ECLI:NL:GHAMS:2026:354

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
23-001482-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 27 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak invoer cocaïne, veroordeling voorbereidingshandelingen tot 22 maanden gevangenisstraf

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd. Het hof oordeelt dat het primair tenlastegelegde feit van invoer van circa 50 kilogram cocaïne op 11 december 2020 niet bewezen kan worden verklaard vanwege het ontbreken van voldoende bewijs dat de drugs daadwerkelijk in Nederland zijn ingevoerd.

Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van september tot december 2020 intensief heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Dit betrof onder meer communicatie via de cryptodienst SkyECC, het maken van afspraken over transport, prijzen, borgsommen en het regelen van medewerkers op Schiphol.

De verdachte had een coördinerende en organiserende rol, onderhield contacten met leveranciers in Colombia en medeverdachten in Nederland, en investeerde aanzienlijke bedragen. Ondanks zijn zwijgrecht acht het hof zijn betrokkenheid bewezen. Gelet op de ernst van het feit, de maatschappelijke impact en de rol van de verdachte, legt het hof een gevangenisstraf van 22 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van invoer cocaïne, veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf voor voorbereidingshandelingen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001482-24
datum uitspraak: 13 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-282952-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 15 januari 2026 en 13 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 11 december 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, althans opzettelijk vervoerd en/of afgeleverd, althans opzettelijk aanwezig gehad, ongeveer 50 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiairhij in of omstreeks de periode van 01 september 2020 tot en met 11 december 2020 te Aalsmeer en/of Dordrecht en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een ander of anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of
- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en)en/of immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:
- via telecommunicatie en/of fysieke ontmoetingen informatie verstuurd en/of ontvangen en/of uitgewisseld en/of overlegd en/of afspraken gemaakt met betrekking tot het invoeren en vervoeren van deze grote (handels)hoeveelheid(en) verdovende middelen en/of bloemen als deklading en/of dozen met verdovende middelen die in/bij een of meer zendingen bloemen geplaatst moesten worden en/of over de hoeveelheid te versturen verdovende middelen en/of prijzen en/of beloningen en/of te betalen en/of te ontvangen borg en/of over de (beste) plaats om voornoemde middelen te verstoppen en/of over het regelen van Schipholmedewerkers die de verdovende middelen op de luchthaven Schiphol uit de zending konden weghalen en/of
- een of meer foto¿s en/of video's over de te verzenden en/of verzonden lading verdovende middelen laten maken en/of uitgewisseld en/of getoond en/of
- telefoons voorhanden gehad, waaronder een of meer telefoons met de applicatie SKY ECC.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Inleiding
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de periode van (in elk geval) eind augustus 2020 tot en met medio december 2020 via de cryptocommunicatiedienst SkyECC (hierna: SkyECC) tussen de gebruikers van SkyECC-accounts [gebruiker 1] en [gebruiker 2] (in processen-verbaal van relaas af en toe abusievelijk ook aangeduid als [nummers] ) is gecommuniceerd. De gebruiker van het SkyECC-account [gebruiker 1] , met als bijnaam [bijnaam 1] , is geïdentificeerd als de medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft daarvoor gebruik gemaakt van een iPhone 7 die op 16 maart 2021 in zijn woning is aangetroffen en onder hem in beslag is genomen.
De vragen die het hof, gelet op de tenlastelegging, achtereenvolgens dient te beantwoorden zijn: is de verdachte de gebruiker geweest van het SkyECC-account [gebruiker 2] , gaan de met dit account gevoerde gesprekken over (de invoer van) cocaïne en is er daadwerkelijk op 11 december 2020 een partij cocaïne ingevoerd. Deze drie vragen dienen volgens de advocaat-generaal positief te worden beantwoord, terwijl de verdediging telkens heeft geconcludeerd tot een negatieve beantwoording daarvan.
Is de verdachte de gebruiker van SkyECC-account [gebruiker 2] met als gebruikersnaam [bijnaam 2] ?
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de gebruiker is geweest van SkyECC-account [gebruiker 2] . De raadsman heeft naar voren gebracht dat het onderzoeksteam de verdachte op basis van vijf omstandigheden aan het account koppelt, maar dat deze vijf omstandigheden, elk apart door de verdediging besproken, niet voldoende bewijs opleveren dat de verdachte de gebruiker van dit account is geweest. Het hof volgt, evenals de rechtbank, dit, in hoger beroep zonder wijzigingen herhaalde, standpunt van de verdediging niet en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen concludeert het hof het volgende.
Op [datum] stuurt de gebruiker van SkyECC-account [gebruiker 2] (hierna ook te noemen: [bijnaam 2] ) het volgende bericht:
“m’n dochter is jarig moet nog helemaal naar Brabant”.Hieruit kan worden afgeleid dat [bijnaam 2] een dochter heeft die op [datum] jarig is. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte een dochter, genaamd [naam 1] heeft, die geboren is op [datum] . De verdediging heeft betoogd dat toereikend bewijs ontbreekt voor het feit dat [naam 1] een dochter van de verdachte is. Het gaat slechts om een, volgens de verdediging, niet betrouwbare vermelding bij de Belastingdienst.
Het hof stelt vast dat niet alleen uit de gegevens van de Belastingdienst, maar ook uit de GBA- gegevens van zowel [naam 1] als van de verdachte zelf blijkt dat de verdachte haar vader is. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vragen hierover, zowel tijdens de bespreking van de feiten als de persoonlijke omstandigheden, niet willen beantwoorden. Dat geldt zowel voor de vraag of hij een dochter heeft als voor de vraag of hij pogingen heeft ondernomen om, als hij deze GBA-registratie onjuist zou vinden, hierin wijziging te laten aanbrengen. Bij die stand van zaken is de enkele problematisering door de raadsman van de onderzoeksresultaten onvoldoende om er niet vanuit te gaan. Het hof gaat daarom uit van de juistheid ervan.
Op 14 september 2020 vindt er een chatgesprek plaats tussen [medeverdachte 1] (SkyECC-account [gebruiker 1] ) en [gebruiker 2] . Die dag rond 11:15 uur stuurt [medeverdachte 1] aan [gebruiker 2] :
“Ben op de zaak kerel. Kom maar”.Om 12:55 uur vraagt [medeverdachte 1] aan [gebruiker 2] of hij onderweg is en om 12:58 uur stuurt hij:
“Ok. Snelle auto jij”. Uit de bewegende camerabeelden, geplaatst tegenover de entree van het bedrijfspand van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] , is te zien dat op 14 september 2020 omstreeks 13:30 uur, slechts 32 minuten na het laatste bericht van [medeverdachte 1] , twee mannen de loods inlopen. Even later staan ze in de opening van de loods en zijn ze in gesprek met [medeverdachte 1] . Eén van de personen is door een verbalisant herkend als de verdachte. Het hof ziet gelet op het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding aan die herkenning te twijfelen.
De raadsman heeft aangevoerd dat niet duidelijk is of het daadwerkelijk tot een ontmoeting is gekomen tussen [medeverdachte 1] en [gebruiker 2] nu de reacties van [gebruiker 2] op de berichten van [medeverdachte 1] niet geïntercepteerd zijn. Dit wordt naar het oordeel van het hof ontzenuwd door de genoemde herkenning, mede bezien in het licht van de overige in de bewijsmotivering en -middelen genoemde feiten die de verdachte koppelen aan dit account. De opvatting van de raadsman dat de derde, niet geïdentificeerde, persoon die op de beelden te zien is, mogelijk de gebruiker van [gebruiker 2] is, is, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, tegen deze achtergrond niet van gewicht.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [gebruiker 2] gebruik maakte van het randapparaat voorzien van IMEI-nummer [nummer 1] . Dit randapparaat heeft in de tenlastegelegde periode gedurende de nacht en de vroege ochtend (veelvuldig) gebruik gemaakt van een zendmast aan het [locatie] , met de cell-ID nummers [nummer 4] en [nummer 5] . Dit wijst erop dat de gebruiker van [gebruiker 2] in de omgeving van die zendmast woont of verblijft.
De vriendin van de verdachte woont aan het [adres 4] . Deze straat bevindt zich in de wijk [locatie 2] . De wijk [locatie 2] valt onder het bereik van de zendmast met de voornoemde cell-ID nummers.
De verdachte heeft verklaard dat zijn vriendin op dat adres woont en dat hij daar af en toe verbleef. Dat de verdachte daar regelmatig verbleef wordt bevestigd door de feiten dat het observatieteam de auto van de verdachte op 10 september 2021 bij die woning heeft gezien en dat de verdachte op 1 februari 2022 is aangehouden in die woning.
De verdediging heeft betoogd dat deze zendmastgegevens niet bruikbaar zijn wegens de, volgens de raadsman, grote afstand tussen de woning van de vriendin van de verdachte en de zendmast aan het [locatie] . Het hof gaat niet mee in het verweer van de raadsman nu, zoals reeds overwogen, de wijk waarin de vriendin van de verdachte woonde onder het bereik van deze zendmast valt. Dat dit niet het geval zou zijn heeft de verdediging overigens ook niet gesteld.
Bij dit één en ander komt nog dat uit de bewijsmiddelen volgt dat aan SkyECC-account [gebruiker 2] ook de bijnaam [naam 2] is gekoppeld. De voornaam van de verdachte is [naam 3] en de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ook wel [naam 2] wordt genoemd.
Het hof komt dan ook aan de hand van de vier hierboven uiteengezette aanknopingspunten, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker is geweest van SkyECC-account [gebruiker 2] ( [bijnaam 2] ). De overige resultaten van het opsporingsonderzoek die bij die identificatie zijn betrokken behoeven daarom geen bespreking.
Gaan de gesprekken over cocaïne?
De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte middels dit SkyECC-account gesprekken heeft gevoerd die gingen over cocaïne. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
De bewijsmiddelen bevatten een groot aantal chat-gesprekken die de verdachte via SkyECC heeft gevoerd met onder andere zijn medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 19 december 2020. Op 24 en 25 augustus 2020 stuurt [medeverdachte 1] foto’s van witte blokken naar de verdachte. De verdachte vraagt naar aanleiding van deze foto’s om de prijs. [medeverdachte 1] antwoordt met
“33,5 moet ik geven dus 34 is top collo handel kan direct 30 pakken”. Op 31 augustus 2020 stuurt [medeverdachte 1] wederom foto’s van witte blokken naar de verdachte, waaronder een wit blok met een stempel in de vorm van een paard. De verdachte vraagt: “
Hoeveel heb je er”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “
50 toppers heb er juist 30 verkocht top top”, “
Collo” en “
37250 plus ik 250”. De verdachte reageert: “
34 pak ik deze kookt 9.4 top top” en “
Maat die Ferrari pak ik op 33.5”. Het is een feit van algemene bekendheid dat het logo van Ferrari een paard is.
Op 5 september 2020 laat de verdachte aan [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven, weten dat hij een Colombiaan, die later in het onderzoek [bijnaam 3] genoemd wordt, heeft gesproken die vanaf Bogota kan vullen, dat hij de beveiliging van Bogota zegt te hebben en deuren in Europa zoekt. De Colombiaan zou tegen de verdachte hebben gezegd: “
kom naar Madrid ik laat je alle video’s zien die je wilt”. De verdachte zegt verder tegen [medeverdachte 1] : ”
Ik ben deze week in Madrid voor een gesprek”.
Het hof overweegt dat de algemene ervaring leert dat Colombia een bronland is van cocaïne en dat cocaïne doorgaans in (witte) blokken wordt samengeperst en verpakt.
De verdachte reist op 7 september 2020 naar Spanje, zoals blijkt uit zijn berichten van die dag aan [medeverdachte 1] “
Net geland maat”, “
Malaga”. Hij schrijft hem die dag verder: “
Waar praten voor Bogota? Mensen komen met recente video en foto’s plus manifesten” en “
Willen het doen en brengen ook borg eventueel gelijk mee voor datums”. [medeverdachte 1] antwoordt “
Martinair beste”.
Op 10 september 2020 laat de verdachte aan [medeverdachte 1] weten: “
Mensen brengen 15k borg mee die betalen ze voor 2 datums vanaf Bogota met Martinair. Geef hun aub datums door die borg blijft 7.5 k van bij jou en 7.5k bij mijn man. Indien ze wel zetten gaat de borg netjes terug naar de zetters”.
Op 11 september 2020 schrijft de verdachte aan [medeverdachte 1] “
Zit nu met Colombianen in Madrid”, “
Voor vliegtuig verhaal willen ze 50 testen”,
Ze kunnen met bloemen sturen vanaf Bogota” en “
En van Bogota ook met ake container in de vloer 50 stuks”.
Op 12 september 2020 vraagt de verdachte aan [medeverdachte 1] hoe hij te werk gaat. [medeverdachte 1] reageert hier eerst in het Nederlands op met:
“vriend heb voorman pakt plaat direct bij het vliegtuig heb werkers binnen en driver gaat voor de scan weg”en daarna op verzoek van de verdachte in het Engels met: “
We take before the scan, when Plaine arrive than take the doorman direct the pmc to platform and bring him inside to the good port where truck bring to me full plate with net we take boxes out and bring when is red to scan I have more than 20 years my one export company flowers on the aereport”.Dit bericht stuurt de verdachte vervolgens door naar het contact in Colombia, [bijnaam 3] . Dit bericht kan niet anders worden begrepen dan als een weergave van een werkwijze waarbij kennelijk van een gangbaar patroon wordt afgeweken.
Het dossier bevat voorts gesprekken tussen de verdachte en [bijnaam 3] waarin wordt onderhandeld over aantallen kilo’s.
Op 13 september 2020 vraag [bijnaam 3] aan de verdachte wat voor stempel zijn voorkeur heeft. De verdachte stuurt een plaatje van het Coca-Cola logo terug en zegt daarbij: “
try to make it like the sign from Coca Cola would be great we would be the first and hey it’s coca”. Het hof acht het van algemene bekendheid dat cocaïne wordt gemaakt van cocabladeren. Op 22 september 2020 vindt er een gesprek plaats tussen [bijnaam 3] en de verdachte waarin wordt gesproken over het (grote) geldbedrag van € 59.982,86 voor 10 blokken, wat door de verdachte over dient te worden gemaakt naar [bijnaam 3] .
Aan de hand van de inhoud van de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten, waarvan hiervoor een selectie is opgenomen, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte heeft gecommuniceerd met onder andere [medeverdachte 1] en [bijnaam 3] over cocaïne. Voor een andersluidende uitleg heeft de verdachte, als gevolg van zijn beroep op het zwijgrecht, geen enkel aanknopingspunt geboden.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit.
In de voorgaande overwegingen heeft het hof uiteengezet dat de verdachte (in elk geval) in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 19 december 2020 als gebruiker van een cryptotelefoon met het SkyECC-account [gebruiker 2] deelnemer is geweest in berichtenverkeer over (de invoer van) cocaïne. Bij de bespreking van het subsidiair tenlastegelegde zal later in dit arrest worden overwogen dat de verdachte zich blijkens de inhoud van deze berichten, beoordeeld in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, intensief bezig heeft gehouden met de voorbereiding van de invoer van cocaïne.
Bij de beoordeling van het primair aan de verdachte ten laste gelegde feit is de vraag aan de orde of er, als resultaat van deze inspanningen, op 11 december 2020 daadwerkelijk 50 kilogram cocaïne in Nederland is ingevoerd. Het antwoord op deze vraag houdt het Openbaar Ministerie en de verdediging verdeeld. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar de in de bijlage bij het vonnis van de rechtbank gevoegde bewijsmiddelen, betoogd dat buiten redelijke twijfel staat dat genoemde hoeveelheid cocaïne binnen Nederlands grondgebied is gebracht. Volgens de raadsman daarentegen, kan een geslaagd transport op basis van de processtukken niet worden bewezen. Er is geen sprake van andere bewijsbare gevallen van voltooide invoer waarmee de verdachte in verband kan worden gebracht, waardoor een schakelconstructie aan de hand van die gevallen niet mogelijk is. Bovendien moet rekening worden gehouden met het, door de raadsman als van algemene bekendheid getypeerde feit, dat binnen het drugsmilieu oplichting veelvuldig voorkomt.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Vastgesteld kan worden dat tijdens het opsporingsonderzoek op 11 december 2020 geen hoeveelheid cocaïne daadwerkelijk is aangetroffen die met de verdachte in verband kan worden gebracht. Daarnaast kan op grond van de onderschepte SkyECC-berichten die zich in het dossier bevinden, worden vastgesteld dat de Schipholmedewerkers die in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte 1] de cocaïne uit het vliegtuig moesten halen, er niet in waren geslaagd om de cocaïne aan hem over te dragen.
Ten aanzien van de primair tenlastegelegde invoer van de cocaïne heeft de steller van de tenlastelegging blijkens het procesdossier en het requisitoir van de advocaat-generaal, het oog gehad op vlucht [vluchtnummer] , uitgevoerd door Martinair met een KLM Cargo-toestel, vanuit Bogota. Het vliegtuig was op 11 december 2020 om 23:36 uur (UTC plus 1) op Schiphol geland. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er bloemen aan boord waren, geladen op zogeheten PMC-platen. De verdenking is dat bij die bloemen cocaïne bijgeplaatst zou zijn.
Uit de processtukken kan onder meer worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] ervan uitgingen dat het op 11 december 2020 zou gaan lukken om een partij cocaïne, verstopt in enkele dozen met bloemen, per vliegtuig via Schiphol, in te voeren.
Daaraan voorafgaand hadden de verdachte en [medeverdachte 1] , gebruik makend van de SkyECC, al geruime tijd contact. Uit de berichten kan worden opgemaakt dat in de voorliggende periode een beoogd transport enkele malen is uitgesteld. De oorzaken daarvoor liepen uiteen. Op verschillende momenten lukte het [medeverdachte 1] niet om de uithalers op het juiste moment in positie te krijgen. Soms werden de transporten vanuit het bronland geannuleerd.
Uit de communicatie tussen de verdachte en [medeverdachte 1] kan verder worden opgemaakt dat de verdachte contacten had met personen in Colombia die de cocaïne heimelijk in het vliegtuig moesten plaatsen. In het bijzonder ging het om [bijnaam 3] . De verdachte liet op 10 december 2020 om 7:20 uur aan [medeverdachte 1] weten dat hij video’s had van ‘packaging en gps’. Ook deelde hij die dag om 10:04 uur mee video’s en foto’s te hebben van de dozen die door de scanner gaan, gevolgd door een bericht om 10:57 uur dat hij foto’s heeft van de voor hen bestemde dozen onder de netten. Deze lading was voorzien van een GPS-tracker, zo blijkt uit deze berichten.
In de processtukken wordt verder gerelateerd dat er videobestanden zijn aangetroffen op de telefoon van het merk Samsung die op 16 maart 2021 onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen. De bestanden op de Samsung van [medeverdachte 1] zijn gemaakt op 11 december 2020, de datum van het in de tenlastelegging bedoelde transport. De beelden lijken te zijn gemaakt met behulp van deze Samsung-telefoon van een video die op een ander telefoontoestel werd afgespeeld. Het is waarschijnlijk dat het hierbij om de beelden gaat die de verdachte had ontvangen. [medeverdachte 1] heeft hierover weinig concreet verklaard. De verdachte, die ook in hoger beroep het zwijgen toe heeft gedaan, heeft hier ook geen ander licht op geworpen.
Het hof stelt op grond van de onderschepte berichten vast dat er, buiten deze beelden, vanuit Colombia niet meer informatie is verstrekt die de zending traceerbaar zou kunnen maken, met uitzondering van de GPS-tracker. Op enig moment heeft de verdachte aan [medeverdachte 1] zelfs laten weten dat gegevens die de zending meer individualiseerbaar zouden kunnen maken, hem bewust waren onthouden omdat er iemand in Colombia niet was betaald. Er was daarom geen nummer doorgegeven van bijvoorbeeld de PMC-plaat waarop de drugs, verstopt in een bloemendoos, zouden zijn geplaatst.
Uit de processtukken blijkt voorts dat [medeverdachte 1] op 12 december 2020 door onbekend gebleven personen is bedreigd, mishandeld en bestolen van een duur horloge. Vermoed wordt dat dit verband houdt met de omstandigheid dat [medeverdachte 1] niet over de drugs beschikte en hij daarvoor verantwoordelijk werd gehouden. Ook zouden enkele, eveneens onbekend gebleven, personen naar het [bedrijf] in Heerhugowaard zijn gegaan. Dit is de locatie waar het pakket in kwestie, aan de hand van een daarop aangebrachte GPS-tracker, kon worden gelokaliseerd. Zij zijn niet binnengetreden omdat, zo vermoeden de opsporingsambtenaren, hen te weinig was betaald.
In de kern bestaan de processtukken voor wat betreft een voltooide invoer uit, al dan niet bewegende, beelden van de verschillende fasen van een proces waarin bloemendozen in een vliegtuig worden geplaatst en de gegevens van een door een pakket afgelegde route waarop een GPS-tracker was gemonteerd. Deze hebben alle een betrekkelijk aspecifiek karakter. Hoewel de communicatie via SkyECC duidelijk verband hield met het invoeren van cocaïne en de in Nederland aangekomen lading was uitgerust met een GPS-tracker, overweegt het hof dat op basis hiervan niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne bij het op 11 december 2020 verzonden pakket was geplaatst en dus in Nederland was ingevoerd. De onmiskenbaar bestendige oriëntatie van de verdachte en [medeverdachte 1] op de smokkel van cocaïne maakt dit niet anders.
Naar het oordeel van het hof kunnen ook de bedreiging en mishandeling van [medeverdachte 1] en het feit dat een ploeg naar Heerhugowaard is gestuurd naar aard en inhoud niet bijdragen aan het bewijs dat de voorgenomen invoer van de hoeveelheid cocaïne was geslaagd. Strikt genomen kan hieruit niet meer worden afgeleid dan dat er, buiten [medeverdachte 1] en de verdachte, meer personen waren die een transport verwachtten waarover zij niet de beschikking hadden gekregen. De advocaat-generaal lijkt ervan uit te gaan dat de verzenders van de cocaïne in Colombia de hand hebben gehad in die bedreiging en mishandeling. Er zijn enkele berichten door [medeverdachte 1] via SkyECC verstuurd die een aanknopingspunt voor die uitleg bieden maar zekerheid daarover biedt het dossier niet. Ook als zou worden aangenomen dat het bij de agressieve actie jegens [medeverdachte 1] ging om dezelfde hoeveelheid van 50 kilogram cocaïne, waarop de verdachte en zijn medeverdachte het oog hadden, brengt dit het hof niet dichter bij de vaststelling dat de drugs daadwerkelijk in het vliegtuig aanwezig waren.
Het hof hecht eraan op te merken dat het waarschijnlijk is dat door het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten cocaïne binnen Nederland is gebracht. Ondanks de intensiteit en uitgebreidheid van het opsporingsonderzoek is op diverse aspecten van de voorgenomen smokkel echter niet het volledige zicht verkregen. Dat betekent ook dat er mogelijk meer informatie is gedeeld door [medeverdachte 1] en de verdachte of dat zij ieder handelingen hebben verricht die niet aan het licht zijn gekomen. Maar alles in overweging nemend is het hof van oordeel dat de tenlastegelegde invoer niet bewezen is. De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Het standpunt van de raadsman dat oplichting in het drugsmilieu veelvuldig plaatsvindt (waarbij het hof ervan uitgaat dat de raadsman daarbij het oog heeft op iedereen die zich met invoer van cocaïne bezighoudt) behoeft geen bespreking.
Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir geen afzonderlijke opmerkingen gemaakt over het subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft geen specifiek, hierop toegesneden, verweer gevoerd. Het hof overweegt hierover als volgt.
De inhoud van de bewijsmiddelen
In de bijlage waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen, bevindt zich de inhoud van een groot aantal berichten die de verdachte heeft verzonden respectievelijk ontvangen met zijn cryptotelefoon met daarop SkyECC. Het account dat aan hem is toegeschreven luidt, zoals hiervoor reeds vermeld, [gebruiker 2] . De gebruikersnaam van dit account was [bijnaam 2] . Ook [medeverdachte 1] , met wie hij veel in contact was, had zo’n telefoon. Deze iPhone 7, met SkyECC-account [gebruiker 1] en gebruikersnaam [bijnaam 1] , is op 16 maart 2021 onder [medeverdachte 1] in beslag genomen. Het berichtenverkeer tussen de verdachte en [medeverdachte 1] strekt zich uit over de periode 19 augustus 2020 tot en met 19 december 2020. Daarnaast is het contact dat de verdachte en [medeverdachte 1] hadden met [bijnaam 3] in Colombia van belang. Zij namen, samen met enkele anderen, deel aan de groepschat [nummer 2] via SkyECC. De verdachte en [medeverdachte 1] namen daarnaast ook deel aan de, voor het bewijs relevante, groepschat [nummer 3] .
De berichten in de chats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] houden onder meer in dat de verdachte op 23 augustus 2020 naar Spanje gaat. Er wordt informatie over prijzen voor ‘collo’ gedeeld. Het hof neemt op de pagina’s 2135 en 2136 van dossiermap E 04 waar dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte op 24 augustus 2020 foto’s stuurt van witte blokken met daaraan toegevoegd getallen, die niet anders kunnen worden begrepen dan als prijzen voor een kilo cocaïne. Deze berichten zijn weliswaar een week vóór de pleegperiode verzonden maar zijn niettemin van belang voor de bewijsvoering.
De verdachte geeft aan contacten te hebben met een Colombiaan die ‘vanaf Bogota kan vullen’ en die hem in Madrid video’s kan laten zien. Er wordt gesproken over borg, minimale hoeveelheden en percentages waarin ‘meegelopen’ moet worden. Er moeten data worden geregeld. Ook gaat het over ‘verwerken’ in de bodem van een container en het leeghalen daarvan. Diverse berichten gaan over de locatie van zendingen in een vliegtuig, het pakken van platen en het passeren van de scan. Het gaat ook over de ‘mensen’ van [medeverdachte 1] en over de dagen waarop zij werken dan wel verhinderd zijn. De verdachte uit in de loop van november 2020 zijn ontevredenheid daarover (‘telkens niet compleet’). De verdachte voert de druk richting [medeverdachte 1] op en zegt dat hij, de verdachte, al veel geld heeft geïnvesteerd. In de eerste helft van december 2020 gaan de berichten onder meer over de vraag of een vlucht van Martinair is gecanceld of vertraagd en over de mogelijke gevolgen daarvan voor dat zogenoemde zetten en uithalen. Ook moet er blijkens diverse berichten een ‘deur’ (het hof begrijpt: een persoon die, gelet op de context van de overige berichten, verantwoordelijk is voor het uithalen van de cocaïne) worden betaald door [medeverdachte 1] . Regelmatig worden termen als ‘zetten’ en ‘uithalen’ gebruikt.
In de groepschats [nummer 2] en [nummer 3] , waaraan de verdachte met onder meer [medeverdachte 1] deelgenomen heeft, zijn berichten gedeeld met de volgende inhoud. Er wordt gesproken over de PMC’s (platen), de gewenste plaatsing van de dozen in het vliegtuig en de markering met een sticker. Ook wordt informatie uitgewisseld over de luchtvaartmaatschappijen en de dagen waarop zij vliegen. Gebruikmaking van vluchten van Martinair is het veiligst en voelt het best, wordt gezegd. Er wordt ook besproken of en in welke mate een tussenstop in Miami een risico is. Het hof neemt waar dat in de groepschat [nummer 2] op 13 september 2020 rond 13:08 uur foto’s worden gedeeld door de deelnemer [gebruiker 3] met daarop afbeeldingen van vracht op een plaat in netten. [1] Ook gaat het over betaling van een bedrag van ‘60k’ namens de verdachte, waarvoor een token (het hof begrijpt: een voorwerp waarmee de ontvanger zich kenbaar maakt) aanwezig moet zijn. Verder komen onderwerpen aan de orde die ook in het 1 op 1-contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] zijn besproken, zoals de beschikbaarheid van de ‘workers’. De verdachte informeert de andere deelnemers regelmatig over de beschikbaarheid van het team dat [medeverdachte 1] paraat moet hebben aan Nederlandse zijde. Soms loopt de spanning tussen de deelnemers op. De verdachte probeert dan de rust te herstellen. Uit de berichten in de groepschat [nummer 3] van 12 december 2020 en de dagen erna blijkt dat er wordt gezocht naar een partij die niet is aangetroffen. De deelnemers laten weten dat [bijnaam 2] erbij betrokken moet worden.
Men blijkt op verschillende momenten in de onderzochte periode klaar te staan om een transport uit te voeren. Ook wordt gesproken over het vooruitzicht dat spoedig tweemaal per week kan worden gewerkt.
De verdachte communiceert ook met [betrokkene] via SkyECC. Zij hebben contact over de luchthaven van Bogota. Daar is 24/7 controle. Er moeten video’s worden gestuurd waarop te zien is dat iemand door de platen loopt en de dozen in beeld brengt. In een bericht van 1 oktober 2020 aan de verdachte is [betrokkene] zodanig expliciet dat het niet anders kan dan dat hij over de smokkel van cocaïne spreekt. In het bericht worden drie methoden genoemd, te weten impregneren, het plaatsen van poeder in de zijkanten van dozen en het zetten van ‘blokken’. [betrokkene] was aanwezig in de omgeving van Schiphol op het moment dat de vlucht uit Bogota op 11 december 2020 arriveerde, nadat daarover met diverse personen via SkyECC veelvuldig overleg was geweest. Ook hij spreekt blijkens de voor het bewijs gebruikte berichten met de verdachte over die vlucht. Die inhoud van die berichten typeert ook de verhulde intenties van de verdachte met dat transport. Hij zegt immers tegen [betrokkene] om 23:06 uur (UTC) dat de GPS-tracker direct kapot gemaakt moet worden. Uit de daaropvolgende berichten blijkt dat de verdachte weet waar de tracker is geplaatst, dat hij waarschuwt voor anderen die de onderschepping van de drugs kunnen verstoren en dat hij instructies geeft over hoe te handelen. Na 11 december 2020 is er ook nog berichtenverkeer tussen de verdachte en [betrokkene] . Sommige berichten acht het hof redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereiding van invoer van cocaïne in de ten laste gelegde periode. Het hof begrijpt dat de berichten die de verdachte op 12 en 14 december 2020 stuurt naar [betrokkene] betrekking hebben op de partij die op 11 december 2020 werd verwacht. Uit die berichten blijkt dat de verdachte financieel belang heeft bij het transport en dat hij aanwijzingen geeft.
Een ander contact van de verdachte via SkyECC is de persoon met het account [gebruiker 4] . Diens gebruikersnaam is [bijnaam 4] . Zijn identiteit is tijdens het opsporingsonderzoek onbekend gebleven. De verdachte deelt met [bijnaam 4] de accountgegevens van [medeverdachte 1] . De verdachte stuurt berichten van [medeverdachte 1] door naar [bijnaam 4] . Ook aan dit contact laat de verdachte weten dat hij in Malaga is op 6 september 2020 en dat hij in Madrid een Colombiaan zal ontmoeten. De verdachte stuurt op 13 september 2020, zo neemt het hof waar, foto’s van dozen op een plaat in netten. [2] Ook in de berichten die de verdachte aan [bijnaam 4] stuurt wordt melding gemaakt van ‘meelopen’ voor een bepaald percentage, een transport en ruimte voor 25 kilo de eerste keer. Kennelijk vanwege de vereiste voorzichtigheid instrueert de verdachte zijn contact dat hij met een prepaid toestel moet bellen dat hij daarna moet weggooien. Ook stuurt hij het adres van de loods van [medeverdachte 1] door, hetgeen ook bevestiging biedt voor het feit dat hij een contact van hem is.
Aanvullend bewijs voor de conclusie dat het hier om voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne gaat ontleent het hof aan de berichten die [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven persoon met het SkyECC-account [gebruiker 5] wisselt. Ook met deze persoon heeft [medeverdachte 1] contact over vrachtvluchten vanuit onder meer Zuid-Amerika. Nadat het transport van 11 december 2020 niet tot het voor [medeverdachte 1] en de verdachte gewenste resultaat had geleid, stuurt [medeverdachte 1] op 13 december 2020 diverse foto’s van lading, onder meer in de romp van een vliegtuig [3] , en berichten die hierop betrekking hebben. De inhoud van de berichten is opgenomen in de bewijsmiddelen. Uit de berichten blijkt dat gebruik wordt gemaakt van bloemendozen. De voor- en nadelen van PMC-platen en AKE-containers en de mogelijkheden voor werken met verschillende luchtvaartmaatschappijen komen aan de orde. Ook blijkt uit verschillende berichten dat men voorzichtig te werk wil gaan en er wordt gesproken over een testzending.
De verdachte is verder, blijkens de beelden die zijn vastgelegd met een observatiecamera, enkele malen aanwezig geweest in de loods van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] .
De rol van de verdachte
Voorgaande overwegingen, die betrekking hebben op de inhoud van de bewijsmiddelen, leveren het volgende beeld op van de activiteiten van de verdachte.
De verdachte onderhield contact met personen die cocaïne verstoppen in partijen vracht die per vliegtuig vanuit Colombia naar Nederland worden gestuurd dan wel de plaatsing van die cocaïne aansturen. Het gaat om personen die zich waarschijnlijk in het bronland bevinden. Ook ontmoette hij één of meer van die personen, in elk geval in Spanje.
De verdachte was actief in het geven van instructies over de te volgen handelwijze bij het plaatsen van de cocaïne en het zogeheten uithalen ervan op Schiphol. Hij toonde op tal van momenten interesse voor de manier waarop in dit verband te werk kan worden gegaan. Ook maande hij zijn contactpersonen tot voorzichtigheid in, onder meer, de telecommunicatie. Het belang van die voorzichtigheid blijkt ook uit het gebruik van SkyECC, dat veel binnen het criminele milieu werd gebruikt en waarvan bekend is dat onderschepping van het berichtenverkeer op min of meer klassieke wijze onmogelijk is.
De verdachte regelde dat data waarop transport kon plaatsvinden werden afgesproken en doorgegeven. Hij verzamelde en deelde informatie over vluchten, vliegtijden, beschikbare ruimte en de momenten waarop er gelegenheid en capaciteit aanwezig was om de cocaïne uit het toestel te halen. Er is in het geheel niet gebleken dat de verdachte op reguliere wijze contact onderhield met leveranciers van te importeren goederen, luchtvaartmaatschappijen, afhandelaars van vracht of transporteurs.
De verdachte bracht daarnaast personen met elkaar in contact met het oog op de heimelijke invoer van cocaïne door de lucht. Onder meer door hen in groepschats te betrekken en contactgegevens en adressen door te geven. Tot slot investeerde de verdachte aanzienlijke geldbedragen in de transporten, zo deelt hij mee aan zijn gesprekspartners.
De verdachte heeft zich telkens beroepen op zijn zwijgrecht. Ook na vragen van het hof, waarbij hij erop is gewezen dat het hof conclusies kan verbinden aan de resultaten van opsporing die hij door deze proceshouding niet kan beïnvloeden, heeft de verdachte hierin geen enkele wijziging gebracht. Het hof trekt in het licht van al het voorgaande de conclusie dat de verdachte zich in de ten laste gelegde pleegperiode intensief heeft beziggehouden met de voorbereiding van de invoer van cocaïne.
Medeplegen
De inhoud van de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de verdachte zelf de delictsomschrijving van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet heeft vervuld. Hij heeft dit feit samen en in vereniging met anderen, onder wie [medeverdachte 1] , [betrokkene] , de onbekend gebleven uithalers en zijn counterpart(s) in Colombia gepleegd. Dit betekent dat ook het ten laste gelegde medeplegen is bewezen.
Slotconclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne heeft gepleegd, zoals subsidiair aan hem ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 11 december 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne), voor te bereiden en te bevorderen:
- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en om hem daarbij behulpzaam te zijn en
- zich en anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen en
- voorwerpen en betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit
immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk
- via telecommunicatie en fysieke ontmoetingen informatie verstuurd en ontvangen en uitgewisseld en overlegd en afspraken gemaakt met betrekking tot het invoeren en vervoeren van grote handelshoeveelheden verdovende middelen en bloemen als deklading en dozen met verdovende middelen die in een zending bloemen geplaatst moesten worden en over de hoeveelheid te versturen verdovende middelen en prijzen en borg en over de beste plaats om voornoemde middelen te verstoppen en over het regelen van Schipholmedewerkers die de verdovende middelen op de luchthaven Schiphol uit de zending konden weghalen en
- foto’s en video’s over de te verzenden lading verdovende middelen laten maken en uitgewisseld en vertoond en
- telefoons voorhanden gehad, waaronder telefoons met de applicatie SkyECC.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn en zich of een ander daartoe inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de verdachte voor de primair tenlastegelegde invoer van 50 kilo cocaïne een gevangenisstraf voor de duur van 70 maanden, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd.
De verdediging heeft bij bewezenverklaring verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft. Voorts is naar voren gebracht dat de eis, in vergelijking tot soortgelijke zaken, buitenproportioneel is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is in een periode van zo’n drie-en-een-halve maand intensief bezig geweest met de voorbereiding van de invoer van cocaïne in Nederland. Hij had rechtstreeks contact met de verzender van de cocaïne in Colombia. De verdachte had een coördinerende rol rondom het geplande transport van 11 december 2020 en had hieraan voorafgaand gesprekken met de verzender en de afnemers. Ook onderhield hij contact met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] over onder meer de betaling van de borg voor Schipholmedewerkers die de cocaïne uit de lading moesten halen. De verdachte heeft verder een bedrag van ongeveer € 60.000,00 overgemaakt naar Colombia voor de aankoop van een deel van de 50 kilo te smokkelen cocaïne. Daarnaast is de verdachte op uiteenlopende wijzen bezig geweest met het delen van informatie over geschikte methoden van sluikhandel en met het bespreken van de uitvoerbaarheid ervan.
De voorbereidingshandelingen die de verdachte heeft verricht zijn naar het oordeel van het hof van dien aard dat ze in tijd en wat betreft reeds gezette stappen zeer dicht zijn gelegen tegen handelingen die verband houden met de invoer zelf. De verdachte kan onder meer worden beschouwd als de opdrachtgever van een transport verdovende middelen dat op 11 december 2020 op Schiphol had moeten binnenkomen, maar door omstandigheden, mogelijk gelegen buiten de invloedssfeer en de wil van de verdachte, zijn de drugs niet in handen van de verdachte of zijn mededaders gekomen. Er is kortom sprake geweest van verregaande voorbereidingshandelingen.
Internationale drugstransporten maar ook de voorbereidingen daarvan zijn ernstige misdrijven. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit en vormen op die manier een bron van ondermijning van het maatschappelijk en economisch leven en van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen.
De verdachte is zowel bij de politie, als bij de rechtbank en het hof geconfronteerd met belastend bewijsmateriaal. Bij al deze instanties heeft hij er tot het laatst toe in grote lijnen voor gekozen geen antwoord te geven op vragen. Alhoewel gebruikmaking van het zwijgrecht een goed recht is van de verdachte, baart deze opstelling het hof zorgen gelet op het vele bewijsmateriaal en zijn, op het oog, centrale positie in het geheel. De verdachte heeft overduidelijk geen verantwoordelijkheid willen nemen voor het strafbare feit. Dit afgezet tegenover de grote rol die de verdachte had ten aanzien van dit strafbare feit en zijn directe contacten met leveranciers, blijft er een zweem van georganiseerde criminaliteit om hem heen hangen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij zijn leven goed op de rit heeft en geen criminele contacten (meer) heeft. Dit neemt het hof voor kennisgeving aan. De proceshouding van de verdachte komt bij het hof niettemin zeer berekenend over. Deze proceshouding weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Gelet op al het voorgaande, maar met name gelet op de ernst van het feit en het ondermijnende karakter ervan is het hof van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het gaat immers om een relatief langere periode van voorbereidingshandelingen en de rol van de verdachte als opdrachtgever was in alle fasen essentieel en noodzakelijk om het doel te bereiken. De straf is lager dan de rechtbank de verdachte heeft opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, omdat het hof -anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal- komt tot bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen, in plaats van de voltooide invoer.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Gelet op al het hiervoor overwogene acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden in beginsel passend en geboden.
In deze zaak is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg. Op 1 februari 2022 is de verdachte aangehouden. Hij heeft aansluitend voorarrest ondergaan. De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst op 30 juni 2022. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 28 juni 2024.
Dit betekent dat in eerste aanleg de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen 24 maanden en een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden van bijna 5 maanden. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Alles afwegende komt het hof in plaats van de geïndiceerde strafoplegging van 24 maanden tot de oplegging van 22 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
22 (tweeëntwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. R.M. Steinhaus en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2026.

Voetnoten

1.[…]
2.[…]
3.[…]