ECLI:NL:GHAMS:2026:308

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23-002395-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor hennepkwekerij met 200 planten

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het telen van ongeveer 200 hennepplanten in een pand te Amsterdam. Hij stelde in hoger beroep dat de opsporing onrechtmatig was vanwege een vermeende schending van zijn privacy en het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Het hof oordeelde echter dat de opsporing rechtmatig was, gelet op de omstandigheden waaronder de politie het onderzoek startte, waaronder een warmtebeeldmeting en informatie van een fraudespecialist.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte op 14 maart 2022 opzettelijk hennep heeft geteeld. De verdachte bekende het tenlastegelegde en er was geen vrijspraakverzoek. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege een andere bewezenverklaring en strafoplegging.

De straf werd bepaald op een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren en 50 dagen hechtenis, passend bij de ernst van het feit en de hoeveelheid hennepplanten. De verdachte was niet eerder veroordeeld. Wel werd een schending van het recht op een redelijke termijn vastgesteld, maar het hof paste geen strafvermindering toe. De verdachte werd veroordeeld conform de wettelijke bepalingen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf en 50 dagen hechtenis voor het telen van 200 hennepplanten.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002395-24 (straf)
datum uitspraak: 10 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-127505-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 200 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere straf komt dan de politierechter.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [bedrijf] geen growshop is maar een tuinbouwcentrum, en dat de politie niet heeft geverbaliseerd wat de verdachte hier gekocht zou hebben. Gelet hierop bestond er ten aanzien van de verdachte geen redelijk vermoeden van schuld, althans was dit onvoldoende voor het natrekken van het kenteken en de adresgegevens van de verdachte, en het doen van navraag bij de fraudespecialist van Liander. Er is ten onrechte een onderzoek gestart, waarmee de privacy van de verdachte geschonden is. Nu de opsporing onrechtmatig is geweest, kan en mag de verdachte voor deze kwestie niet vervolgd worden, aldus de raadsman.
Het hof begrijpt dat volgens de verdediging sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Voor zover het hof gehouden is op dat verweer een met redenen omklede beslissing te geven (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.7), overweegt het hof als volgt.
Op 11 februari 2022 werden door de bestuurder van een auto op naam van de verdachte goederen bij het bedrijf [bedrijf] in Aalsmeer gekocht. Dit bedrijf wordt door de politie aangeduid als een growshop. Hierop is door de politie de fraudespecialist van Liander benaderd. Voor het natrekken van het kenteken en de adresgegevens van de verdachte en het navraag doen bij Liander zijn geen bijzondere opsporingsbevoegdheden vereist.
De fraudespecialist gaf aan dat de meterstanden op het adres van de verdachte ongeveer tien keer zo hoog waren als het gemiddelde voor vergelijkbare woningen. Daarop heeft de verbalisant onderzoek ingesteld bij de woning. Bij een warmtebeeldmeting is ten opzichte van de omliggende panden een hogere temperatuur waargenomen. Het hof is van oordeel dat op grond van de voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De doorzoeking was rechtmatig. Er is geen sprake van enig vormverzuim in de zin van artikel 395a Sv en er is daarom geen reden het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De bewijsmiddelen

Nu de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
een proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 4 t/m 7];
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 oktober 2024.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 maart 2022 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van 200 hennepplanten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht een lagere straf op te leggen. Daartoe heeft de raadsman gewezen op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld en op het feit dat het tenlastegelegde bijna vier jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 200 hennepplanten in zijn woning. Hennep is een softdrug die bij langdurig gebruik een gevaar vormt voor de gezondheid. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid en opzet van de kwekerij, zijn deze softdrugs bestemd geweest voor verkoop en verspreiding. Door zo te handelen heeft de verdachte opzettelijk bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit rondom de handel in en het gebruik van softdrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel aanzienlijke financiële belangen gemoeid zijn en dat deze niet zelden gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit.
Voor het bepalen van de straf heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren en aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij 100 tot 500 hennepplanten is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Gelet op het voorgaande acht het hof een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uren in beginsel passend.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Anders dan de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat dit onvoldoende aanleiding geeft voor het opleggen van een lagere straf.
Het hof stelt vast dat sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 14 maart 2022, toen een huiszoeking werd verricht in de woning van de verdachte. De behandeling van zijn zaak in eerste aanleg is eerst op 8 oktober 2024 – en dus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en wordt in dit geval geen vermindering toegepast.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. A.P.M. van Rijn en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2026.
=========================================================================
[…]