De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen heeft verleend. De moeder betwist de rechtmatigheid van deze uithuisplaatsing en stelt dat zij zelf in staat is voor haar kinderen te zorgen. De Raad voor de Kinderbescherming handhaaft de noodzaak van de uithuisplaatsing.
De kinderrechter had op 6 mei 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen, met verschillende termijnen voor elk kind. De kinderen zijn later weer bij de moeder teruggeplaatst, waarbij het jongste kind op 23 oktober 2025 terugkeerde. De moeder is van mening dat de uithuisplaatsing onterecht was en verzoekt vernietiging van de beschikking en onmiddellijke terugplaatsing.
Het hof heeft de feiten en het dossier onderzocht, waarbij onder meer de psychische gesteldheid van de moeder, haar behandeling en de betrokkenheid van hulpverleningsinstanties zijn meegewogen. Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was gedurende de opgelegde perioden, gezien de zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.
De machtiging voor de periode na de terugplaatsing van het jongste kind is echter niet meer nodig en wordt vernietigd. Het hof bekrachtigt de rest van de beschikking en wijst de overige verzoeken van de moeder af.