ECLI:NL:GHAMS:2026:364

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.357.838/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:256b BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen heeft verleend. De moeder betwist de rechtmatigheid van deze uithuisplaatsing en stelt dat zij zelf in staat is voor haar kinderen te zorgen. De Raad voor de Kinderbescherming handhaaft de noodzaak van de uithuisplaatsing.

De kinderrechter had op 6 mei 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen, met verschillende termijnen voor elk kind. De kinderen zijn later weer bij de moeder teruggeplaatst, waarbij het jongste kind op 23 oktober 2025 terugkeerde. De moeder is van mening dat de uithuisplaatsing onterecht was en verzoekt vernietiging van de beschikking en onmiddellijke terugplaatsing.

Het hof heeft de feiten en het dossier onderzocht, waarbij onder meer de psychische gesteldheid van de moeder, haar behandeling en de betrokkenheid van hulpverleningsinstanties zijn meegewogen. Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was gedurende de opgelegde perioden, gezien de zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

De machtiging voor de periode na de terugplaatsing van het jongste kind is echter niet meer nodig en wordt vernietigd. Het hof bekrachtigt de rest van de beschikking en wijst de overige verzoeken van de moeder af.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van het jongste kind na terugplaatsing wordt vernietigd, de rest van de beschikking wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.838/01
zaaknummer rechtbank: C/13/768028 / JE RK 25-286
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A. Sarioglu te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft verder als belanghebbenden aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te [plaats A] (hierna: de GI);
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
Als informant is aangemerkt:
- de heer [naam 1] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 6 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) onder meer een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 7 mei 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is verleend tot 18 juni 2025 en van [minderjarige 2] tot 7 november 2025. De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij vindt dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten onrechte uit huis zijn geplaatst. De raad is het wel eens met de beslissing.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 6 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de raad van 10 november 2025, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 28 november 2025, met bijlagen.
2.3
De zitting heeft op 8 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Rohingya, S. Ahammed;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager, via een videoverbinding.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft twee kinderen: [minderjarige 1] , geboren [in] 2017 te [plaats B] , en [minderjarige 2] , geboren [in] 2024 te [plaats A] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). De moeder oefent alleen het gezag over de kinderen uit.
3.2
De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Bij beschikking van 7 februari 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 februari 2025 voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft de kinderrechter voor een periode van twee weken een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin. Het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden is voor het overige aangehouden.
3.4
Bij beschikking van 19 februari 2025 heeft de kinderrechter de beschikking van 7 februari 2025 gehandhaafd en het resterende deel van het verzoek van de raad toegewezen. De voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin zijn verleend tot 7 mei 2025.
3.5
Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 6 mei 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 mei 2025 tot 7 mei 2026.
3.6
[minderjarige 1] woont sinds 17 juni 2025 weer bij de moeder en [minderjarige 2] sinds 23 oktober 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, voor zover nu van belang, een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 7 mei 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is verleend tot 18 juni 2025 en van [minderjarige 2] tot 7 november 2025. Het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden is voor wat betreft [minderjarige 1] voor het overige afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair:
  • voor recht te verklaren dat de uithuisplaatsing van de kinderen ten onrechte is geweest en onrechtmatig jegens de moeder en de kinderen;
  • het verzoek van de raad tot het verlengen, althans het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen;
  • de raad te gelasten om de kinderen, voor zover nog niet teruggeplaatst bij de moeder, onmiddellijk, althans binnen uiterlijk drie dagen na deze beschikking, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, weer bij de moeder terug te plaatsen, dit op straffe van een dwangsom van € 1.500,- voor elke dag dat de raad daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
  • de moeder te machtigen om, wanneer tijdige terugplaatsing van de kinderen, althans van [minderjarige 2] door de raad bij haar achterwege blijft, zij de terugplaatsing van de kinderen kan doen realiseren met behulp van de sterke arm.
De moeder verzoekt subsidiair:
  • voor zover het hof de beslissing van de rechtbank tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in stand laat, de raad te gelasten om [minderjarige 2] te plaatsen bij de broer van de moeder, te weten de heer [naam 2] , dit op straffe van een dwangsom van € 1.500,- voor elke dag dat de raad daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-;
  • de moeder te machtigen om, wanneer tijdige plaatsing van de kinderen, althans van [minderjarige 2] door de raad bij de broer van de moeder achterwege blijft, zij de plaatsing van de kinderen bij haar broer kan doen realiseren met behulp van de sterke arm, kosten rechtens,
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
4.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen

5.De motivering van de beslissing

Juridisch kader
5.1
Op grond van artikel 1:265b, lid 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, op verzoek van de raad, de GI machtigen een kind uit huis te plaatsen als dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind.
Hoewel de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend inmiddels is verstreken, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging ten aanzien van de kinderen te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven.
Het hof moet dus beoordelen of de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] gedurende de periode van 7 mei 2025 tot 18 juni 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] gedurende de periode van 7 mei 2025 tot 7 november 2025 noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Standpunten
5.2
De moeder stelt dat de uithuisplaatsing van de kinderen niet noodzakelijk was en voert hiertoe het volgende aan. De moeder was en is in staat om zelf voor de kinderen te zorgen en heeft hun belangen altijd voorop gezet. Zij is een zorgzame betrokken moeder, die erg veel van haar kinderen houdt. De moeder is altijd bereid geweest hulpverlening te accepteren in het belang van de kinderen en van haarzelf. Zij heeft meegewerkt aan intelligentieonderzoek en langdurig traumatherapie gehad. Zij is het ook eens met de ondertoezichtstelling van de kinderen. De beslissing om de kinderen uit huis te plaatsen is genomen op basis van onjuiste feiten en omstandigheden en ondeugdelijk onderzoek.
5.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat de uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was. De situatie van de kinderen ten tijde van de spoeduithuisplaatsing op 7 februari 2025 werd als niet veilig beoordeeld. Vervolgens heeft nader onderzoek plaatsgevonden, hetgeen enige tijd in beslag heeft genomen. Ook moesten de samenwerking met de moeder en de hulpverlening op gang komen. Omdat er meer zorgsignalen waren over [minderjarige 2] dan over [minderjarige 1] , heeft zijn terugplaatsing langer geduurd.
Beoordeling door het hof
5.4
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
De moeder is afkomstig uit Myanmar en is in 2015 naar Nederland gekomen. Zij behoort tot de Rohingya en heeft traumatische gebeurtenissen meegemaakt. In 2017 is zij moeder geworden van [minderjarige 1] . De vader van [minderjarige 1] is niet betrokken. De moeder is al sinds 2020 al in beeld bij de hulpverlening. De GGD heeft destijds een melding bij Veilig Thuis gedaan in verband met zorgen over eenzaamheid, depressieve klachten en suïcidale gedachten bij de moeder. In april 2022 is de moeder door een psychiater van Zorg en maatschappelijke ondersteuning (Zenmo) GGZ gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressie. Zij is daarop gestart met medicatie en traumabehandeling.
In de jaren die volgen blijven zorgen bestaan over de psychische gesteldheid van de moeder en de opvoedsituatie van [minderjarige 1] . Vanuit diverse instanties wordt hulverlening ingezet. Zo wonen de moeder en [minderjarige 1] met begeleiding in een omslagwoning van HVO-Querido en is het Ouder- en Kindteam nauw betrokken. Er bestond vrees dat bij [minderjarige 1] sprake was van parentificatie en dat de moeder onvoldoende (emotioneel) beschikbaar was voor [minderjarige 1] . In het najaar van 2023 heeft de moeder het OKT verteld zich slecht te voelen; ze was zenuwachtig, gespannen, onrustig en moe. [in] 2024 is [minderjarige 2] geboren. De vader van [minderjarige 2] , de heer [naam 1] , was destijds wel in beeld maar inmiddels niet meer. De moeder heeft in juli 2024 bij een bezoek aan JGZ aangegeven dat de zorg voor de kinderen haar zwaar viel. De arts merkte tijdens het bezoek op dat de moeder emotioneel afwezig was en hierdoor niet in staat was [minderjarige 2] te troosten na zijn vaccinaties. Sinds de zomer van 2024 heeft de moeder meerdere keren bij het OKT aangegeven dat zij slecht sliep en nachtmerries had. Daarnaast had de moeder last van bijwerkingen van haar medicatie. De angstklachten van de moeder speelden meer op en het OKT zag dat ook [minderjarige 1] meer angsten liet zien. Eind december 2024 heeft de moeder bij HVO Querido aangegeven dat zij zich in de nacht soms angstig en duizelig voelde en dat zij op een avond met [minderjarige 2] van de trap gevallen is. De moeder is vervolgens met [minderjarige 2] naar de huisartsenpost gegaan, maar heeft daar niet gezegd dat zij van de trap zijn gevallen. Of de moeder daarna vaker met [minderjarige 2] van de trap is gevallen, zoals uit de stukken blijkt maar door de moeder wordt ontkend, is voor het hof niet duidelijk.
Wel is op grond van de hierboven geschetste gang van zaken voor het hof voldoende duidelijk geworden dat de (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen op 7 februari 2025 niet enkel het gevolg was van plotseling ontstane zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen, maar dat deze zorgen al langere tijd aanwezig waren en ondanks de inzet van diverse hulpverlening vanuit verschillende instanties niet werden weggenomen. De zorgen ten tijde van de (spoed)uithuisplaatsing waren met name gelegen in de vraag of de moeder voldoende emotioneel beschikbaar was voor de kinderen en voldoende in staat was om aan te sluiten bij hun opvoedbehoefte. Om deze vraag te kunnen beantwoorden diende meer zicht te komen op het functioneren en de belastbaarheid van de moeder en de interactie tussen de moeder en de kinderen. Ook diende in kaart te worden gebracht wat er nodig zou zijn om de kinderen mogelijk weer bij de moeder te laten wonen en diende hulpverlening van de grond te komen.
Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat dit proces ten tijde van het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing op 6 mei 2025 nog niet was afgerond en de uithuisplaatsing van de kinderen daarom (nog steeds) noodzakelijk was. Er was weliswaar al wel een nieuw intelligentieonderzoek bij de moeder afgenomen, omdat twijfel was ontstaan over het in november 2024 afgenomen onderzoek, maar de noodzakelijk geachte hulpverlening was nog niet van de grond gekomen. Bovendien bestonden ook nog steeds zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Zij heeft pas eind november 2025, nadat de kinderen weer bij haar thuis woonden, een rapport van Zenmo GGZ overgelegd, waaruit bleek dat de behandeling van de moeder in december 2025 zou worden beëindigd omdat geen indicatie voor zorg meer bestond. Ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen was hierover nog onduidelijkheid. Ook bestonden nog zorgen over de interactie tussen de moeder en de kinderen. Om meer zicht te krijgen op deze interactie is gezinshulpverlening 10 voor Toekomst ingezet. Nadat [minderjarige 1] op 17 juni 2025 weer bij de moeder is gaan wonen, zijn de moeder en [minderjarige 1] uitvoerig door 10 voor Toekomst geobserveerd. Daarnaast zijn er twee begeleiders bij het gezin betrokken, die drie tot vier keer per week langskomen. Gebleken is dat dat de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en is gegroeid in haar opvoedvaardigheden. Dit heeft ertoe geleid dat ook [minderjarige 2] , na het volgen van een opbouwschema in de omgang met de moeder, sinds 23 oktober 2025 weer bij de moeder woont. Dat het proces van thuisplaatsing voor [minderjarige 2] langer heeft geduurd dan voor [minderjarige 1] acht het hof begrijpelijk gelet op zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Al met al komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] gedurende de periode van 7 mei 2025 tot 18 juni 2025 en de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] gedurende de periode van 7 mei 2025 tot 23 oktober 2025 noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Uit de door de raad gegeven toelichting is genoegzaam komen vast te staan dat geen, althans onvoldoende - minder ingrijpende - alternatieven bestonden voor de getroffen jeugdbeschermingsmaatregelen.
5.5.
[minderjarige 2] is op 23 oktober 2025 weer bij de moeder teruggeplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode vanaf 23 oktober 2025 tot 7 november was dus niet meer nodig. In zoverre zal de bestreden beschikking worden vernietigd en het inleidende verzoek van de raad worden afgewezen.
5.6
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2025 voor zover daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] is verleend voor de periode vanaf 23 oktober tot 7 november 2025, en wijst, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de raad af voor zover dat betrekking heeft op die periode;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.F. Miedema en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.