Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:357

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
200.345.736/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Samenwerking lesmethode beëindigd zonder tekortkoming of onrechtmatigheid

NMI en Zwijsen werkten samen aan een lesmethode voor rekenonderwijs, vastgelegd in een intentieverklaring met een pilotfase. Na de pilot ontstonden onenigheden over de voortgang en kwaliteit, waarna Zwijsen de samenwerking beëindigde. NMI stelde dat Zwijsen tekort was geschoten en onrechtmatig had gehandeld, en vorderde schadevergoeding.

De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van tekortkomingen of onrechtmatig handelen. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof oordeelde dat de samenwerking niet verder ging dan de intentieverklaring en dat er geen concrete afspraken waren over een langdurige samenwerking. De gestelde tekortkomingen waren onvoldoende onderbouwd en pasten binnen de pilotfase waarin aanpassingen mogelijk waren.

Het hof vond dat Zwijsen de samenwerking niet in strijd met de overeenkomst of onrechtmatig had beëindigd, omdat de pilot als mislukt werd beschouwd en partijen gezamenlijk konden afzien van verdere samenwerking. De vorderingen van NMI werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de samenwerking niet in strijd met de overeenkomst of onrechtmatig is beëindigd en wijst de vorderingen van NMI af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.345.736/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/743573 / HA ZA 23-1117
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
NEDERLANDS MATHEMATISCH INSTITUUT B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
appellante,
advocaat: mr. Ch.E. Koster te 's-Gravenhage,
tegen
UITGEVERIJ ZWIJSEN B.V.,
gevestigd te Tilburg,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Kijl te Amsterdam.
Partijen worden hierna NMI en Zwijsen genoemd.

1.De zaak in het kort

Zwijsen en NMI zijn een samenwerking aangegaan voor het ontwikkelen van een lesmethode voor rekenonderwijs op basisscholen. De samenwerking is geëindigd. Volgens NMI is Zwijsen afspraken niet nagekomen en heeft zij onrechtmatig gehandeld, waardoor NMI schade heeft geleden. De rechtbank heeft de vorderingen van NMI afgewezen omdat er onvoldoende is gesteld om tekortkomingen en een onrechtmatige daad te kunnen aannemen. Het hof komt tot dezelfde slotsom, oordeelt dat Zwijsen de samenwerking niet in strijd met de overeenkomst of onrechtmatig heeft beëindigd, en bekrachtigt het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

NMI is bij dagvaarding van 28 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen NMI als eiseres en Zwijsen als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 8 oktober 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 10 december 2024 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens vermeerdering en wijziging van eis, met producties;
- memorie van antwoord.
Op 13 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd, aan de zijde van NMI mede door mr. S.H. van Wijk, advocaat te Den Haag. NMI heeft nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten, met inachtneming van de bezwaren van NMI tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Die bezwaren komen verder bij de beoordeling aan de orde. Het hof merkt in dat verband nog op dat een stelling iets anders is dan een feit.
3.2.
NMI is een instituut voor onderwijs en onderzoek op het gebied van rekenen, wiskunde en taal. NMI is de ontwikkelaar en aanbieder van ‘Foutloos Rekenen’, een cursus voor kinderen op de basisschool om beter te leren rekenen of achterstanden in te halen.
3.3.
Zwijsen is een educatieve uitgever, gespecialiseerd in methodes voor het basisonderwijs. Zwijsen was tot juli 2023 onderdeel van WPG Media.
3.4.
In het voorjaar van 2021 is op initiatief van Zwijsen voor het eerst contact geweest tussen partijen over het idee van het ontwikkelen van een lesmethode gebaseerd op de methodiek ‘Foutloos Rekenen’. In een e-mail van Zwijsen aan NMI van 30 november 2021 staat:
“Zoals beloofd zet ik de grote lijnen over wat we allebei willen op een rijtje. (…)
Wij hebben de intentie om samen het rekenonderwijs in Nederland structureel naar een hoger plan te brengen. Dit willen we doen door elkaars kracht te benutten. Zwijsen maakt lesmateriaal van jullie materiaal, dat doen we in nauw overleg met jullie. (…) [naam 1] en [naam 2] maken in december een afspraak om op de achterkant van een bierviltje te kijken of deze aanpak voor ons beiden commercieel haalbaar is. (…) We hebben de intentie uitgesproken om onze wens tot samenwerking vast te leggen in een intentieverklaring. Het streven is om in 2025 met een volledige methode op de markt te komen. (…)”
Op 7 december 2021 mailt Zwijsen aan NMI:
“Ik stel voor dat wij samen gaan werken aan een idee document voor het ontwikkelen van een rekenmethode 5-8 gebaseerd op jullie filosofie. De tijd die jullie als bedrijf in dit document steken kan ik betalen. We moeten het eens worden over het aantal uren wat je erin steekt en het tarief van uren.
Vervolgens gaan we een concept maken en uitwerken en testen op een aantal scholen (…). Dat geeft ons inzicht in hoe de verschillende scholen daar op reageren en wat onze uiteindelijke propositie kan zijn. Die tijd kan ik ook betalen.
Vervolgens maken we een uitgeefplan en gaan we fors investeren in de methode en bepalen we wanneer we op de markt willen komen. Dan kunnen we een contract aangaan op honorarium basis. (…)”
3.5.
Partijen hebben enige tijd verder gecorrespondeerd over een mogelijke samenwerking om samen een lesmethode te ontwikkelen, waarbij Zwijsen ook enkele omzetprognoses heeft toegestuurd.
3.6.
Op 11 mei 2022 hebben partijen een intentieverklaring getekend. Hierin is afgesproken:
“(…)
IN AANMERKING NEMENDE DAT
(…)
e. Partijen voornemens zijn om gezamenlijk een rekenmethode op de markt te brengen voor de groepen 5 tot en met 8 in het primair onderwijs in Nederland en mogelijk Vlaanderen, hierna “de Rekenmethode”;
f. Partijen de condities met betrekking tot de samenwerking bestuderen en wensen vast te leggen in deze intentieverklaring.
De intentie
Partijen hebben de intentie om gezamenlijk een Rekenmethode te ontwikkelen en op de markt te brengen voor de groepen 5 tot en met 8 in het primair onderwijs in Nederland. (…) De uitgangspunten van de methodiek van “Foutloos Rekenen” zijn ook de uitgangspunten van de nieuw te ontwikkelen Rekenmethode.
(…)
Pilot
Voordat Partijen een samenwerkingscontract opstellen voeren Partijen eerst een gezamenlijke pilot uit. Dit met als doel definitief zicht te krijgen op de leerlijnen, het organisatiemodel en om inzicht te krijgen in de waardering van scholen.
(…)
Op basis van de pilot kunnen Partijen zaken bijstellen.
(…)
Na de pilot wordt besloten over de voortgang van de Rekenmethode.
Als de markt, het NMI en Zwijsen voldoende vertrouwen hebben in de propositie en de uitwerking van de Rekenmethode is dat reden om over te gaan tot het opstellen van een uitgeefplan en de investeringsaanvraag bij WPG Uitgevers, waarvan Zwijsen onderdeel is.
Vooralsnog staat de pilot gepland voor september 2022, zodat Partijen uiterlijk in december 2022 een definitief besluit kunnen nemen over de voortgang van de Rekenmethode.
Zodra het uitgeefplan gerealiseerd is en de financiering rond zal een samenwerkingscontract worden opgesteld tussen Partijen.
(…)
Deze intentieverklaring vangt aan op het moment van ondertekening van deze intentieverklaring en eindigt op het moment van ondertekening van het samenwerkingscontract aangaande de ontwikkeling van de Rekenmethode óf op het moment dat Partijen gezamenlijk afzien van verdere samenwerking door bij voorbeeld een tegenvallende pilot of het niet rondkomen van de financiering.
(…)”
3.7.
In de periode na het tekenen van de intentieverklaring hebben partijen verder gewerkt aan de samenwerking. Onderdeel van de samenwerking was, zoals ook is overeengekomen in de intentieverklaring, het draaien van een pilot van de lesmethode op (pilot)scholen.
3.8.
Op 30 maart 2023 heeft Zwijsen aangekondigd bij NMI dat Zwijsen zou worden overgenomen door [naam 3] und Information GmbH (hierna: [naam 3] ), een grote Duitse uitgeverij.
3.9.
Begin mei 2023 hebben partijen een gesprek gehad over het verloop van de samenwerking en deadlines die moesten worden gehaald. Aanleiding was ook de komst van een nieuwe uitgeefmanager bij Zwijsen en de onvrede die bestond bij NMI vanwege de overname door [naam 3] . Partijen hebben uitgesproken nog samen verder te willen gaan.
3.10.
Op 29 juni 2023 heeft NMI Zwijsen laten weten een adempauze van een week in te lassen om zaken op een rij te zetten. NMI was ontevreden over deadlines die Zwijsen niet zou nakomen en gebrekkige en/of moeizame evaluaties.
3.11.
Hierna heeft NMI op 6 juli 2023 een ingebrekestelling naar Zwijsen gestuurd. De brief bevat een lijst met 13 “inhoudelijke gebreken” en 14 “projectmatige gebreken”. De brief bevat ook de volgende passage:
“(…) We zouden na de pilot, waarvan Zwijsen de kosten zou dragen, ook beslissen over de voortgang, mits er voldoende vertrouwen zou zijn. Ik denk dat het niet gek is vast te stellen dat voorzover de pilot heeft plaatsgevonden, die geenszins voldoet aan de verwachtingen en dus zeer tegenvalt. Wat een directe grond oplevert om de samenwerking te staken en beëindigen, zoals we beiden weten en hebben afgesproken.
Alhoewel wij er een hard hoofd in hebben dat Zwijsen de gebreken kan herstellen, voor zover er niet al sprake is van verzuim, willen we jullie wel de formele kans geven om bij te sturen en bij te draaien en alle hiervoor genoemde gebreken zo spoedig mogelijk te herstellen (…).”
3.12.
Op 24 juli 2023 heeft Zwijsen bij brief gereageerd. Hierin heeft zij – samengevat – aangegeven dat de pilot ook volgens haar mislukt is en beide partijen ontevreden zijn over de samenwerking en dat zij daarom, conform de intentieverklaring, de samenwerking beëindigt.
3.13.
Op 31 augustus 2023 heeft NMI op de beëindigingsbrief van Zwijsen gereageerd. NMI schrijft daarin onder meer:
“Formeel gezien hebben jullie de gebreken niet hersteld en willen jullie die ook niet herstellen. Sterker nog: jullie bevestigen dat de samenwerking beëindigd wordt omdat de pilot is mislukt.
Selffulfilling prophecyten top, iets anders is het niet. Daarmee zijn jullie in verzuim en zijn wij gerechtigd (voorzover nog vereist door jullie beëindiging) de overeenkomst te ontbinden en schadevergoeding te vorderen. Dat doen we beiden hierbij, voor zover nodig voorwaardelijk (ontbinding). Ook behouden we ons alle rechten voor om meer of anders te stellen. Voor nu gaan we uit van een beëindiging, al is het maar omdat we meenden dat jullie orde op zaken zouden stellen, maar klakkeloos aangeven niet meer mee te doen.”

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft NMI bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis voor recht te verklaren dat Zwijsen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsafspraken en dat Zwijsen onrechtmatig heeft gehandeld, en verder dat NMI de intentieverklaring rechtsgeldig heeft ontbonden voor zover nodig, een en ander met vergoeding van de door NMI geleden schade, nader op te maken bij staat, en om Zwijsen te verbieden gebruik te maken van materialen, kennis, know how en informatie aangaande ‘Foutloos Rekenen’, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Zwijsen in de proceskosten. Zwijsen heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van NMI in de proceskosten.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van NMI afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de intentieverklaring dat partijen eerst een pilot zouden uitvoeren en daarna zouden beslissen over verdere samenwerking. Dat Zwijsen de verplichtingen had waarop NMI haar in de ingebrekestelling aanspreekt is onvoldoende aangetoond. NMI heeft ook onvoldoende gesteld dat Zwijsen verplicht was een nadere samenwerkingsovereenkomst te sluiten. Er is geen sprake van een tekortkoming van Zwijsen, en de samenwerking tussen partijen is geëindigd. Van een onrechtmatige daad van Zwijsen is ook geen sprake. NMI heeft onder meer niet duidelijk gemaakt welke zorgvuldigheidsnorm Zwijsen heeft geschonden. Bij de verbodsvordering heeft NMI geen belang, omdat Zwijsen heeft bevestigd dat er geen rechten van NMI zullen worden gebruikt zonder toestemming van NMI en dat alle werken van NMI, die door NMI zijn vervaardigd of aangeleverd, zijn verwijderd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
NMI heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij vordert vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof voor recht verklaart dat Zwijsen tekort is geschoten in de nakoming van de samenwerkingsafspraken, dat Zwijsen de intentieverklaring en samenwerking in strijd met de overeenkomst en onrechtmatig heeft opgezegd, dat Zwijsen onrechtmatig heeft gehandeld door zich als onzorgvuldig samenwerkingspartner te gedragen, en dat Zwijsen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar heeft gehandeld door de onderhandelingen af te breken, telkens met vergoeding van de schade van NMI, nader op te maken bij staat, en met veroordeling van Zwijsen in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
Volgens Zwijsen moet het hof de eiswijziging buiten beschouwing laten, de vorderingen van NMI afwijzen, en het bestreden vonnis bekrachtigen, met veroordeling van NMI in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

6.1
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt, en zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen afwijzen. Dat wordt hierna uitgelegd. Daarbij komt per onderwerp aan de orde wat in (de toelichting op) de grieven is aangevoerd.
Eiswijziging NMI toegestaan
6.2
Zwijsen voert aan dat de eiswijziging van NMI buiten beschouwing moet worden gelaten omdat deze in strijd is met de devolutieve werking van het hoger beroep en de goede procesorde. Het hof volgt dit niet. De eiswijziging is gedaan bij memorie van grieven en dus tijdig, en gaat de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep niet te buiten.
Inhoud samenwerking partijen
6.3.
NMI legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de samenwerking tussen partijen veel méér omvatte dan alleen de inhoud van de intentieverklaring van 11 mei 2022. Volgens haar blijkt uit de correspondentie en gedragingen van partijen zowel voorafgaand als na het tekenen van de intentieverklaring dat er een gegarandeerde samenwerking voor tien jaar was beklonken, waar voor NMI een miljoenenomzet mee was gemoeid. Het hof volgt dit niet. Anders dan NMI stelt, volgt de gestelde overeengekomen samenwerking nergens concreet uit. Partijen hebben integendeel, in lijn met de e-mail van Zwijsen aan NMI van 30 november 2021 (3.4 hierboven), over intenties gesproken en eerst willen bekijken of de beoogde samenwerking voor beide partijen commercieel haalbaar zou zijn. In dat kader heeft Zwijsen omzetprognoses gemaakt, die duidelijk zijn gebaseerd op de aanname dat de te ontwikkelen rekenmethode een bepaald marktaandeel in Nederland zou gaan veroveren en gedurende tien jaar in gebruik zou zijn, om de investeringen terug te kunnen verdienen. Dat was dus het hypothetische scenario in het geval de samenwerking tot het succesvol op de markt brengen van de rekenmethode zou leiden, en betekent niet dat de voorgenomen samenwerking deze inhoud al had. Dat laatste kon NMI redelijkerwijs ook niet verwachten, temeer omdat (i) Zwijsen uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat het volgens haar ging om het bekijken van mogelijke financiële scenario’s “op de achterkant van een bierviltje” en (ii) in de intentieverklaring staat dat partijen eerst een gezamenlijke pilot uitvoeren voordat wordt besloten over de voortgang van de rekenmethode en een samenwerkingscontract wordt opgesteld. Dat er concrete afspraken zijn gemaakt over de vergoeding gedurende het ontwikkeltraject en royalty’s voor NMI wijst in het licht van het voorgaande ook niet op een al beklonken verdergaande samenwerking dan volgt uit de intentieverklaring.
6.4
De verdere elementen van samenwerking waar NMI op wijst – zoals bezoeken aan scholen, het opzetten van projectteams met toegang tot elkaars virtuele omgeving, het vergaderen en uitwisselen van ideeën, kennis en informatie, het ontwikkelen van demo-/proefleermiddelen voor de nieuwe methode – passen allemaal bij de stappen in de e-mail van Zwijsen van 7 december 2021 (3.4 hierboven) en de afspraak in de intentieverklaring dat er eerst een pilot op scholen gehouden zou worden voordat partijen een samenwerkingscontract opstellen. Het doel daarvan is definitief zicht te krijgen op de leerlijnen, het organisatiemodel en om inzicht te krijgen in de waardering van scholen, waarna wordt besloten over de voortgang van de rekenmethode, zo volgt uit de intentieverklaring. Er is dus een duidelijk beslismoment na de pilot ingebouwd, waarna – in geval van voortgang – nog een afzonderlijk samenwerkingscontract opgesteld moest worden. Daarmee valt niet te rijmen dat er al een samenwerking voor tien jaar zou zijn overeengekomen om de rekenmethode op de markt te brengen, noch dat de vastlegging van verdere samenwerking slechts zou neerkomen op een ‘formaliteit’. Het hof is van oordeel dat NMI onvoldoende heeft onderbouwd dat uit de bedoeling van partijen, gelet op hun gedragingen en verklaringen, voor en na het ondertekenen van de intentieverklaring, meer concrete afspraken blijken dan uit de inhoud van de intentieverklaring.
6.5
Overigens is in de intentieverklaring opgenomen dat deze een “volledige weergave” is van de afspraken tussen partijen zoals die bestaan op het moment van ondertekening, en alleen met schriftelijke overeenstemming van partijen kan worden gewijzigd. NMI heeft aangevoerd dat hier niet over is onderhandeld en niet uitsluitend op de tekst van de intentieverklaring mag worden afgegaan, maar dat ontslaat NMI niet van haar stelplicht omtrent (de inhoud van) de volgens haar overeengekomen verdergaande samenwerking dan in de intentieverklaring is neergelegd. Dat geldt evenzeer als de stelling van NMI zou kloppen dat de intentieverklaring, bij gebrek aan een passende
template, niet op maat is gemaakt voor deze samenwerking.
6.6
Ook de correspondentie en de gedragingen van partijen na de totstandkoming van de intentieverklaring wijzen niet op een overeengekomen verdergaande samenwerking. De pilot is uitgevoerd. Partijen hebben hun intentie om samen te blijven werken uitgesproken, maar duidelijk is – zoals ter zitting bij het hof bevestigd – dat er tussen hen verschil van inzicht bestond over de waardering van de resultaten van de pilot en over de verdere aanpak. Een reeds beklonken verdergaande samenwerking blijkt daar niet uit. De e-mailcorrespondentie duidt daar ook niet op. Zo schrijft Zwijsen op 3 mei 2023 dat zij graag met NMI een aantal gesprekken wil inplannen “om van de intentieverklaring tot meer formele afspraken voor onze samenwerking te komen”, waarna NMI bij e-mail van 11 mei 2023 vraagt of het Zwijsen zou lukken om een “concept samenwerkingsovereenkomst” toe te sturen om te bekijken “of en hoe” partijen de samenwerking verder zouden invullen. Dat past evenmin bij de stelling dat NMI al uitging van een gegarandeerde samenwerking voor tien jaar, anders dan zij in deze procedure betoogt. NMI wijst er nog op dat bij e-mail van 12 mei 2023 door Zwijsen is bevestigd dat op 3 juli 2023 een definitieve bespreking van het uitgeefplan stond gepland in haar MT. Ook het realiseren van het uitgeefplan is echter terug te voeren tot de intentieverklaring, en het definitief maken ervan is daarin afhankelijk gesteld van het besluit over de vraag of de markt, NMI en Zwijsen voldoende vertrouwen hebben in de propositie en de uitwerking van de rekenmethode. Met Zwijsen is het hof verder van oordeel dat de opgestelde ‘Conceptmonitor’ van de lesmethode geen vastlegging van (afdwingbare) afspraken vormt, maar een werkdocument is om te bezien op welke punten de projectgroepen van beide partijen elkaar al dan niet kunnen vinden of nader tot elkaar kunnen komen.
6.7
Gelet op al het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de samenwerking tussen partijen niet verder is gegaan dan de samenwerking zoals overeengekomen in de intentieverklaring.
Geen tekortkoming Zwijsen
6.8
Voornoemde inhoud van de samenwerking tussen partijen heeft een directe weerslag op de door NMI gestelde tekortkomingen van Zwijsen. Uit de intentieverklaring en overigens ook de correspondentie van partijen is duidelijk dat na de pilot een besluit genomen zou moeten worden over het vervolg van de samenwerking. Meer dan een inspanningsverbintenis om na de pilot gezamenlijk te bezien of de samenwerking zal worden voortgezet valt daar niet uit af te leiden. Partijen hebben dat ook gedaan, al is het niet tot een gezamenlijke evaluatie van de pilot gekomen. De communicatie verliep stroef, maar ook dat betekent niet dat Zwijsen zich onvoldoende heeft ingespannen. NMI heeft op 29 juni 2023 een adempauze van een week ingelast, gevolgd door de ingebrekestelling van 6 juli 2023. Daarin verwijt NMI Zwijsen een groot aantal zowel inhoudelijke als organisatorische tekortkomingen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de gestelde tekortkomingen niet zijn terug te voeren op een afwijking door Zwijsen van met NMI overeengekomen uitgangspunten en andere afspraken. Dat legt het hof hierna uit.
6.9
NMI wijst er wat betreft de inhoudelijke gebreken op dat in de intentieverklaring staat dat de uitgangspunten van de methodiek van ‘Foutloos Rekenen’ ook de uitgangspunten zijn van de nieuw te ontwikkelen rekenmethode. Volgens NMI heeft Zwijsen die uitgangspunten gaandeweg verlaten, en zijn de inhoudelijke gebreken daar stuk voor stuk op terug te voeren. Voornamelijk gaat het NMI er om dat Zwijsen een werkboek wilde ontwikkelen voor de methode, een vaste jaarplanning voor scholen met ‘parkeerweken’ voorstelde, en voorstander was van een aparte automatiseringslijn voor leerlingen. Daarmee zou Zwijsen de samenwerking eenzijdig saboteren, zoals volgens NMI ook blijkt uit de ‘Conceptmonitor’ van de lesmethode waarin gaandeweg meer punten ‘rood’ kleurden ten teken dat partijen uit elkaar lagen, terwijl een lopende samenwerking impliceert dat partijen juist dichter bij elkaar moeten komen.
6.1
Het hof volgt het standpunt van NMI niet. Om te beginnen blijkt nergens – concreet – uit dat partijen als uitgangspunten ‘geen werkboek, geen vaste jaarplanning en geen aparte automatiseringslijn’ zijn overeengekomen. Dit zijn aspecten die niet vastlagen en in de pilot aan de orde konden komen. Dat Zwijsen voorstellen aan NMI heeft gedaan op basis van haar waardering van de uitkomsten van de pilot stond haar vrij, ook voor zover daarbij eventueel werd afgeweken van elementen die als uitgangspunten van ‘Foutloos Rekenen’ konden worden beschouwd. Van belang is immers dat beide partijen én de markt voldoende vertrouwen zouden hebben in de propositie en de uitwerking van de rekenmethode, zoals volgt uit de intentieverklaring. Daarin is overigens ook vermeld dat partijen zaken op basis van de pilot kunnen bijstellen. Inzichten over de methode waren dus niet in beton gegoten. De verwijten van NMI dat Zwijsen de uitkomsten van de pilot met suggestieve opmerkingen heeft gemanipuleerd, en de samenwerking eenzijdig heeft gesaboteerd, en vanwege de overname door [naam 3] vanuit een commercieel motief ineens op een werkboek aanstuurde, zijn – mede in het licht van de betwisting door Zwijsen – niet voldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat er te weinig scholen aan de pilot hebben meegedaan. Als het aantal voor NMI daadwerkelijk belangrijk was, had van haar mogen worden verwacht dat zij dat tegenover Zwijsen duidelijker naar voren had gebracht. NMI heeft in deze procedure ook niet duidelijk gemaakt waarom een (nog) groter aantal scholen tot andere uitkomsten van de pilot zou hebben geleid. Zwijsen heeft overigens genoegzaam onderbouwd dat er betrokkenheid van in totaal 30 scholen was – de intentieverklaring spreekt over “minimaal 25 scholen”. Voor zover NMI bedoelt dat het demo-/oefenmateriaal voor de pilot niet steeds aansloot bij de uitgangspunten van ‘Foutloos Rekenen’ kan zij dat Zwijsen niet achteraf tegenwerpen, aangezien NMI nauw betrokken was bij de ontwikkeling van dat materiaal.
6.11
Met de in de ingebrekestelling opgenomen organisatorische gebreken gaat het hof ook niet mee. NMI drong bij Zwijsen aan op het opstellen van een uitgeefplan, maar een definitief besluit over de voortgang en daarmee over het uitgeefplan kon pas worden genomen na de evaluatie van de pilot. Daar stokte het. Het mag zo zijn dat NMI in verband met de overname van Zwijsen door [naam 3] graag spoedig zekerheid wilde over de verdere samenwerking, maar dat Zwijsen bepaalde ‘deadlines’ heeft gemist, of niet goed voorbereid naar afspraken kwam, blijkt niet voldoende concreet. NMI heeft nog gesteld dat er meer tekortkomingen zouden zijn dan uit haar ingebrekestelling blijkt, maar welke dat zijn is evenmin voldoende concreet toegelicht.
Geen onrechtmatige daad Zwijsen
6.12
NMI verwijt Zwijsen onrechtmatig handelen op de grond dat zij zich niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam (‘zorgvuldig’) samenwerkingspartner heeft opgesteld, maar onvoldoende overleg heeft gepleegd en alleen haar eigen belang heeft gediend. Dat verwijt rust echter op dezelfde stellingen als de vermeende tekortkomingen van Zwijsen – die er niet zijn – zodat het hof hier niet in meegaat. Er is ook niet gebleken van bijkomende omstandigheden die een onrechtmatige daad zouden kunnen opleveren. NMI voert aan dat zij onder de kostprijs heeft gewerkt, maar de afspraak over de vergoeding is neergelegd in de intentieverklaring. Niet in geschil is dat Zwijsen die vergoeding heeft betaald. Ook als NMI met een lage vergoeding genoegen nam omdat zij hoge verwachtingen had van toekomstige omzetten, is niet voldoende onderbouwd dat dit onrechtmatig handelen van Zwijsen oplevert. NMI stelt verder dat zij op instigatie van Zwijsen het contact met een concurrent van Zwijsen (Malmberg) over een vergelijkbare lesmethode heeft afgehouden, maar ook dat is in lijn met de voorwaarden uit de intentieverklaring – en was in gezamenlijk overleg, zoals volgt uit de e-mail van NMI aan Zwijsen van 20 januari 2023.
6.13
De aanname van NMI dat Zwijsen bedoeld heeft NMI schade toe te brengen of is gaan draaien in juni 2023 om de samenwerking te traineren of te torpederen is ook in hoger beroep niet voldoende feitelijk uit de verf gekomen. Ter zitting bij het hof heeft NMI nog aangevoerd dat Zwijsen in de loop van 2026 een eigen rekenmethode op de markt wil brengen onder de naam ‘Voortgezet rekenen met Nano’ die heel sterk lijkt op de uitgangspunten van de methode waar partijen aan hebben gewerkt, en waarbij volgens NMI gebruik is gemaakt van informatie en kennis van NMI. Zwijsen heeft dat laatste echter gemotiveerd bestreden. NMI heeft hier onvoldoende tegenovergesteld. Zo hanteert de methode van Zwijsen juist wél een werkboek, iets wat volgens NMI niet bij de methodiek van ‘Foutloos Rekenen’ past. Uit het feit dat Zwijsen voornemens is genoemde rekenmethode op de markt te brengen, kan in elk geval niet zonder meer worden afgeleid dat zij de samenwerking met NMI heeft getraineerd of getorpedeerd.
6.14
Er is al met al onvoldoende gesteld voor het oordeel dat Zwijsen een zorgvuldigheidsnorm jegens NMI heeft geschonden, zodat het hof met de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een onrechtmatige daad van Zwijsen. Aan het partijdebat over relativiteit, toerekenbaarheid en causaal verband komt het hof bij deze stand van zaken niet toe.
Beëindiging samenwerking niet in strijd met de overeenkomst noch onrechtmatig
6.15
Dan resteert de vraag of Zwijsen de samenwerking niet heeft mogen beëindigen zoals zij heeft gedaan bij brief van 24 juli 2023. Volgens NMI heeft Zwijsen ten onrechte niet de beëindigingsregeling van de intentieverklaring gevolgd, althans is opzegging dan wel het afbreken van de onderhandelingen over verdere samenwerking zonder een (schade)vergoeding aan te bieden onrechtmatig en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het gaat NMI, naar het hof begrijpt uit de vorderingen, niet om herstel van de samenwerking, maar om vergoeding van haar schade.
6.16
Het hof is van oordeel dat uitleg conform de Haviltex-maatstaf van de beëindigingregeling uit de intentieverklaring meebrengt dat Zwijsen de samenwerking niet in strijd met de overeenkomst noch onrechtmatig heeft beëindigd. Dit oordeel rust op de volgende omstandigheden. Partijen hebben de pilot uitgevoerd waarna, in overeenstemming met de intentieverklaring, het besluit voorlag om al dan niet over te gaan tot verdere samenwerking. Ook als juist is dat Zwijsen aanvankelijk positief was over de (uitkomsten van de) pilot, zoals NMI stelt, veranderde dat in wantrouwen jegens elkaar. De voortgang stokte en de spanningen namen toe. NMI lastte een adempauze in. Toen Zwijsen op 6 juli 2023 de ingebrekestelling van NMI ontving, was duidelijk dat NMI vond dat de pilot “geenszins voldoet aan de verwachtingen en dus zeer tegenvalt.” Zij gaf aan dat dit “een directe grond oplevert om de samenwerking te staken en te beëindigen, zoals we beiden weten en hebben afgesproken.” Deze verklaring van NMI sluit duidelijk aan bij de tekst van de beëindigingsregeling uit de intentieverklaring, dat partijen gezamenlijk kunnen afzien van verdere samenwerking “door bij voorbeeld een tegenvallende pilot”. Weliswaar bood NMI Zwijsen “voor zover er niet al sprake is van verzuim” nog “de formele kans” om bij te sturen en bij te draaien en alle genoemde gebreken zo spoedig mogelijk te herstellen, maar Zwijsen mocht uit de tekst van de ingebrekestelling redelijkerwijs de conclusie trekken dat de pilot was mislukt en dat het over en weer ontbrak aan voldoende vertrouwen om verder te gaan. Dat geldt temeer omdat NMI Zwijsen ten onrechte verwijten maakte, zoals hiervoor is overwogen. Daarop volgde de brief van 24 juli 2023 van Zwijsen. Deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met de beëindigingsregeling dat de samenwerking eindigt op het moment dat partijen gezamenlijk afzien van verdere samenwerking door een tegenvallende pilot. Van Zwijsen kon in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij eerst nog een gezamenlijk besluit tot beëindiging zou voorstellen, anders dan NMI meent. Dat ligt ook verder in de rede; als, bijvoorbeeld, de financiering niet zou zijn rondgekomen was dat eveneens een grond voor het “gezamenlijk” afzien van verdere samenwerking volgens de intentieverklaring.
6.17
Het hof ziet op grond van het voorgaande (ook) niet in waarom de beëindiging in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of waarom Zwijsen had moeten onderhandelen over verdere samenwerking. Een verplichting tot het sluiten van een nadere overeenkomst was er in de gegeven omstandigheden niet. In de intentieverklaring was het opstellen van een samenwerkingscontract afhankelijk gesteld van een besluit tot verdere samenwerking na de pilot, en dat is er niet van gekomen. Daar komt nog bij dat NMI, in reactie op de beëindigingsbrief van Zwijsen, bij brief van 31 augustus 2023 de intentieverklaring (voorwaardelijk) heeft ontbonden en Zwijsen aansprakelijk heeft gesteld voor de door haar geleden schade. NMI heeft op geen enkel moment aangestuurd op het alsnog vlot trekken van de beëindigde samenwerking.
6.18
Ook als het afbreken van onderhandelingen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan de ene partij verplicht is (een deel van) de kosten te vergoeden die de andere partij heeft gemaakt. Hetgeen in deze zaak is aangevoerd, is daartoe echter onvoldoende. Dat geldt ook voor de stelling van NMI dat zij anderhalf jaar lang in de samenwerking heeft geïnvesteerd, tegen een volgens haar (te) laag uurtarief.
6.19
Het hof komt tot een afronding. Gelet op de inhoud van de intentieverklaring en het ontbreken van een tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen aan de zijde van Zwijsen en al hetgeen hiervoor verder is overwogen, zijn de vorderingen van NMI niet toewijsbaar.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.20.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat partijen geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. NMI wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat
€ 3.870,-(tarief II, 3 punten)
Totaal € 4.668,-

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt NMI in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.668,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt NMI tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, M.M. Korsten-Krijnen en G.R. den Dekker en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.