ECLI:NL:GHAMS:2026:41

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.344.469/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling van vaderschap na niet geleverde tegenbewijs

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige, geboren in 2018. De moeder, verzoekster in hoger beroep, had eerder een beschikking van de rechtbank Amsterdam aangevochten. De man, verweerder in hoger beroep, had de mogelijkheid gekregen om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat hij de verwekker van de minderjarige is. Dit tegenbewijs moest voor 4 januari 2026 worden geleverd, maar de man heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het hof heeft in zijn beslissing verwezen naar eerdere tussenbeschikkingen van 3 juni 2025 en 2 december 2025, waarin de man was toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Aangezien de man geen tegenbewijs heeft geleverd, heeft het hof het vaderschap van de man gerechtelijk vastgesteld, zoals door de moeder was verzocht. De beschikking van de rechtbank van 1 mei 2024 is vernietigd voor zover deze aan het oordeel van het hof was onderworpen.

De bijzondere curator, die was aangesteld voor de minderjarige, is ontslagen van haar taak, behalve in het geval dat tegen de beslissing tot vaststelling van het vaderschap beroep in cassatie wordt ingesteld. De uitspraak is openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer en de griffier is opgedragen om een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de minderjarige is geboren.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.344.469/01
zaaknummer rechtbank: C/13/715783 / FA RK 22-1987 (LH/MG)
beschikking van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,
en
[de man] ,
blijkens de BRP Registratie Niet Ingezetenen sedert 8 november 2019 wonende te Bulgarije, op een onbekend adres,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats B ] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
- mr. L. Scheffer, advocaat te Amsterdam, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
Als informant is aangemerkt:
- [naam] , hierna te noemen: de informant.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in hoger beroep

1.1
Het hof handhaaft hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikkingen van 3 juni 2025 en 2 december 2025. Bij de beschikking van 3 juni 2025 is de man toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling dat hij de verwekker is van [minderjarige] en is iedere verdere beslissing aangehouden. De man is tot 7 september 2025 de tijd gegund voor het leveren van tegenbewijs. In de beschikking van 2 december 2025 is nader bepaald dat de man voor het leveren van dit tegenbewijs tot 4 januari 2026 de tijd wordt gegund en is de publicatie in de Staatscourant gelast van die beschikking en van de tussenbeschikking van
3 juni 2025, eveneens onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Daarbij is vermeld dat indien de man van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs geen gebruik maakt, het hof op 13 januari 2026 een eindbeschikking zal geven.
1.2
De hiervoor bedoelde publicatie in de Staatscourant heeft plaatsgevonden op 3 december 2025.
1.3
De man heeft van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling dat hij de verwekker is van [minderjarige] geen gebruik gemaakt.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Omdat de man geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen stelling dat hij de verwekker is van [minderjarige] , zal het hof onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 van de tussenbeschikking van 3 juni 2025 het vaderschap van de man gerechtelijk vaststellen, zoals de moeder heeft verzocht. Dat betekent dat de bestreden beschikking van de rechtbank zal worden vernietigd.
2.2
Met deze uitspraak beschouwt het hof de werkzaamheden van de bijzondere curator als beëindigd, behalve in het geval dat tegen de beslissing tot vaststelling van het vaderschap van de man beroep in cassatie wordt ingesteld.

3.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2024 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
stelt vast het vaderschap van [de man] , geboren te [plaats C] op
[in] 1968, ten aanzien van:
[minderjarige] , geboren te [plaats B ] [in] 2018;
draagt de griffier op, nadat drie maanden na dagtekening van deze beschikking zijn verstreken en daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats B ] ;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak, behalve in het geval dat tegen de beslissing tot vaststelling van het vaderschap beroep in cassatie wordt ingesteld.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.V.T. de Bie en
mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.