ECLI:NL:GHAMS:2026:258

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23-001080-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met oplegging voorwaardelijke geldboete en schadevergoeding

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter van 25 april 2025. De verdachte werd beschuldigd van mishandeling gepleegd op 24 juli 2024 te Heemstede.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €750,00 met een proeftijd van twee jaar. Bij niet-betaling kan deze geldboete worden vervangen door zeven dagen hechtenis. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €350,00 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit.

De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd, waarbij de verdachte verplicht werd het bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De duur van gijzeling bij niet-betaling werd vastgesteld op maximaal drie dagen, zonder dat dit de verplichting tot schadevergoeding opheft. De wettelijke rente vangt aan op 24 juli 2024, de datum van het bewezenverklaarde feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €750 met proeftijd en immateriële schadevergoeding van €350 aan benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 15-316828-24
parketnummer hoger beroep : 23-001080-25
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 19 januari 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van
25 april 2025 in de zaak tegen de verdachte:
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboren: op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats]
adres: [adres] .

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Gepleegd op 24 juli 2024 te Heemstede.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het
bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële
schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 juli 2024.
Gewezen door mr. N.A. Schimmel, in bijzijn van mr. N.M. Simons, griffier.
mr. N.A. Schimmel