ECLI:NL:GHAMS:2026:355

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
23-000649-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting via professionele nepwebwinkel witgoed

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en de verdachte veroordeeld voor medeplegen van oplichting. De verdachte richtte samen met een medeverdachte een professionele ogende nepwebwinkel op die witgoed aanbood, waarbij klanten werden bewogen tot betaling zonder levering van de bestelde goederen.

De bewezenverklaring betreft de periode van 4 tot en met 19 oktober 2016, waarin bijna 100 personen in totaal circa €69.217,06 overmaakten naar de bankrekening van het bedrijf. Het hof oordeelde dat de verdachte de medeverdachte als katvanger gebruikte en zelf beschikte over de bankpas en inlogcodes, waarmee hij de gelden beheerde en verdeelde.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, lager dan de 6 maanden van de rechtbank vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd hij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de materiële schade van de benadeelde partijen, die grotendeels werd toegewezen tot het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen. Vergoeding van immateriële schade werd afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op met gijzeling als dwangmiddel en bepaalde de wettelijke rente vanaf 1 november 2016. De straf en maatregelen zijn gebaseerd op artikelen 36f, 47, 57, 63 en 326 Sr.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor materiële schade van benadeelde partijen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000649-21
Datum uitspraak: 12 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-706553-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
30 mei 2024, 27 november 2025 en 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof op 30 mei 2024 toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 oktober 2016 tot met 19 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, consument(en) / perso(o)n(en), te weten
- [slachtoffer 1] (dossier B001) (205 euro overgemaakt voor een tomtom go 6100) en/of
- [slachtoffer 2] (dossier B007) (644 euro overgemaakt voor een fornuis SMEG SNL916MFA9) en/of
- [slachtoffer 3] (dossier B019) (294 euro overgemaakt voor een koelkast Bosch KGN33NL20) en/of
- [slachtoffer 4] (dossier B027) (274 euro overgemaakt voor een televisie) en/of
- [slachtoffer 5] (dossier B031) (204 euro overgemaakt voor een tomtom go 6100) en/of
een of meer andere personen (welke personen worden opgesomd op blz. 11, 12 en 13 van het Pvb van
[persoon 1] en [persoon 2] (pv nummer PL1100-2016249733) en van welk overzicht een kopie als bijlage bij deze vordering is gevoegd),
een of meermalen heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in ieder geval 1621 euro, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid door
- een webwinkel via de website [website 1] op te richten en/of
- op voornoemde website (via [website 2]) witgoed, in elk geval een of meerdere goed(eren), te koop aan te bieden en/of
- zich op [website 2] en/of [website 1] voor te doen als bonafide aanbieder(s) van goed(eren), waaronder witgoed, en/of
- de indruk te wekken dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestelde (wit)goed(eren) in bezit had(den) en/of zou leveren wanneer die consument(en)/perso(o)n(en) de koopsom van (het) bestelde (wit)goed(eren) naar een bankrekening op naam van [bedrijf 1] B.V. over zou(den) maken en/of
- het vertrouwen te wekken bij voornoemde consument(en) / perso(o)n(en) door op de website [website 1] te verwijzen naar Thuiswinkel waarborg, terwijl [bedrijf 2] daar geen lid van was,
waardoor die consument(en)/perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) het/de goed(eren) telkens niet heeft/hebben geleverd;
subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 oktober 2016 tot en met 18 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 69.217,06 euro, in elk geval enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, en/of omgezet terwijl hij ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten van dat geldbedrag wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op grond van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Standpunten
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het primair tenlastegelegde wordt bewezen verklaard zoals de rechtbank heeft gedaan.
De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit, aangezien naar zijn mening objectief bewijs ontbreekt dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de oplichting. Evenmin kan zonder meer worden vastgesteld dat de verdachte de beschikking heeft gehad over de bankrekening van [bedrijf 2] .
Dat sprake is geweest van oplichting door [bedrijf 2] is door de raadsman niet betwist.
Bewijsoverwegingen
Redengevende feiten en omstandigheden
Op grond van de aangiften die zich in het dossier bevinden [1] kan worden vastgesteld dat de aangevers (via [website 2] ) op [website 1] te koop aangeboden witgoedproducten hebben gekocht. Zij hebben een orderbevestiging per e-mail ontvangen. Nadat zij de koopprijs vooraf hadden betaald, is hun product niet geleverd. Meerdere aangevers hebben vervolgens nog geprobeerd om contact op te nemen met [bedrijf 2] , maar hierop werd niet meer gereageerd. Uit verschillende aangiften blijkt dat de aangevers voorafgaand aan de aankoop een telefoonnummer, vermeld op de site van [bedrijf 2] , hebben gebeld met de vraag waarom de prijs zo laag was. Het antwoord was dat ofwel de verpakking licht was beschadigd, ofwel het apparaat zelf. In alle gevallen is levering van het product uitgebleven. Uit de verstrekte bank- en transactiegegevens is gebleken dat in totaal € 69.217,06 naar de bankrekening van [bedrijf 2] is overgemaakt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling in het leven roept om daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt. De aangevers moeten door deze oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van een goed, in dit geval een geldbedrag.
Het hof stelt vast dat met openstelling van de website [website 1] een webwinkel is opgericht, die professioneel en betrouwbaar oogde. Deze webwinkel leek een ruime keuze aan (retour) witgoedproducten aan te bieden en deed qua aanbod niet onder voor een bonafide webwinkel. In wekelijkheid beschikte [bedrijf 2] niet over verkoopbare (retour)witgoederen. Op de website werd door [bedrijf 2] verwezen naar Thuiswinkel Waarborg, terwijl [bedrijf 2] daarbij niet aangesloten was. Voorts hebben veel aangevers gemeld dat vertrouwen werd gewekt door het contact met een telefoonnummer dat op de website stond vermeld; in gesprekken met een medewerker kwam concreet de reden van de lage prijs en de levering aan de orde.
Door de opzet van een in veel opzichten professioneel ogende website is een valse hoedanigheid aangenomen, te weten die van een bonafide aanbieder van (wit)goederen.
Door de inrichting van die website - die meer omvat dan een enkele leugen of een enkele misleidende gedraging - is telkens bij de aangevers de onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen dat zij met een echte webwinkel met een voorraad te maken hadden. De aangevers zijn hierdoor bewogen tot het betalen van verschillende geldbedragen, zodat sprake is van oplichting.
Namens de verdachte is niet betwist dat [bedrijf 2] de aangevers heeft opgelicht. De verdachte heeft echter verklaard dat hij daarbij niet betrokken is geweest.
Daartegenover staat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , [2] die zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg op 11 februari 2021 als getuige in de zaak van de verdachte is gehoord. Hij heeft verklaard dat een vriendin, [medeverdachte 2] , hem vertelde dat zij iemand kende die iemand zocht om een bedrijf op te richten. [medeverdachte 2] heeft vervolgens de verdachte naar de toenmalige woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] laten komen. Verdachte heeft toen verteld over zijn bedrijfsplan om spullen op te kopen van merken waarvan de verpakking was beschadigd. Die producten konden niet meer in de winkel worden verkocht, maar wel via een website voor twee derde van de prijs. Omdat de verdachte wegens een BKR-registratie geen eenmanszaak kon oprichten had hij daarvoor [medeverdachte 1] nodig. [medeverdachte 1] had geld nodig en hij zou hiervoor een vergoeding van € 6.000,00 krijgen. Vervolgens zijn de verdachte en [medeverdachte 1] op dezelfde dag naar de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) en de ING-bank geweest om het bedrijf onder de naam [bedrijf 2] in te schrijven en de daarbij behorende zakelijke bankrekening te openen. Bij de KvK heeft de verdachte [medeverdachte 1] geïnstrueerd hoe hij het bedrijf moest inschrijven in het register van de KvK. [medeverdachte 1] is zelf naar de balie van de KvK en de ING-bank gegaan. De inschrijvingspapieren en de pinpas op naam van [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 1] vervolgens direct aan de verdachte gegeven. Vier dagen later heeft [medeverdachte 1] de verdachte nogmaals gezien toen de verdachte de inlogcodes voor het internetbankieren is komen halen. Over de overboekingen van [bedrijf 2] van in totaal € 7.032,50 aan vrienden van [medeverdachte 1] , heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij deze overboekingen niet zelf heeft gedaan (omdat hij geen pinpas van de rekening van [bedrijf 2] had). Deze gelden zagen op de vergoeding die hij volgens afspraak van de verdachte zou ontvangen.
[medeverdachte 2] heeft ten overstaan van de politie op 1 augustus 2017 verklaard [3] dat zij door de verdachte, een vriend, werd gebeld met de vraag of zij iemand kende waar hij wat mee kon ondernemen. Zij was op dat moment in de woning van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft het telefoongesprek gehoord en is daar op ingegaan. Volgens [medeverdachte 2] is de verdachte degene geweest met wie [medeverdachte 1] het bedrijf [bedrijf 2] heeft opgezet. Gevraagd naar de geldbedragen die van de bankrekening van [bedrijf 2] aan [medeverdachte 2] zijn overgemaakt, heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij van de verdachte op haar verzoek geld op haar bankrekening gestort heeft gekregen (€ 300,00, € 275,00 en € 350,00), omdat zij het financieel moeilijk had. Daarnaast heeft zij € 1.200,00 op haar rekening ontvangen van de verdachte; dat geld heeft zij aan [medeverdachte 1] gegeven.
[medeverdachte 2] heeft in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris op 29 juni 2022 deze eerdere verklaring bevestigd.
Conclusie
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat de verdachte degene is geweest die [medeverdachte 1] heeft gebruikt als katvanger, op essentiële onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2] . Daarnaast kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] worden vastgesteld dat de verdachte met de rekening van [bedrijf 2] heeft kunnen internetbankieren, zoals ook [medeverdachte 1] heeft verklaard. Uit de transactiegegevens is immers gebleken dat de gelden die [medeverdachte 2] van haar vriend, de verdachte, op 6 en 17 oktober 2016 heeft ontvangen, afkomstig zijn van de rekening van [bedrijf 2] . Ook uit de overboekingen van [bedrijf 2] naar de vader en vrienden van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat niet [medeverdachte 1] , maar de verdachte beschikte over de bankrekening van [bedrijf 2] . In geval dat anders was geweest, had [medeverdachte 1] zelf een pinpas en een bankrekening gehad en was het overboeken via zijn vrienden of familie niet nodig geweest.
Voorts hebben de aangevers - net als [medeverdachte 1] - verklaard dat hen is verteld dat de producten tegen een lagere prijs werden aangeboden in verband met een beschadigde verpakking. Ten slotte blijkt uit het overzicht van de pinopnames van de bankrekening van [bedrijf 2] , dat in totaal een bedrag van €56.440,00 is opgenomen. Van deze 51 opnames werd 45 keer gepind in de omgeving van [plaats] , de toenmalige woonplaats van de verdachte. In het licht van het voorgaande gelooft het hof de verklaring van de verdachte, dat hij niet betrokken was bij de oplichting, niet.
Het hof acht de genoemde verklaringen, die gedetailleerd zijn en elkaar op belangrijke punten ondersteunen, voldoende betrouwbaar.
De omstandigheid dat [medeverdachte 1] als voormalige medeverdachte mogelijk belang had bij een belastende verklaring over de verdachte, maakt dat niet anders. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een relatie hadden is niet meer dan dat: een – niet gesubstantieerde – mogelijkheid.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat de verdachte de oplichting samen met een ander heeft begaan.
De verdachte was degene met het bedrijfsplan voor een
fakewebwinkel. Hij is via [medeverdachte 2] met de medeverdachte [medeverdachte 1] in contact gekomen. De verdachte heeft vervolgens de medeverdachte, die hij als katvanger gebruikte, geïnstrueerd. De medeverdachte heeft - voor een geldelijke beloning - het bedrijf en de bankrekening op zijn naam gezet en de verdachte heeft het plan verder uitgevoerd. Verder beschikte de verdachte over de bankpas en inlogcodes van [bedrijf 2] . Hij heeft de gelden die op de bankrekening van [bedrijf 2] binnen kwamen, gebruikt voor zichzelf en om de medeverdachte te betalen voor zijn werkzaamheden. Hij heeft ook [medeverdachte 2] laten delen in de buit. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bij de voorbereiding, de uitvoering en de afhandeling van het delict sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen in elk geval de verdachte en de medeverdachte, waarbij de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest, dat deze kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Het feit dat de medeverdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan genoemde oplichting, doet niet af aan het voorgaande.
Het bewijsverweer van de raadsman vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 4 oktober 2016 tot met 19 oktober 2016 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, te weten
- [slachtoffer 1] (dossier B001), 205 euro overgemaakt voor een tomtom go 6100) en
- [slachtoffer 2] (dossier B007), 644 euro overgemaakt voor een fornuis SMEG SNL916MFA9 en
- [slachtoffer 3] (dossier B019), 294 euro overgemaakt voor een koelkast Bosch KGN33NL20 en
- [slachtoffer 4] (dossier B027), 274 euro overgemaakt voor een televisie en
- [slachtoffer 5] (dossier B031), 204 euro overgemaakt voor een TomTom GO 6100
en andere personen,
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid door
- een webwinkel via de website [website 1] op te richten en
- op voornoemde website, via [website 2], witgoed te koop aan te bieden en
- zich op [website 2] en [website 1] voor te doen als bonafide aanbieder van goederen, waaronder witgoed, en
- de indruk te wekken dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestelde (wit)goederen in bezit had en zou leveren wanneer die personen de koopsom van bestelde (wit)goederen naar een bankrekening op naam van [bedrijf 1] B.V. over zouden maken en
- het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen door op de website [website 1] te verwijzen naar Thuiswinkel Waarborg, terwijl [bedrijf 2] daar geen lid van was,
waardoor die personen telkens werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag, terwijl de verdachte en/of zijn mededader de goederen telkens niet heeft geleverd.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, in combinatie met een maximale taakstraf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat inmiddels veel tijd is verstreken, dat de redelijke termijn is overschreden en dat artikel 63 Sr Pro aan de orde is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de oplichting in vereniging van tegen de 100 personen. Hij heeft een professioneel en betrouwbaar ogende website opgezet, waardoor klanten werden bewogen tot de aankoop van (wit)goederen in de webwinkel. Op deze website werd op een geraffineerde wijze vertrouwen gewekt, onder meer door een telefoonnummer open te stellen en telefoontjes te beantwoorden en ten onrechte te verwijzen naar een keurmerk. Nadat de klant een geldbedrag had overgemaakt bleef levering van het product in alle gevallen uit. In totaal is door de tientallen slachtoffers in een periode van ruim een week bijna € 70.000,00 overgemaakt op de bankrekening van de webshop.
De verdachte heeft gehandeld met het oog op snel en gemakkelijk eigen financieel gewin, zonder zich rekenschap te geven van de schade en overlast die hij anderen heeft bezorgd. Hij heeft bovendien het vertrouwen geschaad dat men doorgaans moet kunnen hebben in de online verkoop van goederen.
Het hof vindt dit ernstige feiten en is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf in dit geval in beginsel een passende sanctie is.
Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 november 2025, eerder en veelvuldig ter zake van oplichting onherroepelijk is veroordeeld tot (forse) gevangenisstraffen. Ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit liep de verdachte bovendien in een proeftijd, opgelegd in een zaak waarin ook oplichting werd bewezen verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. De verdachte is – na een aanvankelijk sepot op
1 september 2018 – in persoon gedagvaard op 10 februari 2021 en het vonnis dateert van
25 februari 2021. Op 11 maart 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op
12 februari 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met bijna 3 jaar. Het hof ziet daarin aanleiding om, alles afwegende en rekening houdend met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit dateert uit 2016, in plaats van een gevangenisstraf van 6 maanden een gevangenisstraf van 5 maanden op te leggen.
Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Van de personen die aangifte hebben gedaan, hebben zich in eerste aanleg 85 personen in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding aan (voornamelijk) materiële schade.
Het merendeel van de benadeelden heeft enkel verzocht om vergoeding van de materiële schade, gelijk aan het bedrag dat zij hebben overgemaakt voor het niet geleverde product zoals vermeld in de aangifte. Door sommigen is daarnaast verzocht om vergoeding van overige materiële schade, zoals opgenomen verlofuren of de aankoop van een vervangend product. Een enkeling heeft ook verzocht om vergoeding van proceskosten. Tot slot is door sommige benadeelden verzocht om vergoeding van immateriële schade. Daartoe is onder meer gewezen op ontstane frustratie of schaamte door de oplichting en het moeten doen van aangifte.
De vorderingen van de benadeelde partijen zoals genoemd in het dictum van het vonnis zijn toegewezen door de rechtbank, voor zover de vordering het bedrag van de aangifte niet overstijgt. De overige gevorderde materiële en immateriële schade is afgewezen. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de verdachte aansprakelijk is voor twee derde deel van het totaal toegewezen schadebedrag.
Een groot gedeelte van de benadeelde partijen heeft zich in hoger beroep gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Voor zover de benadeelden zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd hebben, heeft het hof in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen zoals de rechtbank heeft gedaan, met afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd dan de aangifte en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering tot schadevergoeding vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij verzocht de benadeelden niet ontvankelijk te verklaren, omdat niet blijkt dat zij zich in de zaak van de verdachte hebben gevoegd; op de vorderingen is enkel het parketnummer van de medeverdachte vermeld.
De raadsman kan zich meer subsidiair verenigen met het oordeel van de rechtbank inzake de vorderingen tot schadevergoeding.
Het hof overweegt als volgt.
Ontvankelijkheid benadeelde partijen
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vordering, nu het dossier van de beide medeverdachten één geheel vormt, alle aangiften zich in dat dossier bevinden, de raadsman naar eigen zeggen de vorderingen tot schadevergoeding en de formulieren voeging hoger beroep heeft ontvangen van zijn voorganger, de vorderingen van de benadeelde partijen ter sprake zijn geweest ter terechtzitting in beide instanties, het formulier voeging hoger beroep de naam en het parketnummer van de verdachte vermeldt en de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, onder verwijzing naar de namen van alle aangevers. De omstandigheid dat het formulier van de verschillende vorderingen tot schadevergoeding enkel het parketnummer van de zaak van de medeverdachte vermeldt, is een administratieve omissie die niet maakt dat de verdediging niet op de hoogte is geraakt van de vorderingen tot schadevergoeding.
De raadsman heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen zoals hieronder genoemd als gevolg van het onder primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade hebben geleden tot na te melden geldbedragen. Uit de aangiftes, dan wel uit de vorderingen, is gebleken welk aankoopbedrag de benadeelde partijen hebben overgemaakt voor de niet geleverde producten. Het hof overweegt dat de gevorderde schade voor het niet geleverde product rechtstreekse schade betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof neemt bij het bepalen van de schade als uitgangspunt het bedrag zoals is genoemd in de aangifte, onderbouwd met een bankafschrift of een factuur (de lijst met namen in het dictum vermeldt achtereenvolgens de aangifte, de vordering en de toegewezen schade).
Het dossier bevat geen aangiften van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . In het dossier bevindt zich een lijst met door klanten overgemaakte geldbedragen op het bankrekeningnummer [iban] ten name van [bedrijf 2] . Op die lijst staan de namen [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] wel vermeld, met daarachter het bedrag dat zij op genoemde bankrekening hebben gestort
(€ 294,00 en € 504,00). [4] Beide benadeelden hebben zich gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
Gezien genoemde lijst met transacties is het hof voldoende gebleken dat ook deze twee benadeelde partijen als gevolg van het onder primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade hebben geleden tot na te melden geldbedragen. Uit de vorderingen is gebleken welk aankoopbedrag de benadeelde partijen hebben overgemaakt voor de niet geleverde producten. Het hof overweegt dat de gevorderde schade voor het niet geleverde product rechtstreekse schade betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof neemt bij het bepalen van de schade als uitgangspunt het bedrag zoals is genoemd in de lijst met transacties en de vordering, onderbouwd met een bankafschrift en/of factuur.
Anders dan de rechtbank heeft beslist, zal het hof bepalen dat de verdachte hoofdelijk – met de mededader - tot vergoeding van die schade is gehouden, zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hieronder vermeld.
Afwijzing van gevorderde overige materiële schade en proceskosten
Voor zover meer of anders is gevorderd dan het bedrag in de aangifte, wordt de vordering afgewezen, nu dit geen rechtstreekse schade betreft of deze schade- net als de gevorderde proceskosten - niet is onderbouwd.
Afwijzing van gevorderde immateriële schade
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.
Enkele benadeelde partijen hebben gesteld dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte gevoelens van frustratie en schaamte bij hen heeft veroorzaakt. Zij hebben daarom naast materiële schade, ook vergoeding van immateriële schade gevorderd.
Nu niet is aangevoerd dat sprake was van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelden ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld, ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Bij het berekenen van de duur van de gijzeling neemt het hof als uitgangspunt 2 dagen per benadeelde, zodat het hof per toegekend schadebedrag 2 dagen gijzeling zal toepassen bij het niet (volledig) voldoen van die betalingsverplichting. Het hof heeft hierbij niet gedifferentieerd tussen de respectieve hoogten van de toegekende schadevergoedingen.
Wettelijke rente
Het hof zal bepalen dat de verdachte over de toegewezen materiële schade de wettelijke rente moet betalen. De benadeelde partijen hebben de producten besteld en betaald in de periode van 4 tot en met
19 oktober 2016. De producten zouden in de meeste gevallen enkele dagen later worden geleverd, bij een aantal gevallen is een afgesproken leverdatum niet vast komen te staan. Om die reden heeft het hof
1 november 2016 gekozen als ontstaansdatum van de schade.
De verdachte zal verder worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de volgende benadeelde partijen ter zake van het onder primair bewezen verklaarde tot de volgende geldbedragen ter zake van
materiële schade:
Naam (Aangifte Vordering) Toegewezen schadebedrag

1.[slachtoffer 1] (€ 204,00€ 204,00)€ 204,002. [slachtoffer 2] (€ 644,00 € 644,00) € 644,003. [slachtoffer 3] (€ 294,00 € 294,00) € 294,004. [slachtoffer 4] (€ 274,00 € 563,00) € 274,005. [slachtoffer 5] (€ 204,00 € 204,00) € 204,006. [slachtoffer 6] (€ 1.033,00 € 1.033,00) € 1.033,007. [slachtoffer 7] (€ 704,00 € 704,00) € 704,008. [slachtoffer 8] (€ 334,00 € 534,00) € 334,009. [slachtoffer 9] (€ 272,00 € 272,00) € 272,0010. [slachtoffer 10] (€ 204,00 € 204,00) € 204,00

11.[slachtoffer 11] (€ 304,00€ 306,00)€ 304,0012. [slachtoffer 12] (€ 294,00 € 200,00) € 200,0013. [slachtoffer 13] (€ 274,00 € 274,00) € 274,0014. [slachtoffer 14] (€ 304,00 € 304,00) € 304,0015. [slachtoffer 15] (€ 1.284,00 € 1.284,00) € 1.284,0016. [slachtoffer 16] (€ 274,00 € 274,00) € 274,0017. [slachtoffer 17] (€ 634,00 € 649,00) € 634,0018. [slachtoffer 18] (€ 444,00 € 444,00) € 444,0019. [slachtoffer 19] (€ 644,00 € 644,00) € 644,0020. [slachtoffer 20] (€ 354,00 € 354,00) € 354,00

21.[slachtoffer 21] (€ 204,00€ 204,00)€ 204,0022. [slachtoffer 22] (€ 294,00 € 294,00) € 294,0023. N. [slachtoffer 23] (€ 343,00 € 350,00) € 343,0024. [slachtoffer 24] (€ 429,00 € 429,00) € 429,0025. [slachtoffer 25] (€ 304,00 € 304,00) € 304,0026. [slachtoffer 26] (€ 533,00 € 533,00) € 533,0027. [bedrijf 3] (€ 114,00 € 169,00) € 114,0028. [slachtoffer 27] (€ 154,00 € 154,00) € 154,0029. [slachtoffer 28] (€ 334,00 € 334,00) € 334,0030. [slachtoffer 29] (€ 114,00 € 114,00) € 114,00

41.41. [slachtoffer 40] (€ 174,00 € 174,00) € 174,0042. [slachtoffer 41] (€ 254,00 € 254,00) € 254,0043. [slachtoffer 42] (€ 224,00 € 274,00) € 224,0044. [slachtoffer 43] (€ 704,00 € 704,00) € 704,0045. [slachtoffer 44] (€ 544,00 € 544,00) € 544,0046. [slachtoffer 45] (€ 194,00 € 194,00) € 194,0047. [slachtoffer 46] (€ 424,00 € 424,00) € 424,0048. [slachtoffer 47] (€ 204,00 € 204,00) € 204,0049. [slachtoffer 48] (€ 274,00 € 1.024,00) € 274,0050. H. [slachtoffer 49] (€ 204,00 € 204,00) € 204,00

61.61. [slachtoffer 60] (€ 267,00 € 267,00) € 267,0062. [slachtoffer 61] (€ 179,00 € 179,00) € 179,0063. J. [slachtoffer 62] (€ 1.254,00 € 1.254,00) € 1.254,0064. [slachtoffer 63] (€ 494,00 € 494,00) € 494,0065. [slachtoffer 64] (€ 544,00 € 1.088,00) € 544,0066. [slachtoffer 65] (€ 804,00 € 804,00) € 804,0067. [slachtoffer 66] (€ 343,00 € 343,00) € 343,0068. [slachtoffer 67] (€ 284,00 € 284,00) € 284,0069. [slachtoffer 68] (€ 211,00 € 211,00) € 211,0070. [slachtoffer 69] (€ 344,00 € 344,00) € 344,00

81.81. [slachtoffer 80] (€ 1.452,92 € 1.552,92) € 1.452,9282. [slachtoffer 81] (€ 1.314,00 € 1.314,00) € 1.314,0083. [slachtoffer 82] (€ 494,00 € 494,00) € 494,0084. [benadeelde partij 1] (€ - € 593,00) € 294,0085. [benadeelde partij 2] (€ - € 504,00) € 504,00,

waarvoor de verdachte telkens hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van voldoening.
Wijst de vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte telkens in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van elk van de hierboven genoemde slachtoffers, ter zake van het onder primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen ter hoogte van het hierboven per slachtoffer genoemde geldbedrag als vergoeding voor
materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 170 (honderdzeventig) dagen, waarbij per toegekend schadebedrag ten hoogste 2 dagen gijzeling wordt toegepast. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 november 2016.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
12 februari 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen van 18 april 2017 met bijlagen, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten, dossierpagina’s A011 tot en met A024 (pagina’s A021 tot en met A023).
2.[medeverdachte 1] is bij inmiddels onherroepelijk vonnis van 25 februari 2021 veroordeeld voor onder meer medeplichtigheid aan oplichting.
3.Pagina B 863 e.v.
4.Een proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina’s B 838 tot en met B 849 (pagina B 846 en B 848).