De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het telen van ongeveer 200 hennepplanten in een pand te Amsterdam. Hij stelde in hoger beroep dat de opsporing onrechtmatig was vanwege een vermeende schending van zijn privacy en het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Het hof oordeelde echter dat de opsporing rechtmatig was, gelet op de omstandigheden waaronder de politie het onderzoek startte, waaronder een warmtebeeldmeting en informatie van een fraudespecialist.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte op 14 maart 2022 opzettelijk hennep heeft geteeld. De verdachte bekende het tenlastegelegde en er was geen vrijspraakverzoek. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege een andere bewezenverklaring en strafoplegging.
De straf werd bepaald op een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren en 50 dagen hechtenis, passend bij de ernst van het feit en de hoeveelheid hennepplanten. De verdachte was niet eerder veroordeeld. Wel werd een schending van het recht op een redelijke termijn vastgesteld, maar het hof paste geen strafvermindering toe. De verdachte werd veroordeeld conform de wettelijke bepalingen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.