In deze zaak, die voor het Gerechtshof Amsterdam is behandeld, gaat het om de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder, verzoekster in principaal hoger beroep, is het niet eens met de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, die de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader heeft bepaald en een zorgregeling heeft vastgesteld. De moeder verzoekt om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en een co-ouderschapsregeling in te voeren, terwijl de vader, die het eens is met de beschikking van de rechtbank, een aanpassing van de zorgregeling wenst. De rechtbank had bepaald dat de kinderen drie weekenden bij de moeder en één weekend bij de vader verblijven, met een kinderalimentatie van € 80,- per kind per maand die de moeder aan de vader moet betalen. De moeder is van mening dat de huidige regeling niet in het belang van de kinderen is en dat zij de hoofdverblijfplaats bij haar moet krijgen, terwijl de vader stelt dat de kinderen goed gedijen in hun huidige situatie. Het hof heeft de zaak behandeld en de verzoeken van de moeder afgewezen, terwijl het verzoek van de vader om aanpassing van de wisselmomenten is toegewezen. De moeder heeft ook verzocht om voorlopige voorzieningen, maar dit verzoek is afgewezen. De beslissing van het hof is op 13 januari 2026 openbaar uitgesproken.