ECLI:NL:GHAMS:2026:313

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.357.225/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang vader met kinderen

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland die het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen heeft beëindigd en de moeder het eenhoofdig gezag heeft gegeven. Tevens is het omgangsrecht van de vader met de kinderen ontzegd en is geen informatieregeling vastgesteld.

De vader verzoekt het gezamenlijk gezag te handhaven, een opbouwende omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling in te voeren. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en voert aan dat er sprake is van huiselijk geweld, onveiligheid en traumatische ervaringen bij haar en de kinderen, waardoor omgang en gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen zijn.

Het hof overweegt dat de verklaringen van de moeder en het kindgesprek met [minderjarige 1] ernstige mishandeling en onveiligheid bevestigen. De moeder verblijft met de kinderen sinds november 2023 op een geheime locatie en is onder behandeling voor traumaklachten. De communicatie tussen ouders is onmogelijk, waardoor gezamenlijk gezag niet haalbaar is. Ook is omgang met de vader op dit moment schadelijk voor de kinderen, vooral voor [minderjarige 1] die geen contact wenst.

Het hof acht een raadsonderzoek niet noodzakelijk en bekrachtigt de bestreden beschikking. Het omgangsrecht wordt ontzegd en een informatieregeling wordt niet vastgesteld vanwege de negatieve impact op de moeder en kinderen. De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen om stabiliteit en veiligheid te waarborgen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag, wijst omgangsrecht en informatieregeling af en kent de moeder het eenhoofdig gezag toe.

Uitspraak

50GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.225/01
zaaknummer rechtbank: C/15/360516 / FA RK 24-6579
beschikking van de meervoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I. Tol te Koog aan de Zaan,
en
[de moeder] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. K. van der Meij te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen) en de omgangs- en informatieregeling tussen de vader en hen.
1.2
De rechtbank Noord-Holland heeft in de beschikking van 23 april 2025 het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen. Daarnaast is het recht van de vader op omgang met de kinderen aan hem ontzegd en is er geen informatieregeling vastgesteld.
De vader is het daar niet mee eens. Hij wil dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft. Daarnaast wil hij een opbouwende omgangsregeling en een informatieregeling. Verder wil de vader dat er een raadsonderzoek wordt gelast.
1.3
Het hof zal de beslissing van de rechtbank bekrachtigen en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 1 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 28 november 2025, met bijlagen;
- een bericht van de vader van 28 november 2025, met bijlagen;
- een bericht van de vader van 3 december 2025, met bijlagen.
2.4
De voorzitter heeft op 9 december 2025 via een videoverbinding met [minderjarige 1] gesproken, in het bijzijn van de griffier. De voorzitter heeft de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven op de mondelinge behandeling van 10 december 2025.
2.5
De zitting heeft op 10 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Regout.
2.6
Na de mondelinge behandeling heeft het hof van de zijde van de vrouw het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg ontvangen.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad van 2008 tot begin 2013 en enige tijd in 2023.
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 in de gemeente [gemeente] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [in] 2023 in de gemeente [plaats B] .
De vader heeft de kinderen in 2023 erkend. De ouders hadden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over de kinderen.
3.2
De kinderen verblijven sinds november 2023 met de moeder bij de Blijf Groep.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen. Daarnaast is het recht van de vader op omgang met de kinderen aan hem ontzegd.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:
- het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder te belasten met het gezag over de kinderen, (alsnog) af te wijzen;
- het verzoek van de moeder om hem het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen (alsnog) af te wijzen en te bepalen dat tussen hem en de kinderen een zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij het contact (onder begeleiding) wordt opgebouwd naar een regeling waarbij de kinderen om de week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school en de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven, althans een regeling te bepalen die het hof rechtens juist acht;
- een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder ten minste éénmaal per maand de vader schriftelijk informeert over de ontwikkelingen van de kinderen;
- althans een raadsonderzoek te gelasten, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, te weten als (voor zover hier van belang):
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
(…), of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag heeft toegewezen. De vader betwist dat hij en de moeder niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen over de kinderen. Hij heeft altijd zijn medewerking verleend bij het nemen van beslissingen en heeft nooit moedwillig geprobeerd de moeder tegen te werken. Volgens de vader is het ook mogelijk om op afstand mee te beslissen, bijvoorbeeld via schriftelijk contact. Als het hof besluit dat het gezag over [minderjarige 1] beëindigd moet worden, verzoekt de vader om het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] in stand te houden. Dat [minderjarige 2] bij het behoud van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt, is door de rechtbank niet gemotiveerd.
Ten aanzien van de omgang betwist de vader dat omgang tussen hem en de kinderen schadelijk zou zijn voor de kinderen. De vader erkent dat in het verleden één geweldsincident heeft plaatsgevonden, maar daarvoor is hij veroordeeld en van dit incident heeft hij spijt. Hij ontkent echter dat er vaker geweld heeft plaatsgevonden. Na zijn veroordeling is in 2023 het contact hersteld tussen hem en [minderjarige 1] en was er regelmatig en prettig contact, wat ook door de moeder is bevestigd. Hoewel de vader onbegeleide omgang wenst, staat hij ook open voor begeleide omgang via een professionele instantie. De vader wil een rol in het leven van de kinderen spelen.
Als zijn gezag beëindigd blijft en geen omgangsregeling wordt vastgesteld, ziet hij een informatieregeling als het enige middel om betrokken te blijven. De uitwisseling van informatie kan zonder (rechtstreeks) contact tussen de ouders plaatsvinden. Tot slot is de vader van mening dat zonder onderzoek door de raad niet tot een gedegen conclusie kan worden gekomen.
5.4
De moeder vindt dat de rechtbank terecht haar verzoek om het eenhoofdig gezag heeft toegewezen. Zij voert aan dat gedurende de relatie van de ouders in 2023 sprake was van huiselijk geweld. De moeder woont sinds 6 november 2023 met de kinderen op een geheime locatie en sindsdien is er geen contact meer geweest en heeft de vader zijn gezag feitelijk niet uitgeoefend. In de korte periode dat hij wel gezag had, heeft hij geen beslissingen genomen en heeft hij zelfs geweigerd toestemming te geven voor de noodzakelijke therapie voor [minderjarige 1] . De vader heeft geen inzicht in zijn eigen handelen en het door hem veroorzaakte gevoel van angst en onveiligheid. De moeder is bang voor de vader en zij vreest voor haar eigen veiligheid en de veiligheid van de kinderen.
Verder stelt de moeder dat [minderjarige 1] zijn vader al lang niet heeft gezien en dat hij geen behoefte heeft aan contact. De vader ontkent zijn gedragingen, terwijl [minderjarige 1] in een gesprek met de rechter gedetailleerd heeft verklaard over het geweld en de blijvende gevolgen daarvan, en heeft aangegeven bang te zijn voor zijn vader en geen contact te willen. De vader is hier niet op ingegaan. Voor [minderjarige 2] geldt eveneens dat een omgangsregeling niet in haar belang is.
Een informatieregeling acht de moeder extreem belastend, omdat zij zwaar getraumatiseerd is en het contact haar angst en stress zou vergroten. Als enige opvoeder moet zij zonder spanningen voor de kinderen kunnen zorgen. Van haar kan niet worden verlangd de vader te informeren, zeker niet tegen de wens van [minderjarige 1] in. Tot slot stelt de moeder dat een raadsonderzoek niet aan de orde is en voor haar en de kinderen te belastend zou zijn, terwijl de uitkomst naar verwachting niet anders zal zijn.
Advies van de raad
5.5
De raad heeft het hof tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. [minderjarige 1] heeft duidelijk aangegeven waarom hij geen contact met zijn vader wenst. [minderjarige 1] is erg teleurgesteld en beschadigd door het contact met de vader in 2023. Ook heeft hij meerdere keren aangegeven behoefte te hebben aan rust en heeft hij de wens om verder te gaan met zijn leven.
Ten aanzien van het gezag acht de raad de relatie tussen de vader en de moeder zodanig verstoord, dat het niet mogelijk is om gezamenlijk gezag uit te oefenen. Zowel de moeder als [minderjarige 1] voelen zich onveilig bij de vader en de problematiek binnen het gezin is diepgeworteld. Bovendien toont de vader weinig inzicht in wat de situatie daadwerkelijk voor [minderjarige 1] en de moeder betekent, waardoor de basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt.
Beoordeling door het hof
Raadsonderzoek
5.6
Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de zitting voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een raadsonderzoek te gelasten.
Gezag
5.7
De ouders hebben sterk uiteenlopende verhalen over de gebeurtenissen die zich tijdens hun relatie hebben voorgedaan. De verklaringen van de moeder over wat er gebeurd is, zijn zeer ernstig van aard. Zij heeft aangegeven dat zij zich als gevolg hiervan in de relatie erg onveilig heeft gevoeld, wat een zware impact heeft gehad op haar leven. De vader heeft ontkend dat hij de moeder heeft mishandeld en heeft aangegeven dat hij de hele situatie heel anders heeft ervaren. Hoewel de belevingen van de ouders daarmee sterk uiteenlopen, doet dit niet af aan de ernst van de belevenissen zoals de moeder die heeft beschreven (zie haar verklaring, productie 17 verweerschrift eerste aanleg). Hoe zij naar de relatie kijkt en deze heeft beleefd, en de emotionele schade die zij als gevolg hiervan heeft opgelopen (ook beschreven door de Blijf Groep en de maatschappelijk werkster, producties 1 en 2 bij verweerschrift in hoger beroep), dienen hoe dan ook een rol te spelen bij de beoordeling.
5.8.1
De moeder heeft aangevoerd dat tijdens de relatie van de ouders sprake is geweest van jaloers en dwingend controlerend gedrag van de vader jegens de moeder, van bedreiging en mishandeling van de moeder en [minderjarige 1] door de vader en van dreiging met het afpakken van de kinderen.
5.8.2
Ter onderbouwing heeft de moeder, voor wat betreft het gedrag van de vader tijdens de relatie in de periode van 2008-2013, gewezen op de veroordeling van de vader in 2013 wegens mishandeling van de moeder. Uit de stukken blijkt dat daarbij als bijzondere voorwaarde een contactverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd (juni 2013 – juni 2015). In deze periode heeft geen contact plaatsgevonden tussen de ouders en heeft de vader [minderjarige 1] niet meer gezien. De moeder heeft destijds enige tijd samen met [minderjarige 1] in een opvanglocatie verbleven. In 2018 is de moeder een relatie aangegaan met [naam 1] , met wie zij twee kinderen heeft gekregen, te weten [naam 2] en [naam 3] .
5.8.3
Begin 2023 zijn de ouders opnieuw een relatie met elkaar aangegaan, waarna de relatie tussen de moeder en [naam 1] is beëindigd. De vader had tevens een “vaste” latrelatie met een andere vrouw met wie hij ook een kind heeft, en hij had daarnaast– mogelijk kortstondiger – relaties met andere vrouwen. Kort nadat de ouders weer een relatie met elkaar hadden aangeknoopt, is de moeder opnieuw zwanger geraakt van de vader.
De moeder heeft aangegeven dat al snel na het hervatten van de relatie, en kort nadat zij de vader toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] en de nog ongeboren [minderjarige 2] had gegeven, in 2023 het huiselijk en psychologisch geweld opnieuw is begonnen, waarbij ook [minderjarige 1] door de vader (fysiek) is mishandeld. De moeder heeft in dit verband in haar verklaring (productie 17 verweerschrift eerste aanleg) het volgende aangegeven: “
Na enkele maanden, inmiddels al 7 maanden zwanger, brak ik. Ik had afgesproken met mijn beste vriendin. [de vader] (Hof: de vader)
was het daar niet mee eens, dus hij zei [minderjarige 1] mee te nemen. Hij zegt dat het niet komt omdat mijn vriendin komt maar hij naar de kapper gaat met [minderjarige 1] . Verder heb ik er toch niks over te zeggen. Dit weet ik ondertussen al als ik op hem in ga of zeg dat het niet kan of dat het om een rede niet lukt draait hij door en we weten ondertussen wat er dan gebeurd! [minderjarige 1] wilt niet mee. Maar [minderjarige 1] weet ook dat hij moet anders heeft hij een probleem. [minderjarige 1] is de afgelopen maanden al vaak geslagen en word bijna altijd bedreigt op het moment dat [de vader] in mijn woning is. [minderjarige 1] moet dus mee en doet dit ook. (…). Mijn zoon [minderjarige 1] is iedere dag bang dat zijn vader hem weer op komt halen en hem dan ergens onderbrengt, zoals bij zijn andere vriendin [naam 4] uit [plaats C] . Of [minderjarige 1] wordt naar [plaats D] gebracht daar heeft [de vader] nog een vriendin (…), [naam 5] . Dit heeft hij al eerder gedaan, dus voor [minderjarige 1] een reële angst”.
In november 2023 is de moeder met [minderjarige 1] bij de vader weggegaan, waarbij zij hulp heeft gezocht bij de Blijf Groep. Sindsdien verblijft de moeder, samen met [minderjarige 1] , [naam 2] en [naam 3] en de op [in] 2023 geboren [minderjarige 2] , in een vrouwenopvang van de Blijf Groep.
De moeder heeft op 4 december 2023 aangifte tegen de vader gedaan van bedreiging met de dood. Aan haar is daarnaast een AWARE-knop gegeven, terwijl haar situatie regelmatig wordt besproken in een MDA++ overleg, waarbij de politie, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg en het maatschappelijk werk betrokken zijn.
De vader heeft betwist dat sprake is geweest van meerdere (gewelds-)incidenten.
5.9
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat op dit moment niet van de moeder kan worden gevraagd om samen met de vader beslissingen te nemen over de kinderen. Het hof constateert dat de verklaring van de moeder wat betreft het huiselijk en fysiek geweld sterke overeenkomsten vertoont met inlichtingen die [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek heeft verstrekt, waarover hieronder meer. Ook sluit haar verklaring aan bij de constatering van de klinisch psycholoog die [minderjarige 1] heeft gezien, dat er veel onveiligheid, stress en spanning is geweest en dat [minderjarige 1] veel last heeft van trauma gerelateerde klachten (productie 4 hoger beroep). Daarnaast ziet het hof de aangifte van de moeder in december 2023 als verdere ondersteuning van het standpunt van de vrouw, ook al is aan deze aangifte geen vervolg gegeven. Hierbij betrekt het hof dat aan de moeder een AWARE-knop is gegeven en haar situatie regelmatig door meerdere instanties wordt besproken. Dergelijke maatregelen worden in de regel niet genomen als er niets aan de hand is, en daarmee is de aannemelijkheid van het relaas van moeder verder toegenomen.
Door alles wat er – in de beleving van de moeder, maar verwezen wordt ook naar het onderstaande ten aanzien van de beleving van [minderjarige 1] - is gebeurd, zijn zowel de kinderen (met name [minderjarige 1] ) als de moeder beschadigd. De moeder is onder behandeling van een psycholoog voor traumaklachten en uit de brief van de psycholoog/behandelaar van 11 november 2025 (productie 5 bij het verweerschrift van de moeder in hoger beroep) blijkt dat er veel zorgen zijn over de veiligheid van de moeder. De moeder en de kinderen hebben tijd en rust nodig voor verwerking en herstel.
5.1
Omdat communicatie tussen partijen niet mogelijk is, ontbreekt de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag. Daarbij komt dat de vader al geruime tijd niet is betrokken bij de kinderen. Omdat het hof geen omgangsregeling zal vaststellen, is het niet waarschijnlijk dat het contact tussen de vader en de kinderen op korte termijn hersteld zal worden. De vader heeft daardoor (in ieder geval) op dit moment en in de nabije toekomst onvoldoende zicht op de behoefte van de kinderen. Dit heeft zich al geuit in de omstandigheid dat de vader niet zonder meer toestemming heeft willen geven voor traumatherapie voor [minderjarige 1] , maar verlangt dat de moeder eerst aantoont dat er een noodzaak voor behandeling is.
Tot slot is het hof van oordeel dat de moeder in staat moet worden gesteld hetgeen zij heeft meegemaakt te verwerken, zodat zij in staat is de kinderen een stabiele opvoedsituatie te bieden. Het hof is ervan overtuigd geraakt dat de moeder hieraan niet toekomt als zij door het gezamenlijk gezag gedwongen wordt met de vader te communiceren en te overleggen over zaken die de kinderen betreffen. Ook dit is niet in het belang van de kinderen. Zij zijn immers afhankelijk van hun moeder die hun hoofdverzorger is.
Evenals de rechtbank acht het hof het daarom in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de moeder het eenhoofdig gezag over hen heeft. Het hof zal de beschikking op dit punt bekrachtigen.
Omgang
5.11
Ten aanzien van de omgang overweegt het hof als volgt.
[minderjarige 1] is ooggetuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en is ook zelf gedurende verschillende perioden van zijn leven slachtoffer geweest van fysieke en emotionele mishandeling door zijn vader. De vader is gedurende langere periodes volledig afwezig geweest in het leven van [minderjarige 1] . Nadat de vader in 2023 opnieuw in het leven van [minderjarige 1] is gekomen, is [minderjarige 1] teleurgesteld geraakt doordat de vader niet betrouwbaar bleek in het contact. Het ontbrak aan structuur in de omgang en er waren geen duidelijke afspraken over wat [minderjarige 1] kon verwachten. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de voorzitter gesproken over situaties waarin hij gedwongen werd om bij vriendinnen van zijn vader te slapen, zonder dat hij van tevoren wist waar en bij wie hij zou slapen en hoe lang hij daar zou blijven. De moeder was niet in staat om tegenwicht te bieden aan de vader. Deze onvoorspelbaarheid en het gebrek aan stabiliteit hebben bij [minderjarige 1] gevoelens van onveiligheid en dreiging veroorzaakt. Dit alles heeft ertoe geleid dat [minderjarige 1] geen vertrouwen meer heeft in de vader. Blijkens de verklaring van de psycholoog/behandelaar van [minderjarige 1] van november 2025 (productie 4 bij het verweerschrift van de moeder in hoger beroep) zal [minderjarige 1] – na een verwijzing door zowel de huisarts als de jeugd- en gezinscoach van de gemeente – behandeling gaan krijgen voor trauma gerelateerde klachten. [minderjarige 1] heeft duidelijk tegen de voorzitter gezegd dat hij geen omgang met zijn vader wil.
[minderjarige 2] bevindt zich in een andere situatie omdat zij nooit in gezinsverband met de ouders heeft samengeleefd en haar vader eigenlijk niet kent. Gezien haar jonge leeftijd is het echter voor [minderjarige 2] van groot belang dat zij eerst stabiliteit en veiligheid ervaart in haar dagelijks leven, voordat een vorm van omgang met haar vader overwogen kan worden. Hiervoor heeft zij een sterke en stabiele moeder nodig, die op dit moment als enige opvoeder in haar leven fungeert. De moeder werkt hard aan haar herstel en krijgt bij de Blijf Groep ondersteuning om haar zelfstandigheid en stabiliteit terug te winnen.
5.12
Gelet op de weerstand van [minderjarige 1] tegen een omgangsregeling, het gebrek aan draagvlak bij de moeder om een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen te ondersteunen en de mogelijkheid dat moeder vanwege contacten met vader opnieuw een terugval zal doormaken, is het hof met de rechtbank van oordeel dat omgang tussen de vader en de kinderen op dit moment te belastend is en een ernstig nadeel oplevert voor hun ontwikkeling. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat het vastleggen van een omgangsregeling tussen de kinderen en de vader, in welke vorm dan ook, contraproductief wordt geacht voor het verloop van de hulpverlening voor [minderjarige 1] en de moeder. Het hof zal de beslissing van de rechtbank ook op dit punt bekrachtigen.
Informatieregeling
5.13
Wanneer er geen omgangsmomenten zijn tussen een ouder en zijn of haar kinderen, is een informatieregeling een belangrijk middel voor deze ouder om een band met de kinderen te behouden. Het hof begrijpt dan ook de wens van de vader om op de hoogte te blijven van de ontwikkeling van de kinderen en in beginsel heeft de vader belang bij de vaststelling van een informatieregeling. In het onderhavige geval dient het belang van de vader echter te wijken voor het belang van de kinderen. De moeder heeft voldoende onderbouwd dat contact tussen de ouders als gevolg van een informatieplicht veel spanning bij haar zal teweegbrengen, wat een negatieve weerslag op de kinderen zal hebben. Het belang van de kinderen vereist dan ook dat op dit moment geen informatieregeling wordt vastgesteld. Het hof is daarom van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de vader om een informatieregeling vast te stellen heeft afgewezen. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking ook op dit punt zal bekrachtigen.
5.14
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 10 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.