ECLI:NL:GHAMS:2026:245

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.796/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 7:266 lid 5 BWArt. 827 lid 1 sub f Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling, huurrecht voormalig echtelijke woning en kinderalimentatie na echtscheiding

Partijen zijn in 2013 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van het huwelijk in 2025 is een zorgregeling, huurrecht van de woning en kinderalimentatie vastgesteld door de rechtbank. Beide ouders zijn het niet eens met deze beschikking en zijn in hoger beroep gegaan.

De vader verzoekt een co-ouderschapsregeling en het huurrecht van de woning aan hem toe te kennen, terwijl de moeder het huurrecht wil behouden en de zorgregeling wil beperken. Het hof overweegt dat de communicatie tussen ouders moeizaam is en dat co-ouderschap op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De huidige zorgregeling wordt daarom bekrachtigd.

Met betrekking tot het huurrecht weegt het hof het belang van de moeder en kinderen om in de woning te blijven zwaarder dan het financiële belang van de vader. De kinderalimentatie wordt eveneens bekrachtigd, waarbij bijzondere kosten niet worden toegewezen. De vakanties worden opnieuw verdeeld volgens de gemaakte afspraken. Proceskosten worden niet aan de vader opgelegd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling, het huurrecht aan de moeder en de kinderalimentatie, wijzigt de vakantieverdeling en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.796/01
zaaknummer rechtbank: C/13/751209 / FA RK 24-3426
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
briefadres te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.C. Reichmann te Amsterdam.
Het hof heeft verder als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk: de kinderen.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling tussen de vader en de kinderen, het huurrecht van de voormalig echtelijke woning van partijen en over de kinderalimentatie.
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft in een beschikking van 16 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, bepaald dat het huurrecht van de voormalig echtelijke woning van partijen aan de moeder toekomt en bepaald dat de vader € 290,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen.
De vader en de moeder zijn het hiermee allebei niet eens. De vader wil dat de zorgregeling wordt uitgebreid en dat het huurrecht van de woning aan hem wordt toegekend. De moeder wil het huurrecht van de woning behouden. Zij verzoekt de zorgregeling tussen de vader en de kinderen te beperken. Ook wil zij dat de kinderalimentatie wordt aangepast.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 11 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 16 april 2025.
2.2
De moeder heeft op 12 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 29 oktober 2025 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 27 november 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 28 november 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 28 november 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 5 december 2025.
2.5
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben allebei een brief geschreven, die op 8 oktober 2025 bij het hof zijn ingekomen. De voorzitter heeft tijdens de zitting kort de inhoud van die brieven met de aanwezigen besproken
.
2.6
De zitting heeft op 8 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer V.D. Aelbers.
De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
2.7
Zoals ter gelegenheid van de mondelinge behandeling met partijen is besproken en aan hen is medegedeeld, zal het hof de door de moeder bij bericht van 27 november 2025 ingediende aanvulling op haar verweerschrift houdende incidenteel hoger beroep toelaten. Vanwege het onderwerp en de aard van de procedure is naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de in hoger beroep geldende twee conclusie-leer.
2.8
Na de zitting is, met toestemming van het hof, een bericht van de zijde van de moeder van 9 december 2025, met bijlagen, ingekomen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2013 gehuwd. Het huwelijk is op 24 september 2025 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 16 april 2025, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren: [minderjarige 1] [in] 2014 en [minderjarige 2] [in] 2017. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 25 april 2024 van de rechtbank Amsterdam is, voor zover nu van belang, het uitsluitend gebruik van de voormalig echtelijke woning van partijen aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) aan de moeder toegekend. Daarnaast is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: zorgregeling) vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot maandag 19:00 uur bij de vader verblijven en de andere week twee middagen na school bij hem verblijven. Verder is bepaald dat de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) van € 133,- per kind per maand aan de moeder moet betalen met ingang van de dag van de beschikking.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking is, voor zover nu van belang, bepaald dat de moeder huurster zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Ook is een zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader de kinderen in de oneven weken van donderdag uit school tot en met dinsdag naar school bij zich heeft, met ingang van de dag van de beschikking. Daarnaast is een verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vastgesteld en is bepaald dat de vader € 290,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
in principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het huurecht van de woning aan hem toe te kennen en een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken bij hem verblijven en in de even weken bij de moeder en het wisselmoment op maandag om 08.15 uur zal plaatsvinden, dan wel een zorgregeling vast te stellen die het hof het meest in het belang van de kinderen van partijen acht.
De vader verzoekt subsidiair, in het geval het huurrecht van de woning aan de moeder zal worden toegekend, de moeder te veroordelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking een bedrag van € 2.271,- (sleutelgeld) respectievelijk € 1.361,34 (waarborgsom) aan hem te voldoen. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat als de huurovereenkomst met betrekking tot de woning eindigt en de moeder van de verhuurder of hoofdhuurder van de woning of een derde een vergoeding ontvangt in verband met haar vertrek uit de woning, zij gehouden is de vader binnen veertien dagen na ontvangst van de vertrekvergoeding een vergoeding te betalen die gelijk is aan 28 gedeeld door (28 + aantal jaar dat de moeder in de woning heeft gewoond) maal de vergoeding.
4.3
De moeder verzoekt het door de vader verzochte af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
4.4
De moeder verzoekt, na wijziging van haar oorspronkelijke verzoek, en met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:
- de kinderen in de oneven weken van vrijdag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur bij de vader verblijven en de overige dagen bij de moeder;
- bij wijziging van de zorgregeling zoals hierboven door de moeder verzocht, de zorgkorting in de door de rechtbank berekende kinderalimentatie dient te worden gewijzigd, hetgeen tot gevolg heeft dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage wijzigt;
- de kinderen gedurende de éénweekse vakanties iedere vakantie afwisselend bij één van de ouders verblijven, althans te bepalen dat de ouder waar de kinderen gedurende de éénweekse vakanties verblijven, uiterlijk drie maanden van tevoren aan de andere ouder dient door te geven of hij/zij al dan niet op vakantie gaat met de kinderen, zoals beschreven onder randnummer 54 tot en met 59 van het verweerschrift van de moeder in hoger beroep;
- de ouder waar de kinderen conform de verdeling van de kerstvakantie verblijven, minimaal drie maanden voor aanvang van de kerstvakantie aangeeft welke avond (met overnachting) de kinderen bij deze ouder zullen verblijven, alsmede dat de kinderen de volgende dag om 12.00 uur naar de andere ouder worden gebracht (waar zij conform de vastgestelde vakantieverdeling verblijven);
- de draagkracht van de moeder vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot het moment dat de vader zich heeft uitgeschreven van het adres van de woning, wordt vastgesteld met inachtneming van de situatie dat de moeder geen kindgebonden budget ontvangt;
- op grond van de door de moeder ingebrachte specificatie sprake is van bijzondere kosten, die partijen bij helfte dienen te voldoen;
- de vader de werkelijke proceskosten van de moeder dient te voldoen.
4.5
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar verzochte af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de door partijen aangevoerde grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, waar deze onderling samenhangen, gezamenlijk en per onderwerp bespreken. Het hof zal eerst ingaan op de zorgregeling en het huurrecht van de woning, waarna de kinderalimentatie aan de orde komt.
Zorgregeling
Juridisch kader
5.2
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder het onderhavige geschil over de zorgregeling, een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunten
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte geen co-ouderschapsregeling heeft vastgesteld en voert hiertoe het volgende aan. De vader zorgde voor het uiteengaan van partijen, en ook een periode daarna, de helft van de tijd voor de kinderen. Hij heeft zijn werkzaamheden voor het tennispark en voor zijn werkgever [X] B.V. (hierna: [X] ) zo ingericht dat hij voldoende beschikbaar is om een co-ouderschapsregeling uit te voeren. Dit heeft hij onder andere gedaan door zijn taken bij het tennispark uit handen te geven aan derden. Binnenkort zal hij de gehele exploitatie van het park aan een derde overdragen. Daarnaast laat zijn werkgever [X] de vader volledig vrij in de wijze waarop en wanneer hij zijn uren invult. Gelet hierop is hij volledig beschikbaar voor de kinderen als zij de helft van de tijd bij hem zijn. De vader is zeer betrokken bij de kinderen, hun school, hun activiteiten en verplichtingen. Hij betwist alle aantijgingen van de moeder, die hem van onverantwoordelijk gedrag beticht. Volgens de vader willen de kinderen ook graag een co-ouderschapsregeling.
5.4
De moeder voert verweer. Zij betoogt dat de vader twee fulltime banen heeft, die onmogelijk gecombineerd kunnen worden met een co-ouderschapsregeling, ongeacht de geboden flexibiliteit bij [X] . Volgens de moeder heeft de vader niet aangetoond dat hij zijn werkzaamheden op het tennispark aan derden heeft overgedragen en/of dat hij de exploitatie van het park zal gaan overdragen. Het tennispark is de passie van de vader en het is de jarenlange ervaring van de moeder dat hij hiermee (in de zomerperiode) meer dan fulltime bezig is, waardoor hij niet de helft van de zorg voor de kinderen op zich kan nemen. Daarnaast is de communicatie tussen partijen uiterst slecht. Vanwege zorgen over onder andere de beschikbaarheid van de vader, de begeleiding van de kinderen (met name [minderjarige 1] ) door de vader en de veiligheid van de kinderen bij de vader, verzoekt de moeder de zorgregeling juist te beperken.
Advies raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven op dit moment geen ruimte te zien voor uitbreiding van de zorgregeling. Co-ouderschap is op dit moment niet geïndiceerd. Het is voor de kinderen belangrijk dat sprake is van continuïteit, voorspelbaarheid en fysieke- en emotionele veiligheid, waarbij emotionele veiligheid afhangt van hoe de ouders met elkaar omgaan en communiceren. Voor co-ouderschap is minimaal overleg tussen de ouders vereist op een wijze die aansluit bij wat de kinderen nodig hebben. De kinderen moeten er op kunnen vertrouwen dat de ouders zaken met elkaar kunnen afstemmen. Zo lang zij dat niet kunnen, is co-ouderschap niet in het belang van de kinderen. De raad benadrukt dat de ouders met elkaar in gesprek moeten over hoe zij verder invulling kunnen geven aan het gezamenlijk ouderschap.
Beoordeling hof
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders is verstoord en de communicatie tussen hen moeizaam verloopt. Er is sprake van wantrouwen en diverse beschuldigingen over en weer. Dit blijkt onder meer uit de in hoger beroep overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de ouders en het verloop van de zitting. Voor co-ouderschap is een bepaalde mate van onderling vertrouwen en communicatie vereist, wat op dit moment ontbreekt. De kinderen hebben daar last van. Partijen zijn weliswaar aangemeld voor het traject Ouderschap blijft, maar gebleken is dat zij op een wachtlijst staan en dat het waarschijnlijk nog zeker een half jaar zal duren voordat het traject van start zal kunnen gaan. Tegen deze achtergrond is het hof, net als de raad, van oordeel dat een co-ouderschapsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Het hof zal het verzoek van de vader tot het vaststellen van een co-ouderschapsregeling reeds op grond hiervan afwijzen en komt dan ook niet meer toe aan bespreking van de overige door partijen aangevoerde stellingen over de beschikbaarheid van de vader in het kader van de uitvoering van een co-ouderschapregeling. Het voorgaande neemt niet weg dat de ouders, zoals de raad ter zitting heeft benadrukt, in het belang van de kinderen met elkaar in gesprek moeten over hoe zijn verder invulling kunnen geven aan het gezamenlijk ouderschap. Van belang is dat zij hierbij ondersteuning en begeleiding krijgen.
Het hof zal het verzoek van de moeder tot het beperken van de zorgregeling eveneens afwijzen. De kinderen verblijven volgens de huidige regeling steeds negen nachten bij de moeder en vijf nachten bij de vader. Gebleken is dat deze regeling over het algemeen redelijk verloopt. Zoals de raad ter zitting uiteen heeft gezet, zijn kinderen gebaat bij continuïteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid over hun opvoedsituatie. Gelet hierop acht het hof het van belang dat de huidige zorgregeling wordt voortgezet. Het hof ziet in de door de moeder geuite zorgen over het verblijf van de kinderen bij de vader onvoldoende aanleiding om tot een beperking van de zorgregeling over te gaan. Wel benadrukt het hof dat ook in dit kader het belangrijk is dat de ouders ondersteuning en begeleiding krijgen om met elkaar in gesprek te gaan over de invulling van hun gezamenlijk ouderschap.
Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere zorgregeling bekrachtigen.
5.7
De ouders hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de vakantieregeling. Zij hebben afgesproken dat de kinderen de vakanties van een week (de herfst- en voorjaarsvakantie) het ene jaar bij de ene ouder verblijven en het andere jaar bij de andere ouder, ongeacht of de ouder waar de kinderen verblijven op vakantie zal gaan. Daarnaast zijn zij overeengekomen dat de vakantie van een week die [minderjarige 2] jaarlijks wisselend in juni heeft, geen onderdeel uitmaakt van de vakantieregeling. De reguliere zorgregeling loopt gedurende die week dus gewoon door. Ook hebben partijen afgesproken dat zij met ingang van 2026 de kerstvakantie aldus verdelen dat de kinderen in het ene jaar de eerste week bij de ene ouder verblijven en de tweede week bij de andere ouder en dat het andere jaar het omgekeerde geldt. Nu niet gebleken is dat het belang van de kinderen zich tegen de overeengekomen regeling verzet, zal het hof overeenkomstig de gemaakte afspraken beslissen.
Om eventuele discussie hierover te voorkomen zal het hof, net als de rechtbank, bepalen dat het wisselmoment op maandag om 09.00 uur zal plaatsvinden.
Huurrecht woning
Juridisch kader
5.8
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW Pro op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. In een situatie als deze, waarbij beide ex-echtgenoten om toedeling van het huurrecht verzoeken, dienen de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar te worden afgewogen. Ook de belangen van hun minderjarige kinderen spelen daarbij een rol.
Standpunten
5.9
De vader stelt dat het huurrecht van de woning ten onrechte aan de moeder is toegekend en voert hiertoe het volgende aan. De vader woont al sinds 1997 in de woning en is aan de woning en de omgeving gehecht. De moeder is pas veel later in de woning komen wonen. Partijen hadden bij het verbreken van hun relatie bovendien afgesproken dat de moeder op zoek zou gaan naar vervangende woonruimte. De vader is 56 jaar oud en heeft geen pensioen opgebouwd. Door de relatief lage huursom van de woning kan de vader toch een oudedagsvoorziening te treffen. Dit terwijl de moeder een stuk jonger is dan de vader, een beter inkomen heeft dan hij en pensioen opbouwt. Het zal voor haar makkelijker zijn om een vervangende woning te vinden en te kunnen betalen. De vader heeft een groter financieel belang bij behoud van de woning dan de moeder.
5.1
De moeder voert verweer. Zij voert aan dat zij al sinds 2012 in de woning woont, waar de kinderen zijn geboren. Ook zij is aan de woning en de omgeving gehecht, net zoals de kinderen. De moeder acht het van belang dat de kinderen met haar in de woning kunnen blijven wonen. Zij betwist dat zij meer mogelijkheden dan de vader heeft om een alternatieve woning te vinden. Zij komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning en is niet in staat een woning in [plaats A] te kopen. Zij heeft op diverse woningen gereageerd, maar steeds zonder succes. Dit terwijl het de vader wel is gelukt (tijdelijk) alternatieve woonruimte te vinden. Daarnaast heeft de vader voldoende inkomsten om pensioen op te bouwen, aldus de moeder.
Beoordeling hof
5.11
Het hof komt na afweging van de aangevoerde belangen van partijen, net als de rechtbank, tot het oordeel dat het huurrecht van de woning aan de moeder dient toe te komen. Daarbij is doorslaggevend dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en zij het grootste aandeel in de zorg en opvoeding van de kinderen draagt. Dat de vader de woning al sinds 1997 huurt en de moeder pas later bij hem is ingetrokken, maakt dit niet anders aangezien de moeder de woning ook al geruime tijd, sinds 2012, bewoont. Het belang van de moeder en de kinderen om te kunnen blijven wonen in de woning en de omgeving waar de kinderen zijn opgegroeid en hun leven hebben opgebouwd weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het (financiële) belang van de vader om in de woning te kunnen blijven wonen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat niet gebleken is dat het, anders dan de vader stelt, voor de moeder makkelijker zal zijn om alternatieve woonruimte te vinden en te kunnen betalen. Uit de door de rechtbank gemaakte - en in hoger beroep door de vader onweersproken - draagkrachtberekeningen volgt dat de vader een hoger netto besteedbaar inkomen heeft dan de moeder. Dat zijn inkomen sindsdien is gedaald is niet gebleken. Daarnaast heeft de moeder voldoende aangetoond dat zij heeft geprobeerd een vervangende woning te vinden, maar dat dit niet is gelukt. Daartegenover staat dat de vader sinds hij de woning heeft verlaten steeds (tijdelijke) alternatieve woonruimte heeft weten te vinden waar hij met de kinderen kon verblijven. Ter zitting in hoger beroep heeft hij bovendien verklaard te verwachten dat hij binnen een of twee maanden een huurwoning in [plaats A] zal kunnen vinden en zal kunnen betalen. Dat de vader mogelijk geen of minder pensioen kan opbouwen acht het hof tegen de hierboven geschetste achtergrond onvoldoende gewicht in de schaal leggen om de belangenafweging anders te doen uitvallen.
Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het huurrecht van de woning bekrachtigen.
5.12
Gelet op het voorgaande komt het hof toe aan de subsidiaire verzoeken van de vader. De vader verzoekt te bepalen dat als de moeder bij opzegging van de huur een vergoeding ontvangt, deze vergoeding met de vader moet worden gedeeld naar evenredigheid van het aantal jaar dat zij ieder in de woning hebben gewoond. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de moeder het door de vader betaalde sleutelgeld van fl. 5.000,- (€ 2.271,-) en de door hem betaalde waarborgsom van fl. 3.000,- (€ 1.361,34) aan hem dient (terug) te betalen.
De moeder voert verweer. Zij stelt niets te weten van een eventuele vertrekvergoeding en stelt niet van plan te zijn de woning te verlaten. Ook betwist zij dat zij sleutelgeld en een waarborgsom aan de vader verschuldigd is.
5.13
Het hof overweegt als volgt. De vader heeft zijn stelling dat de verhuurder van de woning voornemens is een vertrekvergoeding te betalen als de huurder de woning zal verlaten niet met stukken onderbouwd. De moeder heeft de stelling betwist. Zij heeft naar eigen zeggen nog nooit iets gehoord over een mogelijke vertrekvergoeding. Bovendien heeft de moeder verklaard niet voornemens zijn de woning te verlaten. De vader heeft zijn stelling dat (mogelijk) sprake is van een vertrekvergoeding, tegenover de gemotiveerde betwisting hiervan door de moeder, onvoldoende onderbouwd. De vader heeft eveneens onvoldoende onderbouwd op grond waarvan hij meent jegens de moeder aanspraak te kunnen maken op betaling van sleutelgeld en een waarborgsom. De door de vader overgelegde verklaring van [naam] , de voormalige partner van de vader, maakt dat niet anders. Uit deze verklaring blijkt dat zij en de vader in 1997 ieder fl. 5.000,- aan overnamekosten aan de vorige huurder hebben betaald. Niet duidelijk is op grond waarvan de moeder een gelijk bedrag aan de vader zou moeten betalen. Evenmin is duidelijk waarop de overnamekosten zagen. Daarnaast blijkt uit voornoemde verklaring dat de vader en zijn toenmalige medehuurder in 1997 weliswaar een waarborgsom aan de toenmalige verhuurder hebben betaald, maar hiermee is naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat de huidige verhuurder aan het einde van de huurtermijn een waarborgsom aan de moeder verschuldigd is.
Op grond van het voorgaande zal het hof de verzoeken van de vader dan ook afwijzen.
Kinderalimentatie
5.14
Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vader € 290,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (hof: 24 september 2025).
Ingangsdatum
5.15
De ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof ook van deze datum zal uitgaan.
Behoefte
5.16
Evenmin is de behoefte van de kinderen van € 1.700,- per maand in geschil, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan. Wel zijn er volgens de moeder bijzondere kosten, die niet uit het standaardbedrag uit de behoeftetabel kunnen worden betaald. Dit betreffen onder meer kosten voor orthodontie, school (aanschaf laptops, schoolkampen en schoolreizen) en de aanschaf en onderhoud van een fiets. Ook gaat het om kosten voor huiswerkbegeleiding en studie, die in de toekomst mogelijk gemaakt moeten worden. De moeder verzoekt, naar het hof begrijpt, te bepalen dat de ouders deze kosten bij helfte dienen te voldoen. De vader voert verweer.
5.17
Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen en overweegt hiertoe als volgt. Een gedeelte van de door de moeder opgevoerde kosten zijn, anders dan de moeder stelt, in beginsel verdisconteerd in de bedragen uit de behoeftabel. Dit geldt onder andere voor de kosten voor orthodontie, school (aanschaf laptops, schoolkampen en schoolreizen) en de aanschaf en onderhoud van een fiets. Dat deze kosten zo uitzonderlijk zijn dat deze niet geacht kunnen worden begrepen te zijn in de bedragen uit de behoeftabel is door de moeder niet, althans onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het hof dat allerlei kosten/activiteiten doorgaans uitwisselbaar zijn, zodat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Bovendien worden de kosten voor orthodontie tot een bedrag van € 2.000,- door de verzekering vergoed en is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een overschrijding van dat bedrag. Het hof ziet geen aanleiding reeds nu een beslissing te geven voor het - onzekere - geval dat het in de toekomst anders zal zijn. Dit geldt eveneens voor de door de moeder opgevoerde kosten voor huiswerkbegeleiding en studie. Deze kosten worden op dit moment niet gemaakt en onzeker is of deze kosten in de toekomst wel gemaakt zullen worden.
Op grond van het voorgaande ziet het hof geen, althans onvoldoende aanleiding te bepalen dat sprake is van bijzondere kosten, die partijen bij helfte dienen te voldoen. Het hof merkt op dat de vader zich ter zitting in hoger beroep bereid heeft getoond om mee te denken over de door de moeder opgevoerde kosten en gaat ervan uit dat partijen hierover met elkaar in overleg zullen treden.
Draagkracht moeder
5.18
De moeder heeft haar grief tegen de door de rechtbank gemaakte berekening van haar draagkracht ter zitting in hoger beroep ingetrokken, zodat het hof deze niet meer hoeft te bespreken.
Draagkracht vader
5.19
Partijen hebben niet gegriefd tegen de door de rechtbank gemaakte berekening van de draagkracht van de vader. Voor zover de vader met het overleggen van nadere financiële stukken (winstprognose 2025 en salarisstroken september t/m november 2025) heeft beoogd te stellen dat van een andere draagkracht aan zijn zijde uitgegaan moet worden, dan gaat het hof daaraan voorbij. Het had op de weg van de vader gelegen zijn stelling te concretiseren, te preciseren en te onderbouwen, en daartoe in ieder geval een draagkrachtberekening over te leggen, hetgeen hij heeft nagelaten.
Zorgkorting
5.2
De moeder stelt in haar beroepschrift dat bij wijziging van de zorgregeling de door de rechtbank vastgestelde zorgkorting van 35% moet worden aangepast. Nu de zorgregeling niet zal worden gewijzigd, behoeft de grief geen bespreking meer.
Conclusie
5.21
Op grond van het voorgaande bestaat voor het hof geen aanleiding om tot een herberekening van de door de vader te betalen kinderalimentatie over te gaan. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie dan ook bekrachtigen.
Proceskosten
5.22
Het hof ziet, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, geen aanleiding voor een veroordeling van de vader in de (werkelijke) proceskosten, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden afgewezen.
5.23
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de verdeling van de herfstvakantie, voorjaarsvakantie en kerstvakantie betreft en bepaalt, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdeling van deze vakanties als volgt:
  • herfstvakantie: de kinderen verblijven bij de vader in de even jaren en bij de moeder in de oneven jaren van vrijdag uit school tot maandag naar school;
  • voorjaarsvakantie: de kinderen verblijven bij de moeder in de even jaren en bij de vader in de oneven jaren van vrijdag uit school tot maandag naar school;
  • kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de moeder, van vrijdag uit school tot maandag 09.00 uur, en de tweede week bij de vader, van maandag 09.00 uur tot maandag naar school. In de oneven jaren verblijven zij de eerste week van de vakantie bij de vader, van vrijdag uit school tot maandag 09.00 uur, en de tweede week bij de moeder, van maandag 09.00 uur tot maandag naar school;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof is onderwerpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.