Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:356

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
23-001507-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereiden invoer grote handelshoeveelheid cocaïne en wapenbezit

In deze zaak stond verdachte terecht voor het bezit van een vuurwapen en munitie (zaak A) en het voorbereiden en bevorderen van de invoer van grote handelshoeveelheden cocaïne via bloemen en bananen (zaak B). Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en kwam tot een andere bewezenverklaring op basis van uitgebreid bewijsmateriaal, waaronder afgeluisterde telefoongesprekken, chatberichten via versleutelde diensten, getuigenverklaringen en observaties.

Het onderzoek toonde aan dat verdachte samen met medeverdachte voorbereidingshandelingen verrichtte om cocaïne via legale zendingen bloemen en bananen uit Ecuador Nederland binnen te brengen. Verdachte gebruikte zijn bedrijven als dekmantel en voerde versluierde communicatie over de drugstransporten. Ondanks ontkenningen van verdachte concludeerde het hof dat hij opzettelijk handelde en een cruciale rol vervulde als tussenpersoon.

De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 4,5 jaar gevangenisstraf, maar het hof stelde een straf van 5 jaar passend gelet op de ernst, omvang en ondermijnende aard van de feiten. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg werd de straf verminderd tot 4 jaar en 6 maanden. Daarnaast werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en werd een in beslag genomen telefoon verbeurd verklaard.

Het hof oordeelde dat de procedure eerlijk was verlopen, ook met betrekking tot het gebruik van verklaringen van een overleden getuige. De combinatie van drugshandel en wapenbezit werd als zeer zorgelijk beschouwd. Verdachte toonde geen verantwoordelijkheid en ontkende de feiten, wat het hof zorgelijk vond. De straf is onvoorwaardelijk en zal volledig in detentie worden uitgevoerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor voorbereiden invoer cocaïne en wapenbezit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001507-24
datum uitspraak: 13 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-271824-20 (zaak A) en 15-026612-22 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
adres: [adres 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 januari 2026 en 13 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
In zaak A:
hij op of omstreeks 26 mei 2021 te Leiden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk M57, kaliber 7.62 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of een hoeveelheid (49 stuks) (scherpe) munitie (kaliber 7.62 mm) van categorie III voorhanden heeft gehad;
In zaak B (zaakdossiers C02 en C03):
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 05 september 2020 tot en met 02 oktober 2021 te Aalsmeer en/of te Amsterdam en/of te Leiden of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een ander of anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of
- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en), immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:
Bloemen
- telefoongesprekken gevoerd en/of (via telecommunicatie en/of fysiek) overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt en/of berichten verstuurd en/of ontvangen in al dan niet versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren en/of vervoeren van (een) grote (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen, al dan niet met bloemen als deklading en/of bloemen als bijplaatsing en/of
- afspraken gemaakt over de hoeveelheid te versturen bloemen als testzending en/of als deklading en/of als bijplaatsing en/of
- voornoemde bloemen besteld, gekocht en/of betaald en/of
- informatie gegeven over de (beste) plaats om voornoemde middelen te verstoppen en/of
- informatie over voornoemde bloemen en/of verdovende middelen gedeeld via versleutelde berichten en/of apparaten en/of
- een afhandelaar van bloemenzendingen ( [bedrijfsnaam 3] ) heeft bezocht en/of
- telefoons voorhanden gehad, waaronder een telefoon met de applicatie SKY ECC en/of
Bananen
- telefoongesprekken gevoerd in al dan niet versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren en vervoeren van (een) grote (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of
- berichten (via Threema) en/of mailberichten verstuurd en ontvangen en/of telefoongesprekken gevoerd met betrekking tot het invoeren en vervoeren van deze grote (handels)hoeveelheid(en) verdovende middelen en/of bananen als deklading en/of bananen als testlading en/of
- afspraken gemaakt over de hoeveelheid te versturen bananen als testzending(en) en/of als deklading en/of - voornoemde bananen besteld, gekocht en/of betaald en/of verkocht en/of
- een loods gehuurd als (tijdelijke) opslag voor de bananen en/of
- een of meer telefoons voorhanden gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien van zaak B

Het hof komt tot bewezenverklaring van de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen. Voor wat betreft zaak B overweegt het hof daarnaast het volgende.
Inleiding zaak B
Op 8 oktober 2019 is het onderzoek 27Sargood gestart. Een deel van dat onderzoek, Sargood I, heeft zich gericht tegen onder meer de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Zij werden verdacht van (de voorbereidingshandelingen tot) de invoer van verdovende middelen binnen Nederland via ladingen met bloemen uit Ecuador (zaaksdossier C02). De verdachte wordt daarnaast verdacht van het treffen van voorbereidingen voor de invoer van verdovende middelen via ladingen met bananen uit Ecuador (zaaksdossier C03).
De verdachte was vanaf 1 september 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van een bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 1] De naam van het bedrijf is op 8 september 2020 gewijzigd in [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). Dit bedrijf hield zich onder meer bezig met de import van bloemen en later ook van bananen.
[medeverdachte] was in de tenlastegelegde periode enig aandeelhouder en bestuurder van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), een bedrijf dat zich eveneens bezighield met het importeren van bloemen.
De politie heeft onder meer de telefoon van de verdachte getapt, waarbij hij gesprekken heeft gevoerd met [medeverdachte] , zijn toenmalige partner [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en zijn ex-vrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] )
.Daarnaast is onder anderen [naam 1] als getuige gehoord. Ook is bij [medeverdachte] een telefoon aangetroffen met daarop de versleutelde berichtendienst SkyECC en hebben er observaties plaatsgevonden.
Zaak C02 (bloemen)
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, zoals hieronder nader weergegeven. Het hof oordeelt als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met [medeverdachte] zendingen rozen bestelde vanuit Ecuador. De verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij door [medeverdachte] was benaderd om de rozen via zijn bedrijf [bedrijfsnaam 1] te bestellen omdat [medeverdachte] met zijn bedrijf [bedrijfsnaam 2] vanwege een eerder incident niet langer welkom was op de bloemenveiling van [plaats 2] . Tevens heeft hij verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode meerdere gesprekken heeft gevoerd met onder meer [medeverdachte] en [naam 1] en dat die gesprekken gingen over de invoer van cocaïne. Zijn opzet, zo heeft de verdachte naar voren gebracht, was echter nooit gericht op het daadwerkelijk invoeren van cocaïne; het was grootspraak. De raadsvrouw heeft dit bij pleidooi nog aangevuld, in die zin dat in de kern naar voren is gebracht, dat achteraf weliswaar is gebleken dat de medeverdachte [medeverdachte] zich bezighield met de invoer van cocaïne, maar dat de verdachte daarvan geen wetenschap had. In de tapgesprekken met [medeverdachte] , [naam 1] en [naam 2] voerde de verdachte ook gesprekken waarin hij grappen maakte over onder meer grote geldbedragen. De verdachte heeft mogelijk naar [naam 1] toe aangedikt hoeveel geld hij ging verdienen omdat hij indruk op haar wilde maken.
Het hof verwerpt dit verweer en concludeert dat de verdachte, samen met [medeverdachte] , opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft verricht om cocaïne in te voeren via rozen vanuit Ecuador. Het volgende is daarbij van belang.
De getuige [naam 1] heeft verklaard dat de verdachte bezig was met het invoeren van zendingen met rozen en dat er tussen deze rozen drugs zouden worden verstopt. De verklaringen van [naam 1] sluiten naar het oordeel van het hof aan bij de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Evenals de rechtbank vindt het hof haar verklaringen daarom betrouwbaar en zal het deze voor het bewijs gebruiken.
Die bewijsmiddelen houden onder meer de volgende gesprekken in, waarvan hierna een zakelijk weergegeven overzicht is opgenomen.
Op 5 september 2020 belde de verdachte met [medeverdachte] , waarbij [medeverdachte] aangaf dat hij een
“grote afspraak”had met de
“grote baas”. [medeverdachte] werd later die dag geobserveerd bij zijn loods in [plaats 2] , waarbij gezien werd dat een aantal mannen de loods binnen liep. Een aantal uur nadat de mannen uit de loods vertrokken waren, belde de verdachte weer met [medeverdachte] en vroeg hij hem of hij een goed gesprek had gehad. [medeverdachte] gaf aan dat hij hier niet via de telefoon verder over ging praten, maar dat zij die avond weer bij elkaar zouden komen om te
“kijken hoe we het gaan doen”. Tijdens dit gesprek werd ook gesproken over
“een test”en
“hun blijven hier voor de test”. Die avond werd [medeverdachte] geobserveerd en heimelijk afgeluisterd terwijl hij dineerde in een restaurant in Amsterdam met een aantal van de mannen die eerder in zijn loods aanwezig waren. Tijdens dit gesprek werd gesproken over het invoeren van verdovende middelen in dozen met rozen vanuit Ecuador naar Nederland. Het hof trekt die conclusie omdat [medeverdachte] bij deze gelegenheid verschillende -naar algemene bekendheid- bronlanden van cocaïne benoemde en opmerkingen maakte die betrekking hebben op de verschillende methoden voor het heimelijk vervoeren van verdovende middelen. Zo sprak hij met die anderen over
“Peru”en
“Ecuador”, over wijzen van verpakken en verzenden (onder meer:
“the base, base you can put in the carton….the carton put lijm carton”,
“met KLM met flowers dus full cargo only”,
“from Ecuador with flowers”,
“when you do the bottom, put it in the wall (…), this powder”), over de aanwezigheid van een scan en over douanecontrole.
[medeverdachte] heeft voorafgaand aan en na afloop van dit gesprek meerdere chatgesprekken gevoerd via zijn SkyECC-account [nummer] , waarin hij sprak over de invoer van bloemen vanuit Ecuador naar Nederland, waarbij hij onder meer uitleg gaf hoe de zendingen opgebouwd moesten worden en hoe de betalingen gedaan moesten worden zonder de argwaan van de toezichthoudende instanties te wekken.
In diezelfde periode heeft de verdachte meerdere telefoongesprekken met [medeverdachte] en [naam 1] gevoerd. Ook heeft hij via WhatsApp contact gehad met [medeverdachte] . Tijdens deze gesprekken werd informatie gedeeld die [medeverdachte] ook in de chatgesprekken via SkyECC heeft weergegeven en die daar naadloos op aansluit. Zo werd in een SkyECC chatgesprek van [medeverdachte] van 7 oktober 2020 gesproken over
“de eerste keer 10 dozen de tweede keer 25 of 50, de derde keer 100 en daarna plankgas”. Uit een tapgesprek van diezelfde dag blijkt dat [medeverdachte] aan de verdachte uitlegde dat er
“colo’s”waren die rechtstreeks of als tussenpersoon zouden werken. Ze doen eerst 10 dozen en als die dozen zijn binnengekomen, doen ze direct 100 dozen, waren diens woorden. De verdachte reageerde vervolgens dat de anderen
“ook even 10 doosjes willen proeven en dan knallen ze m ook vol.”Zoals algemeen bekend wordt met
“colo’s”Colombianen bedoeld. Eveneens is algemeen bekend dat ook Colombia een bronland voor cocaïne is.
Op 15 november 2020 heeft [medeverdachte] een chatgesprek gevoerd via SkyECC over vertraging die aan
“de andere kant”was opgelopen. [medeverdachte] gaf aan dat de
“cadeautjes”er niet te lang mochten liggen, anders zouden ze gaan rotten en stinken. Kort daarna, op 26 november 2020, legde de verdachte in een tapgesprek aan [naam 1] uit dat er een miscommunicatie was aan de
“overkant”waarbij iets zou gaan stinken als het te lang lag.
Dat de verdachte gesprekken heeft gevoerd die zien op het invoeren van verdovende middelen in dozen met rozen, volgt naar het oordeel van het hof, naast zijn eigen verklaring zoals hiervoor vermeld, ook uit het feit dat de verdachte en [medeverdachte] spraken over het inzetten van katvangers en bespraken dat heel Colombia en Ecuador ondertussen door Mexicanen was overgenomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat katvangers/tussenpersonen vaak worden gebruikt bij de handel in verdovende middelen om de organisatoren van de handel buiten het zicht te houden. Daarnaast legde [medeverdachte] aan de verdachte uit dat hij
“het eruit haalt”omdat hij een “
deur”had. Het hof kan dit niet anders interpreteren dan dat [medeverdachte] hiermee aan de verdachte vertelde dat hij een contact had dat de mogelijkheid had iets uit dozen te halen voordat deze dozen gecontroleerd zouden worden door de douane. Ook hieruit volgt dat de verdachte en [medeverdachte] niet louter bezig waren met het invoeren van rozen. Dit onderdeel van het gesprek past ook binnen de gesprekken die [medeverdachte] heeft gevoerd tijdens de bijeenkomst in het restaurant op 5 september 2020 en binnen de SkyECC-chats over het invoeren van pakketten verdovende middelen in de zendingen met rozen.
Voor de beoordeling van de stelling van de verdachte dat hij niet de opzet op de daadwerkelijke invoer van cocaïne zou hebben gehad, is verder het volgende van belang.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de rozen voor de verdachte en [medeverdachte] slechts bijzaak waren en dat het hen ging om (pogingen tot) invoer van cocaïne in Nederland. Het hof concludeert op basis van die bewijsmiddelen dat het bedrijf van de verdachte moest fungeren als dekmantel voor die cocaïne-invoer. Immers, het was opgericht als inkoopbedrijf voor het bedrijf van [medeverdachte] , waarbij [medeverdachte] de enige klant van betekenis was voor de verdachte. De verdachte heeft echter geen logische uitleg kunnen geven voor deze constructie. Dit geldt in het bijzonder waar het gaat om de inkoop van rozen uit Ecuador, omdat daarbij het gestelde probleem dat [medeverdachte] niet meer welkom was op de bloemenveiling in [plaats 2] niet aan de orde was. Daarnaast is voor die conclusie van belang dat ondanks de gedane concrete bestellingen waarbij verschillende gewenste kleuren van de rozen werden vermeld, steeds moest worden afgewacht welke kleuren zouden worden geleverd. Uit de WhatsApp- en telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en de verdachte blijkt dat zij hier slechts zeer beperkt invloed op hadden. Verder volgt uit verschillende telefoongesprekken die de verdachte heeft gevoerd dat het hem uiteindelijk niet te doen was om de rozen. Zo heeft hij in een telefoongesprek met [naam 1] beaamd dat het niet ging om de rozen maar om wat erin zat. [naam 1] stelde voor om de goedkoopste rozen te bestellen en deze dan weg te gooien. De verdachte reageerde hierop dat het zou opvallen als hij steeds zendingen zou bestellen die hij vervolgens weg zou moeten gooien, omdat dit voor problemen zou kunnen zorgen bij een belastingcontrole. Dit heeft de verdachte ook met [medeverdachte] besproken. In een telefoongesprek met [medeverdachte] heeft de verdachte onder meer opgemerkt dat, zolang zij geen inkoopfacturen zouden hebben, het ook geen argwaan zou wekken als de rozen werden weggegooid.
Dat de verdachte en [medeverdachte] bezig waren met illegale activiteiten blijkt verder uit het gesprek waarin de verdachte aankondigde overal uit te stappen en zei dat hij er klaar mee was en dat hij zijn geld op een normale manier wilde gaan verdienen.
Tenslotte zijn op 2 oktober 2021 op de luchthaven van Quito pakketten cocaïne aangetroffen in dozen bloemen die bestemd waren voor het bedrijf van de verdachte. De cocaïne werd gevonden in de kartonnen wanden/tussenschotten van die dozen. Dit past naadloos bij de modus operandi zoals die besproken is tijdens de hiervoor beschreven ontmoeting in het restaurant op 5 september 2020.
Uit al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, concludeert het hof dat de verdachte samen met onder meer [medeverdachte] opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de invoer in Nederland van cocaïne.
Zaak C03 (bananen)
Ook ten aanzien van dit feit heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring, terwijl de verdediging vrijspraak heeft bepleit.
Het hof oordeelt als volgt.
De bewijsmiddelen houden onder meer in dat de verdachte in de periode van 9 november 2020 tot en met 9 december 2020 samen met een persoon die zich [betrokkene] noemde, via [bedrijfsnaam 1] twaalf containers met bananen heeft ingevoerd vanuit Ecuador en heeft doorverkocht aan een bedrijf in Polen. De verdachte heeft verschillende bedrijven actief benaderd om de bananen te transporteren naar de keuring en een loods met een koelcel gehuurd om de bananen in de tussentijd op te kunnen slaan.
[naam 1] heeft over deze handel in bananen eveneens verklaard dat de verdachte bezig was om verdovende middelen via de zending bananen in te voeren en dat hij hier veel geld mee zou verdienen.
De raadsvrouw heeft in haar pleidooi aangesloten bij de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudend dat hij zijn activiteiten wilde uitbouwen naar de import van fruit omdat de bloemenhandel tijdens de coronacrisis in zwaar weer was geraakt. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met ‘ [betrokkene] ’, een man die hij op de bloemenveiling had ontmoet maar verder niet goed kende, contact heeft gelegd met verschillende bedrijven. Ook ten aanzien van dit feit houdt het standpunt van de verdediging in de kern in dat de verdachte nooit de opzet heeft gehad op het invoeren van verdovende middelen. De verdachte heeft [naam 1] tevreden willen houden door hoge opbrengsten in het vooruitzicht te stellen, volgens de raadsvrouw.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. De verdachte, die geen ervaring had in de fruithandel, handelde als tussenpersoon tussen de verzender in Ecuador en de importeur in Polen. Dit is een ongebruikelijke gang van zaken volgens een medewerker van één van de bedrijven waar de verdachte contact mee had gelegd, omdat fruit normaal gesproken zonder tussenpersoon wordt geïmporteerd. Omdat men binnen dat bedrijf de handel van de verdachte niet vertrouwde, heeft men niet met hem willen samenwerken.
Daarnaast volgt uit de telefoongesprekken die de verdachte met [naam 1] en [naam 2] heeft gevoerd, dat de verdachte met regelmaat sprak over grote geldbedragen die hij zou verdienen. Zo sprak de verdachte met [naam 1] over het feit dat hij binnenkort zijn
“zakken vol”met geld zou hebben en dat hij, als alles zou binnenkomen,
“zijn ton”ging binnenhalen. In dat verband legde de verdachte, zakelijk weergegeven, ook uit dat
“ze”een test hadden gedaan met
“hoe het hier werkt”, ze twee ton hadden afgeschreven op de bananen omdat die met verlies waren verkocht en dat ze gas wilden geven en niet voor niets wilden blijven investeren. Ook vertelde hij aan zijn ex-echtgenote [naam 2] op 12 december 2020 dat het over 3 weken
“bingo”zou zijn. Daarnaast heeft de verdachte tijdens telefoongesprekken van 21 januari 2021 en 19 februari 2021 met een onbekend gebleven man gezegd dat hij € 15.000.000,00 was misgelopen omdat iemand aan de andere kant van de wereld een fout had gemaakt waardoor
“de deur”kapotging vlak voordat hun lading zou worden gezet. Dat de verdachte over dergelijke geldbedragen heeft gesproken voor de import van bananen is opmerkelijk, mede omdat uit onderzoek gebleken is dat hij met de twaalf ingevoerde containers een winst van nog geen € 500,00 per container had gemaakt, exclusief personeelskosten.
Ook voerde de verdachte gesprekken waarin gesproken werd over containers met bananen waar nóg niets anders in zat en gaf hij aan dat hij op zoek was naar een aparte transporteur die indien nodig
“even een stukje kan omrijden.”Uit deze omstandigheden, bezien in onderling verband met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof af dat de verdachte bezig is geweest om gelegenheid te creëren om op het juiste moment onopgemerkt verdovende middelen uit de containers te halen.
Dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met het voorbereiden van de invoer van verdovende middelen blijkt naar het oordeel van het hof verder uit verschillende telefoongesprekken waarin werd besproken dat hij zich met criminele praktijken bezighield. Tijdens deze gesprekken gaf de verdachte aan dat er niet te veel over de telefoon moest worden gesproken. [naam 1] zei meerdere malen dat zij medeplichtig was en zij zei dat de verdachte een crimineel leven had en dat hij
“een crimineel van niks is, maar wel een crimineel.”Toen zij aan de verdachte voorstelde om het geld dat hij had verdiend met de bananen van de zakelijke rekening af te halen, reageerde de verdachte dat er dan een kans zou zijn dat
“ze”achter hem aankomen met een Glock en een AK47. Met [naam 2] besprak de verdachte dat
“de onderwereld”gewoon de huur betaalde en later vertelde de verdachte aan [naam 2] dat
“voorbereiden ook strafbaar schijnt te zijn.”Hier voegde de verdachte aan toe dat zijn advocaat aan hem had uitgelegd dat hij dan al in een heel vergevorderd stadium moest zitten.
Tot slot overweegt het hof dat de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de voorbereiding van invoer van cocaïne met bloemen als dekmantel bijdragen aan het bewijs dat de verdachte heeft beoogd ook de hiervoor besproken bananentransporten in te zetten voor de invoer van cocaïne.
Concluderend is het hof met de rechtbank van oordeel dat de handelingen en gesprekken die de verdachte heeft verricht, respectievelijk gevoerd voorbereidingshandelingen opleveren voor de invoer van cocaïne. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat ‘ [betrokkene] ’, wiens identiteit niet aan het licht is gekomen, als medepleger kan worden aangemerkt.
Het aan de verdachte ten laste gelegde feit is in beide onderdelen wettig en overtuigend bewezen.

Beoordeling artikel 6 EVRM Pro

Hoewel de verdediging gedurende het opsporingsonderzoek en de berechting niet heeft verzocht om mevrouw [naam 1] als getuige te horen, maar wel opmerkingen heeft gemaakt over het feit dat zij, nu zij niet meer in leven is, niet kan worden gehoord, overweegt het hof met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van [naam 1] als bewijsmiddel ambtshalve als volgt.
In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
Vast staat dat er een toereikende en begrijpelijke reden is voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervragen. [naam 1] is immers inmiddels overleden.
De verdachte heeft betwist dat hij daadwerkelijk opzet heeft gehad op de voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van verdovende middelen. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [naam 1] , die bijdragen aan het bewijs dat de verdachte die opzet wel heeft gehad, niet doorslaggevend bij de bewijslevering. Deze verklaringen zijn ten aanzien van die opzet immers ondersteunend aan onder meer de in de bewijsmiddelen opgenomen tapgesprekken tussen (onder meer) de verdachte en [naam 1] en de verdachte en [naam 2] , de tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gevoerde telefoon- en WhatsApp-gesprekken in combinatie met het OVC-gesprek tussen [medeverdachte] en anderen op 5 september 2020 en de tussen de verdachte en [medeverdachte] opgezette bedrijfsconstructie die was bedoeld om de invoer van verdovende middelen mogelijk te kunnen maken, en de uiteindelijke onderschepping van een grote partij cocaïne in een zending bloemen die voor (het bedrijf van) de verdachte bestemd was.
Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding om de vraag naar eventuele compenserende factoren te beantwoorden.
Het hof is dan ook van oordeel dat de procedure in haar geheel bezien voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces wanneer de verklaringen van [naam 1] , onder deze omstandigheden, voor het bewijs worden gebruikt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder A en B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
ten aanzien van zaak A
op 26 mei 2021 te Leiden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk M57, kaliber 7.62 mm en 49 stuks scherpe munitie (kaliber 7.62 mm) van categorie III voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van zaak B
in de periode van 5 september 2020 tot en met 2 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (voor zover het betreft de bloementransporten) respectievelijk met een ander (voor zover het betreft de bananentransporten), om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne), voor te bereiden en te bevorderen:
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en
- zich en anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen en
- voorwerpen en betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en),
immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:
bloemen
- telefoongesprekken gevoerd via telecommunicatie , overleg gevoerd en afspraken gemaakt en berichten verstuurd en ontvangen in al dan niet versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren van grote handelshoeveelheden verdovende middelen met bloemen als deklading en
- afspraken gemaakt over de hoeveelheid te versturen bloemen als testzending en
- voornoemde bloemen besteld, gekocht en betaald en
- informatie gegeven over de plaats om voornoemde middelen te verstoppen en
- informatie over voornoemde bloemen en verdovende middelen gedeeld en
- een afhandelaar van bloemenzendingen ( [bedrijfsnaam 3] ) heeft bezocht;
bananen
- telefoongesprekken gevoerd in al dan niet versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren en vervoeren van grote handelshoeveelheden verdovende middelen en
- berichten verstuurd en ontvangen en telefoongesprekken gevoerd met betrekking tot het invoeren en vervoeren van deze grote handelshoeveelheden verdovende middelen en bananen als deklading en bananen als testlading en
- afspraken gemaakt over de hoeveelheid te versturen bananen als testzending en/of als deklading en
- voornoemde bananen besteld, gekocht, betaald en verkocht en
- een loods gehuurd als opslag voor de bananen.
Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde onder A levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het bewezenverklaarde onder B levert op:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn en zich of een ander daartoe inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de verdachte voor het onder de zaken A en B tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd.
De verdediging heeft bij bewezenverklaring verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, op dit moment een vaste baan heeft en de zorg heeft voor zijn bejaarde ouders en deels voor zijn mentaal beperkte zoon. Voorts is naar voren gebracht dat de eis, in vergelijking tot soortgelijke zaken, buitenproportioneel is en dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden, wat tot strafvermindering zou dienen te leiden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een periode van 13 maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van partijen cocaïne vanuit Zuid-Amerika. Hiervoor gebruikte hij op zijn naam staande bedrijven in de bloemen- en fruithandel. Deze bedrijven moesten als dekmantel fungeren. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
De rol van de verdachte kan worden getypeerd als die van cruciale tussenpersoon. Het was de bedoeling om via de bedrijven van de verdachte legale zendingen bloemen of bananen vanuit Zuid-Amerika te misbruiken om cocaïne ‘bij te pakken’. Slechts door omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer en de wil van de verdachte en zijn mededaders, is het -voor zover het politieonderzoek daar zicht op heeft gekregen- niet gelukt om daadwerkelijk zendingen cocaïne Nederland in te voeren. De voorbereidingshandelingen die de verdachte heeft verricht zijn naar het oordeel van het hof echter van dien aard dat ze in tijd zeer dicht zijn gelegen tegen handelingen die verband houden met de invoer zelf. De op 2 oktober 2021 in Ecuador onderschepte partij van ruim 29 kilogram cocaïne, bestemd voor één van verdachtes bedrijven ( [bedrijfsnaam 1] ), is daar typerend voor. Er is daarmee sprake geweest van verregaande voorbereidingshandelingen.
Gelet op de handelwijze van de verdachte en zijn mededaders en de omvang van de partijen waar die voorbereidingshandelingen blijkens de onderschepte berichten tussen de verdachte en zijn mededaders op zagen, kan het niet anders dan dat er sprake was van een groep die zich in georganiseerd verband bezighield met deze voorbereidingshandelingen.
Internationale drugstransporten maar ook de voorbereidingen daarvan zijn ernstige misdrijven. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit en vormen op die manier een bron van ondermijning van het maatschappelijk en economisch leven en van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie en op de terechtzitting van de rechtbank en het hof steevast ontkend dat hij zich bezig heeft gehouden met deze voorbereidingshandelingen en de talrijke gesprekken en berichten daarover afgedaan als ‘grootspraak’. De verdachte heeft, behoudens ten aanzien van het wapen en de munitie, hierdoor overduidelijk geen verantwoordelijkheid willen nemen voor de strafbare feiten. Deze opstelling baart het hof zorgen, gelet op het vele bewijsmateriaal en zijn hiervoor omschreven belangrijke rol in het geheel. Ook de combinatie van de schaal waarop de verdachte zich bezighield met de bewezenverklaarde Opiumwetdelicten in combinatie met zijn vuurwapenbezit, is een zorgelijke. Voor wat betreft dat laatste behoeft het geen betoog dat er regelmatig vuurwapengeweld plaatsvindt binnen groeperingen die zich bezighouden met de handel in verdovende middelen, waarbij ook dodelijke slachtoffers vallen.
Gelet op al het voorgaande, maar met name op de ernst van de feiten, de aanzienlijke pleegperiode en het ondermijnende karakter ervan is het hof van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. In hetgeen de verdachte en de raadsvrouw hebben aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof, in het bijzonder gezien de proceshouding van de verdachte, geen reden daarvan af te wijken.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.
Gelet op al het hiervoor overwogene acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren in beginsel passend en geboden.
In deze zaak is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg. Op 16 maart 2021 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning en het bedrijfspand in [plaats 3] van de verdachte. Het hof merkt deze datum aan als het moment van aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Op 1 februari 2022 is de verdachte aangehouden. Hij heeft aansluitend voorarrest ondergaan. De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst op 22 september 2022. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 28 juni 2024.
Dit betekent dat in eerste aanleg de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen 24 maanden en dat deze heeft geresulteerd in een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 15 maanden. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Alles afwegende komt het hof in plaats van de geïndiceerde strafoplegging van 5 jaren tot de oplegging van 4 jaren en 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

Het hof is van oordeel dat de grond die aan het – laatstelijk op 22 september 2022 geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis in zaak B ten grondslag ligt niet langer aanwezig is. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal dan ook worden opgeheven.
Ditzelfde geldt voor het in zaak A op 28 mei 2021 geschorste bevel tot inbewaringstelling.

Beslag

Onder de verdachte is een telefoon inbeslaggenomen, op de beslaglijst omschreven als: 9480, Zilver, merk: Apple.
De advocaat-generaal heeft de verbeurdverklaring gevorderd van deze telefoon. De verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven de telefoon niet terug te willen. De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit inbeslaggenomen voorwerp geen standpunt ingenomen.
Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoon dient te worden verbeurdverklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder zaak B bewezenverklaarde feit met behulp van die telefoon, die aan de verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid. Het hof verwijst daarvoor naar pagina 114, paragraaf 5.10.2.2 van het proces-verbaal van relaas van 29 maart 2022, opgemaakt door verbalisant [naam 3] , waaruit volgt dat deze telefoon bij de staande houding van de verdachte onder de verdachte is aangetroffen. Op deze mobiele telefoon werd belastend materiaal aangetroffen, hetgeen is verwoord in diverse, met nummer genoemde, paragrafen in dit proces-verbaal van relaas.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 10a van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op de -geschorste- bevelen tot voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK telefoon (omschrijving: 9480, Zilver, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.M. Steinhaus en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2026.