Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:330

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.357.910
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:672 BWArt. 7:681 BWArt. 7:683 BWArt. 7:686a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontslag op staande voet wegens vermeend misbruik leaseauto en tankpas

De werknemer werd op staande voet ontslagen wegens vermeend oneigenlijk gebruik van een leaseauto en tankpas. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was, maar het hof vernietigt deze beslissing. Het hof stelt vast dat de verwijten feitelijk ongegrond zijn en geen dringende reden vormen voor ontslag op staande voet.

Het geschil draaide om het gebruik van de tankpas en leaseauto, waarbij de werknemer arbeidsongeschikt was en er tankbeurten werden geregistreerd. Het hof concludeert dat de werknemer niet verplicht is verantwoording af te leggen over het aantal gereden kilometers binnen het overeengekomen jaarkilometrage en dat het gebruik door een familielid onder de bijzondere omstandigheden geen dringende reden oplevert.

Het hof wijst de verzoeken van de werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen toe. Tevens veroordeelt het hof de werkgever in de proceskosten. Het voorwaardelijk incidenteel appel van de werkgever wordt niet behandeld omdat de voorwaarde niet is vervuld.

Uitkomst: Het hof vernietigt het ontslag op staande voet en veroordeelt de werkgever tot betaling van diverse vergoedingen aan de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.357.910/01
zaaknummer rechtbank : 11502360 EA VERZ 25-49
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
inzake
[appellante],
wonende te [plaats 1] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Ö. Sahin te Rijswijk,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. de Jong te Leiden.
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft [appellante] op staande voet ontslagen omdat hij de door [geïntimeerde] aan hem ter beschikking gestelde leaseauto en de bijbehorende tankpas op oneigenlijke en onaanvaardbare wijze zou hebben gebruikt en laten gebruiken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en heeft de verzoeken van [appellante] afgewezen. Het hof komt tot het oordeel dat de verweten gedragingen feitelijk ongegrond zijn en geen dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. Het hof wijst het verzoek om een billijke vergoeding toe.

2.Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij beroepschrift van 8 augustus 2025, ontvangen ter griffie van het hof op 8 augustus 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 9 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 10 november 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens houdend voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties, van [geïntimeerde] ingekomen.
Op 2 december 2025 is ter griffie van het hof van de zijde van [appellante] een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingekomen. Op dezelfde datum heeft [appellante] een aantal nadere producties ingediend.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 10 december 2025 laten toelichten, [appellante] door mr. Sahin en [geïntimeerde] door mr. De Jong. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
[appellante] heeft in hoger beroep verzocht dat het hof (zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, (waar het hof leest: zal beslissen) conform de vorderingen in het verzoekschrift in eerste aanleg; en aanvullend [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, te voldoen (naar het hof begrijpt) binnen een week na dagtekening van de beschikking, althans binnen twee dagen na betekening van de beschikking en (voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof leest verzoek- en beroepschrift - na intrekking van het primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet - zo dat thans nog ter beslissing voorliggen de navolgende verzoeken van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:
een billijke vergoeding van € 80.000,- (bruto) met rente;
de wettelijke transitievergoeding van € 40.399,66 (bruto), met rente;
de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, met rente;
e vergoeding wegens opgebouwde, niet genoten vakantiedagen, met eindafrekening;
de proceskosten in twee instanties, met rente, en de buitengerechtelijke incassokosten.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] , althans tot bekrachtiging van de bestreden beschikking en afwijzing van de verzoeken van [appellante] . In voorwaardelijk (namelijk voor het geval het hof de arbeidsovereenkomst zou herstellen of [geïntimeerde] tot herstel zou veroordelen) incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn zal ontbinden (het hof leest: een einddatum zal bepalen), primair op grond van wanprestatie, subsidiair op grond van verwijtbaar handelen, meer subsidiair op grond van (het hof leest: ernstig en duurzaam) verstoorde verhoudingen en uiterst subsidiair op grond van een combinatie van gronden (de i-grond), met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg, in principaal en in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. Ter zitting heeft [geïntimeerde] haar bewijsaanbod herhaald en uitgebreid.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 1.1. t/m 1.18. van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] exploiteert een groothandel in bloemen op de bloemenveiling te [plaats 3] .
3.2.
[appellante] , geboren op [datum] , is per 1 februari 2004 voor [geïntimeerde] gaan werken via een uitzendbureau. In februari 2005 is hij krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij [geïntimeerde] . Weliswaar heeft [appellante] 1 februari 2003 als datum indiensttreding gesteld (onder verwijzing naar de door hem bijgevoegde arbeidsovereenkomst, die 1 februari 2005 als startdatum vermeldt) en heeft de kantonrechter die eerste datum overgenomen, zonder expliciet op het daartegen gerichte verweer van [geïntimeerde] te beslissen, maar [geïntimeerde] heeft haar verweer (als impliciete grief) in hoger beroep herhaald, zonder dat [appellante] daar op enig moment voldoende concreet op is ingegaan. De enkele verwijzing naar een opgave van het UWV (productie 10 in eerste aanleg) van de verzekerde jaren van [appellante] is daartoe onvoldoende. De laatste functie die [appellante] bij [geïntimeerde] vervulde is die van logistic manager, met een salaris van € 4.477,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een bonus.
3.3.
In februari 2014 heeft [geïntimeerde] [appellante] een leaseauto (een Renault Clio, kenteken [# 1] ) ter beschikking gesteld. [appellante] heeft van [bedrijf 1] , het autoleasebedrijf, ook een brandstofpas (hierna: de tankpas) gekregen. Bij die gelegenheid heeft [appellante] een “Autoregeling” (hierna: de leaseautoregeling) ondertekend, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:
“2.3 Beperkingen gebruik
De werknemer mag de auto uitsluitend laten besturen door een van zijn directe gezinsleden of een collega. Voorwaarde is dat dit incidenteel gebeurt en dat de bestuurder beschikt over een geldig rijbewijs. (…)
5.7
Brandstof
[bedrijf 1] verstrekt een brandstofpas. Daarmee kan de werknemer op rekening van [bedrijf 1] brandstof tanken. De werknemer dient altijd de kilometerstand op te geven. De brandstofpas mag alleen gebruikt worden voor het betalen van brandstof(fen) voor de leaseauto en een (eventuele) vervangende auto. (…)”
3.4.
In 2017 en 2018 heeft [appellante] op verzoek van [geïntimeerde] zijn leaseauto uitgeleend aan zijn leidinggevende, [geïntimeerde] .
3.5.
Vanaf 29 oktober 2020 reed [appellante] in een nieuwe, door [bedrijf 1] namens [geïntimeerde] aan hem ter beschikking gestelde leaseauto (een Renault Captur, kenteken [# 2] ). Het jaarkilometrage is daarbij verhoogd van 20.000 naar 25.000. [appellante] betaalt maandelijks een fiscale bijtelling van € 550,09 in verband met zijn privégebruik van de leaseauto. De leaseauto van [appellante] rijdt op benzine. De tankinhoud van de leaseauto is 48 liter.
3.6.
In mei 2024 is er met de tankpas van [appellante] voor een bedrag van € 526,39 (255,21 liter) getankt en in september 2024 is er met de tankpas van [appellante] voor een bedrag van € 445,96 getankt (237,63 liter). Op 10 oktober 2024 is er bij de [bedrijf 2] met de tankpas van [appellante] 40 liter diesel afgerekend.
3.7.
Vanaf 21 oktober 2024 is [appellante] arbeidsongeschikt in verband met rugklachten. Hij heeft een dubbele hernia.
3.8.
Op 2 november 2024 is met de tankpas van [appellante] getankt in [gemeente] .
3.9.
Op 6 november 2024 heeft [naam 1] , één van de eigenaren van [geïntimeerde] , de leaseauto van [appellante] gezien op het terrein van een bloemenbeurs in [plaats 4] . [naam 1] heeft over het voorval de volgende, op 10 januari 2025 gedateerde, verklaring afgelegd:
“Bij deze verklaar ik, [naam 1] dat ik op woensdag 6 november 2024 te [plaats 4] op het parkeerterrein van de [plaats 5] , waar die week de Internationale bloemenbeurs (IFTF) werd gehouden, een Renault Capture met kenteken [# 2] heb waargenomen. Ik heb eveneens waargenomen dat drie personen van arabische afkomst gebruikt maakten van de betreffende auto. Aangezien deze auto door ons ter beschikking is gesteld aan onze, op dat moment zieke medewerker dhr. [appellante] , heb ik foto’s van de betreffende auto gemaakt.”.
3.10.
In november 2024 is vier keer met de tankpas van [appellante] getankt, in totaal 114,52 liter, namelijk op 2, 4, 7 en 23 november.
3.11.
Partijen hebben op 13 december 2024 het plan van aanpak (in verband met de arbeidsongeschiktheid van [appellante] ) opgesteld en ondertekend. Omdat [appellante] op 3 december 2024 aan [geïntimeerde] te kennen had gegeven niet op 4 of 5 december 2024 naar de vestiging van [geïntimeerde] te kunnen reizen om te overleggen over een plan van aanpak, is [geïntimeerde] daarvoor op 13 december 2024 naar een buurthuis in [plaats 1] gekomen.
3.12.
Bij e-mail van 16 december 2024 heeft [geïntimeerde] de maandcijfers van november 2024 rondgestuurd aan het management van [geïntimeerde] , ten behoeve van het managementoverleg op 18 december 2024.
3.13.
Op 19 december 2024 heeft [naam 2] (toenmalig eigenaar van [geïntimeerde] ) [appellante] het volgende WhatsApp-bericht gestuurd:
“Hi [appellante] , kunnen we maandagochtend rond 9:00 uur even bellen? Het lijkt mij een goed idee om op deze manier elkaar op de hoogte te houden. (…)”
3.14.
Daarop reageerde [appellante] op dezelfde dag met het bericht:
“Dank voor je bericht. Maandagochtend om 9:00 uur bellen komt goed uit. Ik spreek je dan!”
3.15.
Op 23 december 2024 vond een telefoongesprek plaats tussen [appellante] en [geïntimeerde] . Bij brief van dezelfde dag (abusievelijk gedateerd op 19 december 2024) heeft [geïntimeerde] [appellante] voorwaardelijk op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat voor zover van belang het volgende:
“Beste [appellante] ,
Afgelopen dinsdag 17 december 2024, nam ik kennis van de factuur van MKB-brandstof. Daaruit blijkt dat er in de maand november vier keer is getankt met jouw tankpas, te weten op 2 november, 4 november, 7 november en 23 november. Dit trok mijn aandacht, omdat je sinds 21 oktober jl. ziek bent en ons hebt laten weten veel pijn te hebben; teveel zelfs om naar de zaak te komen ter bespreking van het Plan van Aanpak.
Op 11 november 2024 stuurde je [naam 2][ [naam 2] , hof]
een WhatsApp bericht waarin je schreef: “Hi [naam 2] , Dank je voor je bericht. Helaas kan ik morgen of donderdag niet naar [geïntimeerde] komen. Ik heb momenteel veel last van een hernia en ervaar ernstige pijn, waardoor het voor mij niet mogelijk is om naar het werk te gaan. Ik moet zelfs met een kruk lopen om mij te ondersteunen.”
En: “Helaas is het voor mij op dit moment echt niet mogelijk om naar [geïntimeerde] te komen. Naast de pijn die ik ervaar, krijg ik ook veel stress van het moeten lopen met krukken om naar het werk te komen. Dit maakt het voor mij extra zwaar om buitenshuis afspraken bij te wonen.”
Deze berichten zijn niet te rijmen met het feit dat er in november 2024 zoveel is getankt met jouw tankpas. In totaal is er in november 111,52 liter getankt; genoeg om 1.500 tot 2.000 km te kunnen rijden.
Dit heeft mij ertoe gebracht ook voorgaande facturen eens kritisch te bekijken. Daarbij is duidelijk geworden dat er al eerde sprake is geweest van een onverklaarbaar hoog gebruik van jouw tankpas. Zo is er in september in totaal acht keer getankt met jouw pas voor in totaal € 445,96!
In september was jij 5 dagen per week voor ons aan het werk in [plaats 3] . De reisafstand van jouw huis naar ons bedrijf is ongeveer 24 kilometer retour. Je hebt die maand dus ongeveer 21 x 24 = 504 kilometer gereden voor woon-werkverkeer. Maar het aantal getankte liters past bij een geschat aantal kilometers van tussen de 3.000 en 3.950 kilometer!
Naar nu blijkt is er in mei 2024 zelfs voor € 526,- getankt, waarbij in totaal 245,21 liter is getankt, genoeg voor tussen de 3.500 en 4.500 kilometer.
[naam 2] en [naam 3] hebben op vrijdag 20 december 2024 een belafspraak met je gemaakt voor vandaag, maandag 23 december 2024. In dat gesprek van vanmorgen heb je aangegeven dat het met niet veel beter gaat met je gezondheid en je nog steeds veel moeite hebt met lopen. Gevraagd naar het gebruik van jouw tankpas, liet je weten dat jouw neef zou hebben getankt met jouw tankpas omdat hij met jouw vrouw in jouw auto een aantal malen boodschappen heeft gedaan nu je daartoe zelf niet in staat bent.
Wij menen dat hiermee door jou geen aannemelijke en geen acceptabele verklaring is gegeven voor het feit dat in november viermaal is getankt met jouw tankpas, in totaal 111,52 liter; genoeg om 1.500 tot 2.000 km te kunnen rijden. Dit terwijl jij volledig arbeidsongeschikt was en tot vrijwel niets in staat.
Bovendien staat hiermee vast dat je de tankpas en bijbehorende pincode aan een derde (jouw neef) hebt verstrekt en dat je jouw neef in jouw auto hebt laten rijden, terwijl dat niet toegestaan is.
Voor de extreme hoeveelheid brandstof die in eerdere maanden is getankt met jouw tankpas is er (ook) geen verklaring.
Uit de ons thans bekend zijnde feiten kunnen wij niet anders concluderen dan dat jij de jou beschikbaar gestelde tankpas op oneigenlijke en onaanvaardbare wijze hebt gebruikt of hebt laten gebruiken, ten koste van onze onderneming. De tankpas die jou is verstrekt in combinatie met jouw leaseauto. Ook heb je de leaseauto door een onbevoegde laten besturen.
Bovengenoemde feiten vormen, zowel ieder voor zich als tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, een dringende reden voor de onmiddellijke beëindiging van jouw dienstverband. (…)”
3.16.
Het ontslag op staande voet is verleend voor het geval dat [appellante] de aangeboden vaststellingsovereenkomst niet accepteert, dan wel deze binnen de bedenktermijn ontbindt. [appellante] heeft de vaststellingsovereenkomst niet geaccepteerd, waardoor het gegeven ontslag op staande voet onvoorwaardelijk is geworden.
3.17.
Op 6 november 2025 heeft [naam 4] , voormalig kassamedewerker bij [bedrijf 2] , een schriftelijke verklaring (voorzien van een kopie van zijn identiteitsbewijs) afgelegd waarin, voor zover van belang, het volgende staat:
“Op 10 oktober 2024, omstreeks 7:00 uur, heft zich bij het tankstation [bedrijf 2] een vergissing voorgedaan bij het afrekenen. Een klant heeft aan de kassa per ongeluk een verkeerd pompnummer doorgegeven, waardoor de heer [appellante] de verkeerde tankbeurt heeft afgerekend. Dergelijke misverstanden komen helaas af en toe voor op ons tankstation, mede vanwege het grote aantal klanten dat wij dagelijks bedienen. In dit specifieke geval betrof het een onbedoelde vergissing, zonder enige kwade opzet. Ter bevestiging is een kopie van mijn identiteitsbewijs als bijlage toegevoegd. (…)”
3.18.
Op 7 november 2025 heeft [naam 5] een schriftelijke verklaring afgelegd waarin, voor zover van belang, het volgende staat:
“Op 6 november 2024 ben ik naar de bloemenbeurs in [plaats 4] geweest. Daar heb ik de neef van [appellante] gezien, en hij vertelde mij dat [appellante] in de auto zat. Ik ben naar hem toe gegaan om hem te begroeten. Ik ken [appellante] goed, omdat wij ongeveer drie jaar samen hebben gewerkt bij [geïntimeerde] . (…)”
3.19.
Bij ongedateerde en ongetekende brief heeft [naam 6] het volgende verklaard:
“Bij deze stuur ik u een verklaring met betrekking tot de heer [appellante] .
Op 10 oktober 2024 rond 07:00 uur is er bij [bedrijf 2] per ongeluk een verkeerde pomp afgerekend. De klant gaf aan de kassa een foutief pompnummer door, wat ertoe leidde dat meneer [appellante] de verkeerde tankbeurt betaalde. Dergelijke vergissingen komen helaas vaker voor op ons tankstation, gezien de grootte en het aantal klanten dat we dagelijks bedienen. Ik, ondergetekende [naam 6] , verklaar hierbij dat dit soort fouten regelmatig voorkomen en bevestig dat het in dit geval een onbedoelde vergissing betrof. (…)”
3.20.
De brief van [naam 6] is voorzien van een kopie van diens rijbewijs en een foto van [naam 6] waarop hij een uniform draagt met daarop de woorden “ [bedrijf 2] ” geborduurd.

4.Eerste Aanleg

4.1.
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat [geïntimeerde] eerder dan 17 december 2024 kennis heeft genomen van de factuur over en het tankgedrag van [appellante] in de maand november 2024, en dat [geïntimeerde] daarna nog korte tijd gegund mocht worden om nader onderzoek te doen. Gelet daarop is het ontslag op 23 december 2024 naar het oordeel van de kantonrechter onverwijld gegeven. De kantonrechter overweegt dat de leaseautoregeling uit 2014 van toepassing is gebleven en dat [appellante] die regeling heeft overtreden door zijn neef meerdere keren in de auto te laten rijden en hem de tankpas met pincode te laten gebruiken. Oneigenlijk (en daarmee ernstig verwijtbaar) gebruik van de tankpas is ook aan de orde als de werknemer om wie het gaat geen behoorlijke verantwoording kan afleggen over het gebruik van de pas. Dat is hier naar het oordeel van de kantonrechter het geval, omdat het verhaal van [appellante] aangaande november 2024 niet klopt. De verklaring van [appellante] verklaart het aantal gereden kilometers geenszins. Zijn verklaring op de mondelinge behandeling dat hij naar Duitsland heen en weer is gereden in november is door de kantonrechter ongeloofwaardig geacht. Ook voor het aantal kilometers in mei en september heeft [appellante] naar het oordeel van de kantonrechter geen afdoende verklaring gegeven. De voorvallen op 10 oktober en op 2 en 6 november 2024 zijn meegewogen bij de vraag of sprake is van een dringende reden, ook al zijn zij niet in de ontslagbrief genoemd. De verklaring van [naam 6] (opgenomen onder 3.19. van deze beschikking) heeft de kantonrechter als niet geloofwaardig beoordeeld. De kantonrechter heeft betwijfeld dat [appellante] met een dubbele hernia 160 kilometer (naar [gemeente] en terug) kon rijden en overwogen dat [appellante] blijkens de foto’s van 6 november 2024 niet in de auto zat, terwijl hij wel heeft verklaard steeds in de auto te zijn gebleven. De conclusie dat [appellante] op deze dagen de auto door een derde heeft laten besturen, is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd. [appellante] heeft dus excessief en oneigenlijk gebruik van de tankpas gemaakt en in elk geval de neef in de leaseauto laten rijden en gebruik laten maken van de tankpas met pincode. Hij heeft geen verklaring voor de gereden kilometers gegeven. Het bovenstaande levert naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst met hem onmiddellijk te beëindigen. De persoonlijke omstandigheden van [appellante] maken dit niet anders. Het gegeven ontslag op staande voet is in stand gelaten. De transitievergoeding is niet verschuldigd omdat [appellante] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ook de billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding zijn daarom afgewezen. [geïntimeerde] heeft [appellante] een eindafrekening per 23 december 2024 verstrekt zodat ook dit onderdeel van het verzoek is afgewezen. De kantonrechter heeft alle verzoeken van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad. Aan het voorwaardelijk tegenverzoek van [geïntimeerde] is de kantonrechter niet toegekomen, omdat de voorwaarde zich niet voordoet.

5.Beoordeling

5.1.
[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. [geïntimeerde] heeft de grieven in principaal appel bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, voor het geval het hof tot herstel van de arbeidsovereenkomst zou beslissen. [appellante] heeft zich verzet tegen het (als voorwaardelijk incidenteel appel aangemerkte) voorwaardelijke tegenverzoek van [geïntimeerde] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Principaal appel
5.2.
Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] luidt dat het petitum in hoger beroep onherstelbare gebreken bevat. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] in hoger beroep geen voor toewijzing vatbare verzoeken ingediend, met uitzondering van het verzoek de beschikking in eerste aanleg te vernietigen en [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen. Het hof verwerpt dit verweer. De rechter is gehouden de gedingstukken welwillend en onbekrompen te lezen. Dit geldt te meer voor de appelrechter als laatste feitelijke instantie. Hoewel het petitum van [appellante] duidelijker geformuleerd had kunnen worden, is naar het oordeel van het hof voor de welwillende lezer voldoende duidelijk wat [appellante] met het door hem ingestelde hoger beroep beoogde, namelijk dat het hof de in eerste aanleg ingestelde verzoeken (primair tot vernietiging van het ontslag en subsidiair tot toekenning van een aantal vergoedingen) alsnog toewijst. Daaraan doet niet af dat vernietiging van het ontslag op staande voet of van de dienaangaande door de kantonrechter genomen beslissing in hoger beroep niet mogelijk is. Het hof begrijpt het petitum in hoger beroep zo, dat [appellante] (vóór de vermindering van zijn verzoek ter zitting in hoger beroep) primair herstel, althans veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst verzocht en subsidiair toekenning van een aantal in eerste aanleg voldoende helder geformuleerde vergoedingen. Dat [geïntimeerde] het petitum ook zo begreep, volgt onder meer uit het door haar in hoger beroep ingestelde voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, mocht het hof de arbeidsovereenkomst herstellen of [geïntimeerde] tot herstel veroordelen. Ook overigens blijkt uit de gedingstukken in hoger beroep voldoende duidelijk waartegen [geïntimeerde] in hoger beroep verweer heeft gevoerd. De situatie dat een welwillende lezing van de gedingstukken een lezing betreft waarop de wederpartij niet bedacht hoefde te zijn en waartegen zij zich daarom niet heeft kunnen verweren, doet zich hier dus niet voor.
Is het ontslag op staande voet rechtsgeldig?
5.3.
Met de
grieven 1 t/m 3, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, bestrijdt [appellante] vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de kantonrechter dat de verwijten aan het adres van [appellante] een dringende reden opleverden die het ontslag op staande voet rechtvaardigde, zodat het ontslag op staande voet in stand blijft.
5.4.
Bij zijn beoordeling stelt het hof voorop dat de in de ontslagbrief medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden fixeert en de bewijslast van de werkgever bepaalt. Blijkens de ontslagbrief van 23 december 2024 is de dringende reden voor het ontslag in dit geval gegrond op de verwijten dat [appellante] zijn tankpas op oneigenlijke en onaanvaardbare wijze heeft gebruikt of laten gebruiken en de leaseauto door een onbevoegde heeft laten besturen. Aan deze verwijten legt [geïntimeerde] ten grondslag dat:
1. er in november 2024 veel is getankt (genoeg om 1.500 tot 2.000 kilometer te kunnen rijden), terwijl [appellante] toen volledig arbeidsongeschikt was en tot vrijwel niets in staat;
2. er ook in mei en september 2024 een “extreme” hoeveelheid brandstof is getankt met de tankpas van [appellante] , terwijl [appellante] daarvoor geen verklaring heeft gegeven;
3. [appellante] desgevraagd tijdens het gesprek op 23 december 2024 zou hebben verklaard dat zijn neef met zijn tankpas heeft getankt toen hij voor [appellante] boodschappen heeft gedaan terwijl [appellante] daartoe zelf niet in staat was.
[appellante] heeft de dringende reden gemotiveerd betwist, zodat het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen dat de medegedeelde ontslaggronden zich hebben voorgedaan en als dringende reden kunnen worden aangemerkt.
5.5.
In de bestreden beschikking is tot uitgangspunt genomen dat de in 2014 door [appellante] ondertekende leaseautoregeling van toepassing is gebleven na het door [appellante] in gebruik nemen van de nieuwe leaseauto in 2020. [appellante] heeft dit oordeel met
grief 2bestreden. Het hof stelt vast dat partijen van mening verschillen of de oude, door [appellante] in 2014 ondertekende leaseautoregeling nog geldt, nadat hem in 2020 een andere leaseauto ter beschikking is gesteld. Het hof kan dit geschil in het midden laten, omdat het wel of niet ondertekend zijn van een nieuwe regeling niet beslissend is voor de beantwoording van de vraag of de verweten gedragingen een dringende reden opleveren. Ook zonder opnieuw (bij de afgifte van een vervangende leaseauto door dezelfde leasemaatschappij in het kader van dezelfde arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] ) ondertekende overeenkomst komt, bij het ontbreken van een andersluidende overeenkomst (hetgeen door [appellante] niet is gesteld, noch is gebleken) aan de bepalingen van een oude overeenkomst betekenis toe en wel zodanig dat deze, bij gebreke van een expliciete wijziging van de gemaakte afspraken, enige nawerking hebben bij de uitleg van de mondelinge overeenkomst tot ingebruikneming van de vervangende leaseauto. Het niet ondertekend zijn van een formeel vernieuwde overeenkomst kan daaraan niet in de weg staan. Het ontbreken van een ondertekende leaseautoregeling die uitdrukkelijk op de vervangende leaseauto betrekking heeft, leidt daarmee niet tot een ander toetsingskader van de [appellante] verweten gedragingen.
Gebruik van de tankpas
5.6.
Bij de beoordeling van het verwijt dat [appellante] zijn tankpas op oneigenlijke en onaanvaardbare wijze heeft gebruikt c.q. heeft laten gebruiken, dient het volgende tot uitgangspunt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij een jaarkilometrage van maximaal 25.000 kilometer zijn overeengekomen en dat [appellante] iedere maand een aanzienlijke bijtelling betaalt omdat hij ook in privé gebruik mag maken van de leaseauto. Het gegeven dat [appellante] meer kilometers in een maand blijkt te hebben gereden dan nodig voor zijn woon-werkverkeer, is tegen die achtergrond geen omstandigheid waarvoor [appellante] verantwoording hoeft af te leggen aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] lijkt dit ook te erkennen, nu zij stelt dat het er niet om gaat dat hij teveel heeft getankt, maar – zo begrijpt het hof – dat uit het aantal gereden kilometers en de persoonlijke omstandigheden van [appellante] in de maand november 2024 (dwingend) volgt dat hij die kilometers niet zelf heeft gereden en iemand anders dus gebruik heeft gemaakt van de tankpas.
5.7.
Het hof ziet niet in waarom [appellante] aan [geïntimeerde] een verklaring verschuldigd zou zijn voor de hoeveelheid in mei en september 2024 getankte brandstof. [appellante] mag de auto zelf naar eigen believen gebruiken voor privédoeleinden en is daarbij slechts gebonden aan het overeengekomen maximale jaarlijkse kilometrage. Dat dat maximum zou zijn overschreden is gesteld noch gebleken. De sanctie op overtreding van het overeengekomen jaarkilometrage is in de overeenkomst waarop [geïntimeerde] zich beroept in die zin geregeld, dat [appellante] een vergoeding voor de meerkilometers (boven de 25.000) moet betalen. Daarvan is hier echter geen sprake. De ontslagbrief vermeldt ook geen feiten of omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat [appellante] de kilometers in die maanden niet zelf heeft gereden, noch had [appellante] moeten begrijpen dat bedoeld verwijt ook betrekking had op die maanden, waarin hij ook nog niet arbeidsongeschikt was. Dat verwijt kan in elk geval niet worden afgeleid uit het gegeven dat er meer is gereden dan nodig was voor woon-werkverkeer, aangezien [appellante] de leaseauto ook privé mocht gebruiken. Een en ander geldt temeer nu partijen bij deze leaseauto een kilometrage van 25.000 per jaar zijn overeengekomen in plaats van de 20.000 per jaar die zij voor het gebruik van de vorige leaseauto overeenkwamen, juist omdat [appellante] bij de vorige leaseauto al boven de 20.000 kilometer per jaar uitkwam. Gelet daarop moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] al langere tijd bekend was met het feit dat [appellante] meer kilometers per jaar reed dan nodig was voor de circa 500 kilometer per maand aan woon-werkverkeer, en dit nooit als probleem heeft beschouwd of als indicatie dat een ander dan [appellante] gebruik maakte van de leaseauto. Daarbij valt ook op dat uit de overgelegde facturen van de bij [geïntimeerde] in rekening gebrachte tankkosten blijkt dat de kosten van [appellante] auto niet of nauwelijks afwijken van de tankkosten van de andere werknemers van [geïntimeerde] aan wie een leaseauto (met privégebruik) ter beschikking was gesteld.
5.8.
Voor wat betreft de in november 2024 getankte brandstof vermeldt de ontslagbrief de feiten en omstandigheden waaruit [geïntimeerde] afleidt dat [appellante] de met de getankte benzine gereden kilometers niet zelf heeft gereden. Volgens [geïntimeerde] volgt dit uit het feit dat [appellante] in november “
volledig arbeidsongeschikt was en tot vrijwel niets in staat”. Het hof begrijpt daaruit dat [geïntimeerde] van mening is dat [appellante] in de periode van zijn arbeidsongeschiktheid fysiek niet in staat zou zijn geweest om enige afstand met de auto af te leggen. Naar het oordeel van het hof gaat [geïntimeerde] er hiermee aan voorbij dat niet onaannemelijk is – zoals [appellante] in hoger beroep herhaaldelijk heeft aangevoerd – dat de intensiteit van de klachten als gevolg van een dubbele hernia van dag tot dag kan variëren. Het feit dat [appellante] in de (in de ontslagbrief aangehaalde) Whatsapp-berichten van 11 november 2024 en 3 december 2024 aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat hij op dat moment bijna niet kon lopen, betekent niet dat hij gedurende de gehele periode waarin hij arbeidsongeschikt was continu (volledig) beperkt was in zijn mogelijkheden tot bewegen, en al helemaal niet dat hij in die periode geen eigen privé-ritten in de auto kon maken, waarbij de auto door een ander werd bestuurd. [appellante] heeft de stelling van [geïntimeerde] dat het onmogelijk is om met een dubbele hernia naar [plaats 6] te rijden, gemotiveerd weersproken. Volgens [appellante] kon hij met een kussen tussen zijn rug en de autostoel, met niet al te veel pijn met de auto vervoerd worden, hoewel hij na aankomst in [plaats 6] wel pijnstillers heeft moeten kopen. [appellante] heeft zijn stellingen op dit punt onderbouwd door een rekeningafschrift te overleggen van een betaling van € 16,15 via een betaalautomaat waaruit blijkt dat er op 3 november 2024 een bedrag van zijn rekening is afgeschreven naar de rekening van een apotheek in [plaats 6] . Het hof leidt daaruit af dat [appellante] zelf op dat moment in [plaats 6] is geweest. Deze rit naar zijn familie in [plaats 6] sluit ook aan bij de tankbeurten op zijn tankpas (zie hiervoor onder 3.8. en 3.10.). Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] dan ook ten onrechte aangenomen dat [appellante] de kilometers in november 2024 niet zelf in de auto kon hebben gereden vanwege zijn medische klachten. Dat er oneigenlijk gebruik is gemaakt van de tankpas, volgt daarom niet uit de hoeveelheid benzine die in november 2024 is getankt.
5.9.
In de ontslagbrief staat omtrent het gebruik van de tankpas ten slotte dat [appellante] in het gesprek van 23 december 2024 zou hebben erkend dat zijn neef met de pas heeft getankt. [appellante] bestrijdt dat hij dit heeft erkend en [geïntimeerde] heeft haar standpunt ter zake niet nader onderbouwd. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat [appellante] de tankpas aan zijn neef heeft uitgeleend. Dat er op dit punt enige ruis op de lijn is ontstaan tijdens het telefoongesprek van 23 december 2024 acht het hof overigens goed denkbaar, gelet op het feit dat Nederlands niet de moedertaal van [appellante] is en hij (blijkens het hierboven onder 3.13. weergegeven Whatsappbericht) niet op voorhand op de hoogte is gesteld van het onderwerp dat [geïntimeerde] met hem wilde bespreken en zich daardoor naar eigen zeggen overvallen voelde. Er is door [geïntimeerde] ook geen opname van het telefoongesprek in het geding gebracht of als bewijs aangeboden.
Gebruik van de auto
5.10.
In de ontslagbrief staat voorts dat [appellante] zijn neef in zijn auto heeft laten rijden, terwijl dat niet toegestaan is. [appellante] heeft ontkend dat hij de auto aan zijn neef ter beschikking heeft gesteld, maar heeft erkend dat zijn neef zijn echtgenote wel eens naar de supermarkt heeft gereden om de boodschappen voor het gezin te doen, wat nodig was omdat [appellante] zelf niet kon rijden en zijn echtgenote geen rijbewijs heeft. Naar het oordeel van het hof kan het enkele feit dat daarmee vaststaat dat de neef van [appellante] in de leaseauto heeft gereden, geen dringende reden opleveren, om de hierna te noemen redenen. Gelet op de door [appellante] genoemde bijzondere redenen waarom zijn neef de auto naar de supermarkt bestuurde (namelijk om zijn echtgenote in staat te stellen de boodschappen voor het gezin te doen) kan het enkele feit dat [appellante] zijn neef in de auto heeft laten rijden onder deze omstandigheden, wat er ook zij van de inhoud van de leaseautoregeling, geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Dat kan naar het oordeel van het hof anders zijn als zou zijn gebleken dat [appellante] zijn werkgever heeft benadeeld door de leaseauto door zijn neef te laten gebruiken voor andere dan genoemde redenen, zonder dat dit gebruik [appellante] (als passagier of anderszins) zelf ten goede is gekomen. Dat blijkt echter niet uit de ontslagbrief en is ook overigens niet vast komen te staan. [appellante] heeft erkend dat zijn neef de auto heeft bestuurd terwijl hij ernaast zat. Ook heeft [appellante] erkend dat zijn neef de auto heeft gebruikt om met de vrouw van [appellante] boodschappen te doen. Voor dit gebruik van de auto door de neef van [appellante] was een goede reden, omdat de vrouw van [appellante] geen rijbewijs heeft en [appellante] door zijn dubbele hernia zelf niet in staat was om te rijden. [geïntimeerde] lijkt dit redelijke doel ook te erkennen, waar zij [appellante] op 3 december 2024 een Whatsapp-bericht stuurt waarin staat dat zij heeft begrepen dat iemand [appellante] naar afspraken buitenshuis brengt, zonder daaraan verder enig gevolg te verbinden. Dit beperkte gebruik van de leaseauto door een ander dan [appellante] levert daarom onder de bijzondere omstandigheden van dit geval, zoals hiervoor omschreven, naar het oordeel van het hof geen dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat de leaseauto door een ander dan [appellante] is bestuurd zonder goede reden is door [appellante] bestreden en is niet vast komen te staan.
Aanvullende feiten
5.11.
[geïntimeerde] heeft het excessief en oneigenlijk gebruik van de tankpas en/of de leaseauto ook nog gebaseerd op drie aanvullende voorvallen op 10 oktober, 2 en 6 november 2024 (hierboven opgenomen onder 3.6., 3.8. en 3.9.). Ook deze voorvallen kunnen naar het oordeel van het hof het gestelde excessief en oneigenlijk gebruik van de tankpas en/of de leaseauto niet voldoende onderbouwen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Andere redenen dan die in de ontslagbrief genoemd, kunnen alleen dan meespelen voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een geldige dringende reden wanneer het voor de werknemer volstrekt duidelijk moet zijn dat de niet genoemde redenen, wanneer de werkgever daar ten tijde van het ontslag weet van zou hebben gehad, ook grond voor ontslag op staande voet hadden gevormd (HR 31 december 1993,
JAR1994/31). [geïntimeerde] was echter ten tijde van het ontslag al op de hoogte van de voorvallen van 10 oktober, 2 en 6 november 2024. Het feit dat er op 10 oktober 2024 diesel is getankt met de tankpas van [appellante] en dat er op 2 november 2024 is getankt in [gemeente] , was [geïntimeerde] al bekend, want dit is immers zichtbaar op de brandstoffactuur van oktober respectievelijk november 2024, die (uitgaande van de verklaring van [geïntimeerde] en de door haar in hoger beroep overgelegde producties) ten behoeve van het managementoverleg van de maand daarop zullen zijn gedeeld. Ook het feit dat de auto van [appellante] op het terrein van een bloemenbeurs is gesignaleerd op 6 november 2024 was al ruim voor het ontslag op staande voet bekend bij [geïntimeerde] . Degene die toen de foto’s van de auto heeft genomen, [naam 1] , is zelfs één van de eigenaren van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat dit voorval de nodige vragen bij haar opriep, maar zij heeft die vragen op geen enkel moment met [appellante] besproken of daarover opheldering verzocht, wat naar het oordeel van het hof vanuit het oogpunt van de zorgvuldigheid wel op haar weg had gelegen. Daarbij kan ook worden meegewogen dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, op de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte foto’s van 6 november 2024 niet te zien is of [appellante] zich toen (al dan) niet in de auto bevond.
5.12.
Met betrekking tot deze aanvullende feiten geldt dus dat zij, indien [geïntimeerde] daarin aanvullende redenen voor het ontslag op staande voet zag, door [geïntimeerde] in de ontslagbrief aan het ontslag op staande voet ten grondslag hadden kunnen en moeten worden gelegd. Dat heeft [geïntimeerde] evenwel nagelaten, zodat ook die feiten, indien zij zouden komen vast te staan, geen dringende reden kunnen opleveren die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het bewijsaanbod dat [geïntimeerde] in hoger beroep heeft gedaan met betrekking tot het voorval op 6 november 2024 zal daarom worden gepasseerd.
5.13.
De slotsom luidt dat de grieven van [appellante] dat geen sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt, slagen. De grief van [appellante] tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, kan daarom buiten beschouwing worden gelaten. Met het wegvallen van de dringende reden staat immers al vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] , dat ziet op haar stelling dat [geïntimeerde] niet eerder dan op 17 december 2024 kennis heeft genomen van de brandstoffactuur van november 2024, wordt daarom ook als (bij deze beoordeling van de gestelde dringende reden) irrelevant gepasseerd.
Transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding
5.14.
Grief 4strekt ten betoge dat het hof de (ten onrechte door de kantonrechter afgewezen) vergoedingen alsnog dient toe te kennen. Uit het voorgaande volgt dat deze grief slaagt.
5.15.
Ten aanzien van de verschuldigdheid van de transitievergoeding geldt dat de door [geïntimeerde] (en door de kantonrechter) als ernstig verwijtbaar gekwalificeerde gedragingen niet zijn komen vast te staan, althans niet als ernstig verwijtbaar kwalificeren, waarmee de grond voor afwijzing van de transitievergoeding (ernstig verwijtbaar handelen van [appellante] ) ontbreekt. Het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding kan daarom niet in stand blijven. Het hof gaat bij zijn berekening van de transitievergoeding uit van een dienstverband inclusief uitzendperiode per 1 februari 2004 en een ontslag per 23 december 2024, dus van 20 volledige dienstjaren, 10 maanden en 23 dagen. De transitievergoeding bedraagt mitsdien € 34.451,04 bruto. Het hof zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025.
5.16.
[appellante] heeft tevens verzocht om toekenning van de vergoeding ter zake van de onregelmatige opzegging, zoals bedoeld in artikel 7:672 lid 11 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Nu geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dus wel van een onregelmatige opzegging, komt deze vergoeding voor toewijzing in aanmerking. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Uit de arbeidsovereenkomst die [appellante] heeft overgelegd volgt dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tegen het einde van een kalendermaand kon worden opgezegd. Uit het bepaalde in artikel 7:672, lid 2, aanhef en sub d BW volgt dat de opzegging door de werkgever diende te geschieden met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden. Bij een regelmatige opzegging zou de arbeidsovereenkomst dus per 1 mei 2025 zijn geëindigd. De vergoeding ter zake van de onregelmatige opzegging bedraagt dus 4,2580 (vier maanden en acht dagen) x € 4.946,27 = € 21.061,22 bruto.
5.17.
[appellante] heeft tijdens de zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat hij zijn primaire verzoek tot herstel, althans veroordeling van [geïntimeerde] tot herstel, van de arbeidsovereenkomst laat varen en in plaats daarvan aanspraak maakt op een billijke vergoeding. Het hof begrijpt dat het verzoek tot toekenning van de billijke vergoeding zowel is gegrond op artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro jo. artikel 7:671b lid 9 sub c BW als op artikel 7:683 lid 3 BW Pro. Het hof wijst het verzoek toe op de voet van artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro jo. artikel 7:671b lid 9 sub c BW. Uit het voorgaande volgt immers dat [geïntimeerde] heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro, omdat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De ernstige verwijtbaarheid van [geïntimeerde] is daarmee gegeven.
5.18.
[appellante] heeft verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 80.000,-. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte billijke vergoeding te hoog is, omdat duidelijk is dat [appellante] op ontoelaatbare en ernstig verwijtbare wijze misbruik heeft gemaakt of heeft laten maken van de tankpas en leaseauto. Bovendien zou het dienstverband nog maar kort hebben geduurd als het ontslag op staande voet niet zou zijn gegeven, omdat [geïntimeerde] dan een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend in december 2024, waardoor de arbeidsovereenkomst naar verwachting uiterlijk per 1 maart 2025 zou zijn ontbonden. De billijke vergoeding kan dus volgens [geïntimeerde] ten hoogste gelijk zijn aan het verlies van inkomen van [appellante] tot 1 maart 2025.
5.19.
Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval, waarbij acht wordt geslagen op de door de Hoge Raad in de New Hairstyle-beschikking (ECLI:NL:HR:2017:1187) genoemde, en nadien herhaalde, gezichtspunten. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat kader dient de werknemer te worden gecompenseerd voor het verlies van de arbeidsovereenkomst. Bij de vergelijking van de hypothetische situatie zonder verwijtbaar handelen en de situatie met verwijtbaar handelen kan rekening worden gehouden met andere inkomsten die de werknemer inmiddels heeft, met de inkomsten die hij/zij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven en kan de aan de werknemer toekomende transitievergoeding worden betrokken.
5.20.
Het hof neemt bij de bepaling van de omvang tot uitgangspunt dat [appellante] op het moment van ontslag bijna 21 jaar werkte voor [geïntimeerde] . Het is niet in geschil dat [appellante] in de loop van zijn dienstverband goed functioneerde en meermaals een promotie heeft gekregen. Gelet op de duur van zijn dienstverband, het feit dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd en op de leeftijd van [appellante] (die ten tijde van het ontslag 54 jaar oud was) is er aanleiding om te veronderstellen dat [appellante] (het ontslag op staande voet weggedacht) nog enige jaren werkzaam zou zijn gebleven bij [geïntimeerde] . Gelet op de stelling van [appellante] tijdens de zitting in het hoger beroep, dat het werken bij [geïntimeerde] voor hem minder aantrekkelijk is geworden door het vertrek van [geïntimeerde] , met wie hij goed samenwerkte, is er wel aanleiding te veronderstellen dat [appellante] niet tot zijn pensioen bij [geïntimeerde] zou zijn gebleven. Het hof gaat uit van een voortduring van het dienstverband met nog in ieder geval twee jaar. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst ook zonder het ontslag op staande voet per 1 maart 2025 zou zijn geëindigd. Aan dit standpunt ligt immers de veronderstelling ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst vanwege het misbruik van de tankpas en/of de leaseauto hoe dan ook (op korte termijn) zou zijn ontbonden. Nu dit door [geïntimeerde] gestelde misbruik niet is komen vast te staan, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst daarom of op grond van een andere rechtsgeldige reden zou zijn ontbonden per 1 maart 2025, noch afgezien van de te verwachten langere duur van een procedure op tegenspraak in eerste aanleg
5.21.
Uitgaande van een bruto maandsalaris van € 4.946,27 en een voortzetting van het dienstverband met nog in elk geval 24 maanden is [appellante] door het ontslag op staande voet een bedrag van € 118.710,58 bruto aan inkomsten misgelopen. Het hof trekt van dit bedrag de toegewezen transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding af, waardoor een bedrag van afgerond € 60.000,- bruto resteert. Het hof zal dit bedrag aan [appellante] toekennen als billijke vergoeding, rekening houdend met alle omstandigheden van dit geval, zoals hiervoor omschreven. Nu het hof de billijke vergoeding toekent op verzoek van een voormalige werknemer die in eerste aanleg heeft verzocht om vernietiging van een ontslag op staande voet, is geen sprake van een ontbinding op verzoek van de werkgever waaraan de rechter een vergoeding verbindt, zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW. Het hof hoeft [geïntimeerde] daarom niet een termijn te gunnen waarbinnen zij haar verzoek kan intrekken (vgl. HR 18 juli 2025,
NJB2025/2014).
5.22.
Ten slotte heeft [appellante] in eerste aanleg verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter zake van niet-genoten vakantiedagen vergezeld van een deugdelijke schriftelijke eindafrekening. De kantonrechter heeft aangenomen dat [geïntimeerde] per 23 december 2024 een eindafrekening heeft verstrekt en daarom ook dit onderdeel van het verzoek afgewezen. [appellante] heeft tijdens de zitting in het hoger beroep verklaard dat hij de eindafrekening niet heeft ontvangen. [geïntimeerde] heeft ter zitting toegezegd dat, voor zover er geen eindafrekening is verstrekt, zij die eindafrekening alsnog zal opmaken en uitbetalen zonder enige vorm van verrekening. Het hof leest hierin een instemming met het verzochte. Gelet daarop zal het hof ook dit verzoek toewijzen.
Voorwaardelijk incidenteel appel
5.23.
In het voorwaardelijk incidenteel appel heeft [geïntimeerde] verzocht om (voor het geval het hof de arbeidsovereenkomst zou herstellen of [geïntimeerde] tot herstel zou veroordelen), de arbeidsovereenkomst met [appellante] te ontbinden. Uit het voorgaande volgt dat de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk incidenteel appel is ingesteld, niet is vervuld. Gelet daarop behoeft het voorwaardelijk incidenteel appel geen bespreking, behoudens ten aanzien van de proceskosten.
Slotsom
5.24.
Het principaal appel slaagt. Aan het voorwaardelijk incidenteel appel wordt niet toegekomen. De bestreden beschikking zal worden vernietigd, voor zover de subsidiaire verzoeken van [appellante] zijn afgewezen. [geïntimeerde] is in het principaal hoger beroep alsnog in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties, zoals in het dictum vastgesteld. [geïntimeerde] zal tevens in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel worden veroordeeld, nu het hof daaraan gelet op de uitkomst van het principaal appel niet toekomt.
Grief 5behoeft geen afzonderlijke bespreking. De in eerste aanleg verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu [geïntimeerde] heeft bestreden dat [appellante] deze kosten heeft gemaakt en [appellante] zijn verzoek op dit punt niet heeft onderbouwd.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de bestreden beschikking, behoudens ten aanzien van de beslissing tot afwijzing van het primaire verzoek,
en opnieuw rechtdoende:
6.2.
kent aan [appellante] ten laste van [geïntimeerde] een billijke vergoeding toe van € 60.000,- bruto;
6.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van een billijke vergoeding van € 60.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum veertien dagen na dagtekening van deze beschikking tot aan de dag van voldoening;
6.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van € 34.451,04 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025 tot aan de dag van voldoening;
6.5.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van € 21.061,22 bruto aan vergoeding ter zake van de onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum veertien dagen na dagtekening van deze beschikking tot aan de dag van voldoening;
6.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een vergoeding ter zake van de tot 23 december 2024 opgebouwde, maar door [appellante] niet-genoten vakantiedagen, vergezeld van een deugdelijke schriftelijke eindafrekening;
6.7.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 257,00 aan verschotten en € 542,00 voor salaris;
6.8.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 362,00 aan verschotten, € 2.580,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.9.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 1.290,00 voor salaris;
6.10.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.T. van der Meer, mr. A.S. Arnold en mr. R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.