  • de moeder voor de duur van de procedure bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de voormalige gezamenlijke woning, met het bevel dat de vader de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
  • de kinderalimentatie te wijzigen naar € 25,- per maand, per ouder dan wel deze op nihil te stellen.
4.3
De vader verzoekt het verzoek van de moeder in principaal hoger beroep af te wijzen. Hij verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, althans het verzoek af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
4.4
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen
dat de kinderen drie weekenden achter elkaar van vrijdag tot zondag bij de moeder verblijven, en dan één weekend bij de vader, waarbij geldt dat het weekend dat de kinderen bij de vader zijn in een even weekend valt, waarin overeenkomstig de thans geldende zorgregeling van [dochter] ook hun halfzusje bij de vader is/zou behoren te zijn, en de overdracht zowel op de vrijdag als op de zondag om 17.00 uur plaatsvindt bij Hotel [hotel] te [plaats C] .
Verder verzoekt hij in het kader van de verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen dat de kinderen jaarlijks bij de moeder verblijven:
  • de gehele voorjaars- en herfstvakantie;
  • één week in de meivakantie (volgend op het oneven weekend);
  • de eerste week van de kerstvakantie;
  • in de even jaren week 1-3 en in de oneven jaren week 4-6 van de zomervakantie
(afgestemd op zorgregeling met [dochter] );
  • in de even jaren tijdens het Suikerfeest en in de oneven jaren tijdens het Offerfeest;
  • tijdens Pasen, Pinksteren en Hemelvaart,
en dat zij jaarlijks tijdens Vaderdag en de verjaardag van de vader bij de vader verblijven.
4.5
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de door partijen aangevoerde grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, waar deze onderling samenhangen, gezamenlijk en per onderwerp bespreken. Het hof zal eerst ingaan op een processueel punt ten aanzien van het overleggen van een productie, waarna de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling aan de orde komen. Vervolgens zal het hof ingaan op de kinderalimentatie en het verzoek voorlopige voorzieningen.
Overlegging productie
5.2
Het hof zal, overeenkomstig het verzoek van de vader in zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, geen kennis nemen van de door de moeder als productie 5 bij het beroepschrift overgelegde stukken. Het betreffen stukken die in de procedure bij de rechtbank buiten beschouwing zijn gelaten en door de moeder dus ten onrechte aan het procesdossier in eerste aanleg zijn toegevoegd. Een nadere toelichting bij de stukken ontbreekt bovendien. De moeder heeft ter zitting hierover verklaard dat zij als productie 8 in hoger beroep de voor haar relevante stukken opnieuw heeft ingediend, waarvan het hof wel kennis heeft genomen.
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
5.3
Op grond van artikel 1:253a BW dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder het onderhavige geschil over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunten
5.4
De moeder stelt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar (toevoeging hof: in [plaats A] ) moet worden vastgesteld, dan wel dat aan haar vervangende toestemming moet worden verleend om met de kinderen naar [plaats A] te verhuizen. Zij voert hiertoe het volgende aan. De moeder heeft in het verleden de primaire zorg voor de kinderen gedragen; zij werkte tot augustus 2023 parttime. De kinderen zijn aan haar gehecht. In de relatie met de vader was sprake van fysiek en psychisch geweld, ook in bijzijn van de kinderen. Om die reden is hulpverlening intensief betrokken geweest bij het gezin. De moeder heeft zich ingespannen om woonruimte binnen de regio [plaats B] te vinden, maar dit is niet gelukt. Omdat zij een starterslening in [plaats A] kon krijgen, heeft zij daar een woning gekocht. Deze keuze betekende voor de moeder veiligheid, stabiliteit, zelfstandigheid en een nieuwe start. De vader was op de hoogte van en betrokken bij de aankoop van de woning in [plaats A] . De moeder erkent dat de afstand tussen [plaats B] en [plaats A] belemmerend is voor uitvoering van de co-ouderschapsregeling. In dat kader stelt zij dat de vader ook naar [plaats A] kan verhuizen, nu de kinderen gelet op hun jonge leeftijd nog niet geworteld zijn in [plaats B] . De moeder geeft ook aan dat zij bereid is naar [plaats D] terug te keren, indien haar een haalbare woonoplossing wordt aangeboden. In dit kader verzoekt zij het huurrecht van de voormalige gezamenlijke woning in [plaats B] aan haar toe te kennen.
5.5
De vader is van mening dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen terecht bij hem heeft bepaald en voert hiertoe het volgende aan. Hij is juist degene die altijd de primaire zorg voor de kinderen heeft gedragen, omdat de moeder de zorg voor de kinderen erg zwaar vond. De vader ontkent niet dat er tijdens de relatie met de moeder huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, maar het was juist de vader die het slachtoffer was. De doordeweekse zorg voor de kinderen ligt al twee jaar bij de vader. Het gaat goed met de kinderen en er zijn geen zorgen over hun opvoedsituatie. Het leven van de kinderen speelt zich af in de regio [plaats B] . Zij hebben nooit ergens anders gewoond. De kinderen gaan naar school en opvang in [plaats B] en hebben een goede band met de zus van de vader, die in de buurt woont. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zich heeft ingespannen om een woning in de omgeving [plaats B] te vinden. Dat in deze omgeving geen starterslening zou worden aangeboden, klopt niet. De moeder heeft evenmin voldoende onderbouwd dat er een noodzaak is om met de kinderen naar [plaats A] te verhuizen. Verhuizen naar [plaats A] is voor de vader geen optie, omdat dit (herstel van) de zorgregeling met zijn andere dochter [dochter] in de weg staat. De vader heeft voorts verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder het huurrecht van de voormalige gezamenlijke woning in [plaats B] aan haar toe te kennen.
Advies raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen en heeft dit advies als volgt toegelicht. De kinderen wonen al hun hele leven in [plaats B] , waar [minderjarige 1] naar school gaat en [minderjarige 2] naar de opvang. Er zijn geen zorgmeldingen bij de raad bekend over de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader. Ook zijn er geen zorgen vanuit de school van [minderjarige 1] of andere instanties. De ouders hadden een turbulente scheiding, maar na 2021 zijn er geen Veilig Thuis meldingen meer geweest en heeft de hulpverlening het dossier gesloten. De raad ziet geen reden om nog nader onderzoek te doen. Na het uiteengaan van de ouders heeft de moeder de kans gehad om een woning in [plaats D] te zoeken, maar zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het is in het belang van de kinderen dat de huidige opvoedsituatie wordt voortgezet, maar nog beter is het als de moeder dichterbij zou wonen. De kinderen zijn gewend aan een grote betrokkenheid van beide ouders en beide ouders willen ook allebei veel bij de kinderen zijn. Een co-ouderschap is het meest in hun belang, maar is door de grote afstand tussen de ouders nu praktisch niet uitvoerbaar. Om loyaliteitsproblemen bij de kinderen zo veel mogelijk te voorkomen, is het van belang dat de ouders zich tot de gemeente wenden voor een ouderschapstraject. De ouders moeten met elkaar communiceren in het belang van de kinderen.
Beoordeling hof
5.7
De moeder heeft in het bericht van 29 september 2025 verzocht een onderzoek door de raad te gelasten. Zoals reeds ter zitting is besproken gaat het hof voorbij aan het bezwaar van de vader tegen indiening van dit (aanvullende) verzoek door de moeder wegens strijd met de goede procesorde. De rechter heeft op grond van artikel 810 Rv de bevoegdheid de raad advies te vragen, indien dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige(n) noodzakelijk wordt geacht. De rechter kan de raad in elke stand van het geding daartoe oproepen, ongeacht of partijen daartoe een verzoek hebben gedaan. Van strijd met de goede procesorde is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.
5.8
Het hof acht zich op grond van de stukken van het dossier en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen, zodat geen aanleiding bestaat een raadsonderzoek te gelasten. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de raad ter zitting in hoger beroep heeft verklaard evenmin reden te zien voor een onderzoek. Het (aanvullende) verzoek van de moeder tot het gelasten van een raadsonderzoek zal dus worden afgewezen. Dat een raadsonderzoek zal plaatsvinden naar het gezag en de omgang tussen de vader en [dochter] , maakt dat niet anders. De (opvoed)situatie van [dochter] verschilt immers van de (opvoed)situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.9
Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Na de echtscheiding van de ouders in 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren uit de voortdurende relatie tussen de ouders. Tijdens de relatie is sprake geweest van huiselijk geweld, zoals blijkt uit de Veilig Thuis rapportages die zijn overgelegd. Gelet hierop is onder andere Team WIJZ betrokken bij het gezin en zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Hierbij is ook gekeken naar de mogelijkheden van de moeder om een eigen woning te vinden, waarbij Veilig Thuis de moeder heeft afgeraden om in een andere regio te gaan wonen gelet op de zorgregeling. Desondanks heeft de moeder een woning in [plaats A] gekocht. Uit de door de vader (in eerste aanleg als productie 1 en 2) overgelegde verslaglegging van Team WIJZ blijkt dat de ouders in november 2023, voorafgaand aan de verhuizing van de moeder naar [plaats A] , hebben afgesproken dat de kinderen doordeweeks bij de vader zouden zijn en in het weekend vooral bij de moeder. Daarnaast ging [minderjarige 1] op dinsdag en donderdag naar de peuterspeelzaal in de omgeving [plaats B] en gingen beide kinderen op vrijdag naar de opvang in de omgeving [plaats B] . Hoewel de weekendregeling in de periode tot de vierde verjaardag van [minderjarige 1] enigszins lijkt te zijn uitgebreid, is voor het hof voldoende komen vast te staan dat het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de kinderen nu circa twee jaar bij de vader ligt en dat de kinderen het merendeel van hun leven hebben doorgebracht in de omgeving van [plaats B] . Inmiddels gaat [minderjarige 1] daar ook al bijna een jaar naar de basisschool en gaat [minderjarige 2] naar de crèche. Zoals de raad ter zitting heeft verklaard is niet gebleken dat er zorgen bestaan over de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader. De zorgen die de moeder heeft, worden niet door de hulpverlening, school of andere instanties onderschreven. Objectieve aanwijzingen dat sprake is van huiselijk geweld door vader richting de kinderen ontbreken.
Op grond van het voorgaande is het hof, met de raad, van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen van de vader (in [plaats B] ) naar de moeder (in [plaats A] ) niet in hun belang is. Het verzoek van de moeder hiertoe zal dus worden afgewezen.
Op dezelfde gronden zal het hof het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats A] te verhuizen afwijzen. Hierbij speelt mede een rol dat de moeder in strijd met het met advies van de hulpverlening naar [plaats A] is verhuisd en dat niet, althans onvoldoende gebleken is dat de moeder niet in de omgeving [plaats B] kon blijven wonen en er dus een noodzaak bestond voor haar om naar [plaats A] te verhuizen. Zoals de raad ook ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard, heeft de moeder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich aan te melden voor veilige opvang en was zij niet bereid (tijdelijk) in de tweede woning van de vader in [plaats E] te verblijven. Daarnaast heeft Team WIJZ aangegeven dat de moeder weinig initiatief heeft genomen voor het zoeken naar een woning in de omgeving [plaats B] . Uit de door de moeder overgelegde stukken (productie 10 en 11) in hoger beroep blijkt dat zij in september 2022 op een aantal woningen in de omgeving [plaats B] heeft gereageerd en dat zij in november 2022 een urgentieaanvraag ingediend, die is afgewezen. Dat de moeder in de periode hierna nog pogingen heeft gedaan een woning in die omgeving te zoeken is niet gebleken. Dat zij alleen in de [plaats A] een starterslening kon krijgen is evenmin gebleken.
Verder neemt het hof nog in aanmerking dat als de hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder in [plaats A] zou worden bepaald of als haar vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen naar [plaats A] zou worden verleend, de door beide partijen gewenste en de raad geadviseerde co-ouderschapsregeling nog steeds niet mogelijk is. De kinderen zouden ook dan nog steeds veel moeten reizen voor de uitvoering van de zorgregeling. Gelet hierop heeft de moeder niet voldoende onderbouwd dat toewijzing van haar verzoeken in het belang van de kinderen is. Daar staat tegenover dat de moeder tijdens de procedure in hoger beroep, zowel in de stukken als tijdens de zitting, meerdere keren heeft verklaard bereid te zijn terug te verhuizen naar de omgeving [plaats B] . In dit kader heeft zij verzocht het huurrecht van de voormalige gezamenlijke huurwoning in [plaats B] aan haar toe te kennen, zodat zij daar met de kinderen kan wonen. Het hof zal dit verzoek afwijzen, omdat daarvoor geen juridische grondslag bestaat. Ondanks dat gaat het hof ervan uit dat de moeder zich zal inspannen een woning in de omgeving [plaats B] te vinden.
Zorgregeling
Wettelijk kader
5.1
Ook ten aanzien van de zorgregeling geldt dat de rechter een beslissing dient te nemen als hem in het belang de kinderen wenselijk voorkomt (artikel 1:253a BW).
Standpunten
- Reguliere zorgregeling
5.11
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte en zorgregeling heeft vastgesteld waarbij de kinderen slechts drie van de vier weekenden bij haar zijn. Volgens haar is voorzetting van de co-ouderschapsregeling het meest in het belang van de kinderen, omdat zij dit gewend zijn. De moeder is bereid in overleg met de vader tot een passende zorgregeling te komen, afgestemd op de schoolgang van [minderjarige 1] en praktische haalbaarheid. De moeder hecht eraan dat de kinderen een gelijkwaardige band met beide ouders kunnen hebben. De moeder voert ook in dit kader aan dat de vader naar [plaats A] zou kunnen verhuizen en dat zij bereid is om naar de regio [plaats B] te verhuizen als haar een passende woonoplossing wordt geboden.
5.12
De vader voert verweer. Hij is van mening dat een co-ouderschapsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is vanwege de grote reisafstand tussen de ouders. De huidige zorgregeling loopt volgens de vader goed. De kinderen zien de moeder weliswaar doordeweeks minder, maar de vader houdt haar op de hoogte van de kinderen en betrekt haar bij hun dagelijkse leven. Zo wordt de moeder, ook op afstand, in staat gesteld volledig aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen en haar ouderrol naar behoren te vervullen. De vader zou ook liever een co-ouderschapsregeling willen, maar dat kan volgens hem alleen als de moeder weer in de regio [plaats B] komt wonen.
- Vakantie-/feestdagenregeling en wisselmoment
5.13
De vader stelt verder dat het wisseltijdstip van de huidige zorgregeling, op vrijdag en op zondag om 18.00 uur, tot problemen leidt vanwege files en de etenstijd van de kinderen. De vader verzoekt het tijdstip op beide dagen te wijzigen naar 17.00 uur, zodat de kinderen op de wisseldagen rustig kunnen eten en hopelijk minder last hebben van files. Daarnaast verzoekt de vader, net als tijdens de procedure bij de rechtbank, een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan, aldus de vader.
5.14
De moeder voert verweer. Zij stelt dat een overdracht op vrijdag om 17.00 uur voor haar niet haalbaar is in verband met haar werk. Daarnaast acht de moeder het in het belang van de kinderen als zij op zondag nog bij haar kunnen eten. Over de verdeling van de vakanties en feestdagen stelt de moeder dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze in onderling overleg moet worden afgestemd, rekening houdend met de omstandigheden van het moment.
Advies raad
5.15
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking op het punt van de zorgregeling te bekrachtigen. Volgens de raad is een co-ouderschapsregeling het meest in het belang van de kinderen, maar is dit nu praktisch niet uitvoerbaar door de grote reisafstand tussen de ouders. Het is niet in het belang van de kinderen om steeds zo lang in de auto te moeten zitten. Voor nu adviseert de raad de moeder om te kijken of zij een regeling met haar werkgever kan treffen, zodat zij op de vrijdagen dat zij de kinderen heeft flexibeler is. Ook in het kader van de zorgregeling is het van belang dat de ouders zich zullen wenden tot de gemeente voor een ouderschapstraject, aldus de raad.
Beoordeling hof
5.16
Het hof is, net als de raad, van oordeel dat een co-ouderschapsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is gelet op de grote afstand tussen [plaats A] en [plaats B] . Het hof zal het verzoek van de moeder tot vaststelling van een co-ouderschapsregeling dan ook afwijzen. Dit geldt eveneens voor haar subsidiaire verzoek een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen substantieel en regelmatig contact behouden met de vader, aangezien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader blijft.
Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
5.17
Ten aanzien van het tijdstip van de wisselmomenten op de vrijdag en de zondag in de omgangsweekenden van de moeder overweegt het hof als volgt. De ouders hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over het wisselmoment op de zondag. Zij hebben afgesproken dat het wisselmoment op zondag voortaan om 19.00 uur zal zijn in plaats van om 18.00 uur. Over het tijdstip van het wisselmoment op de vrijdag zijn de ouders het niet eens geworden. Het hof zal bepalen dat dit voortaan om 17.00 uur zal plaatsvinden in plaats van om 18.00 uur gelet op de reistijd tussen [plaats A] en [plaats B] (mede in verband met files) en de etens- en bedtijd van de kinderen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de moeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat haar werkgever flexibel en meedenkend is als het gaat om de uitvoering van de zorgregeling.
Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het tijdstip van de overdrachtsmomenten op de vrijdag en de zondag in de omgangsweekenden van de moeder vaststellen op respectievelijk 17.00 en 19.00 uur.
5.18
Verder zal het hof - in aanvulling op de bestreden beschikking - de door de vader verzochte vakantie- en feestdagenregeling vaststellen, nu de moeder hiertegen geen inhoudelijke of juridische bezwaren heeft aangevoerd.
Kinderalimentatie
5.19
In de bestreden beschikking is bepaald dat de moeder € 80,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vader moet betalen. De moeder is het hier niet mee eens. Zij stelt dat de hoogte van de kinderalimentatie aangepast moet worden bij wijziging van de zorgregeling.
De moeder verzoekt, naar het hof begrijpt in het geval dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, de kinderalimentatie op nihil te stellen, dan wel vast te stellen dat beide ouders € 25,- per maand aan kinderalimentatie aan elkaar moeten betalen, zodat zij elkaar over en weer niks verschuldigd zijn.
De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij is het eens met de bestreden beschikking op dit punt.
5.2
Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen, aangezien geen sprake is van een wijziging van de zorgregeling. De moeder heeft haar verzoek verder niet onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen gronden om tot een herberekening van de kinderalimentatie over te gaan.
Verzoek voorlopige voorzieningen
5.21
Aangezien het hof in deze beschikking tot een eindbeslissing komt ten aanzien van de geschilpunten tussen partijen, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Het hof wijst dit verzoek daarom af.
5.22
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.354.429/01:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de door de vader te betalen kinderalimentatie betreft en voor zover daarbij in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders is bepaald dat de kinderen steeds drie weekenden achter elkaar van vrijdagavond tot zondagavond bij de moeder verblijven en dan één weekend bij de vader, waarbij geldt dat de kinderen het weekend bij de vader zijn waarin ook [dochter] bij de vader is;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de overdracht zowel op de vrijdagavond als op de zondagavond om 18.00 uur plaatsvindt bij Motel [hotel] te [plaats C] en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de overdracht op de vrijdagavond om 17.00 uur en op de zondagavond om 19.00 uur plaatsvindt bij Motel [hotel] te [plaats C] ;
bepaalt - in aanvulling op de bestreden beschikking - in het kader van de verdeling van de vakanties en feestdagen dat de kinderen bij de moeder verblijven:
- de gehele voorjaars- en herfstvakantie;
- één week in de meivakantie (volgend op het oneven weekend);
- de eerste week van de kerstvakantie;
- in de even jaren week 1-3 en in de oneven jaren week 4-6 van de zomervakantie
(afgestemd op de zorgregeling met [dochter] );
- in de even jaren tijdens het Suikerfeest en in de oneven jaren tijdens het Offerfeest;
- tijdens Pasen, Pinksteren en Hemelvaart,
en dat zij jaarlijks tijdens Vaderdag en de verjaardag van de vader bij de vader verblijven;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.354.429/02:
wijst het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.