ECLI:NL:GHAMS:2026:242

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.357.742/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en vaststelling verdeling vakanties en feestdagen voor minderjarige

De zaak betreft een hoger beroep over de zorgregeling voor een minderjarige van 8 jaar, waarbij de moeder een 50/50 zorgregeling wenst en een specifieke verdeling van vakanties en feestdagen voorstelt. De rechtbank had eerder een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige na de nachtdienst van de vader drie dagen bij hem verblijft, met vakanties en feestdagen verdeeld in onderling overleg.

De moeder stelt dat de huidige regeling onrust veroorzaakt bij het kind en pleit voor meer gelijkheid in zorg, terwijl de vader vanwege zijn ploegendienst een vaste regeling prefereert en bezwaren heeft tegen frequente wisselingen en oppas. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbanksbeslissing te bekrachtigen, gezien de behoefte van het kind aan rust en stabiliteit.

Het hof oordeelt dat een wijziging van de zorgregeling momenteel niet in het belang van het kind is, mede vanwege gedragsproblemen en lopend onderzoek. De bestaande regeling biedt structuur en rust, en een wijziging zou onrust veroorzaken. Wel wordt de verdeling van vakanties en feestdagen aangepast conform de overeenstemming tussen ouders. Het hof benadrukt dat de vader de moeder moet ondersteunen om haar draagkracht te ontlasten en dat ouders moeten samenwerken in het belang van het kind.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestaande zorgregeling en stelt een nieuwe verdeling van vakanties en feestdagen vast in het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.742/01
zaaknummer rechtbank: C/15/351658 / FA RK 24-2017
beschikking van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L.M. Wagemaker te Westwoud,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B ] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] (8 jaar).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 25 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] na beëindiging van de laatste nachtdienst van de vader die dag vanaf 14.15 uur (de eerste dag) tot drie dagen later tot 18.30 uur (de vierde dag) bij de vader verblijft. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld. De moeder is het met beide beslissingen niet eens en wil dat er een 50/50 zorgregeling wordt vastgesteld en dat de vakanties en feestdagen worden verdeeld zoals zij voorstelt. De vader is het wel eens met de beslissing over de reguliere zorgregeling, maar stemt in met de door de moeder voorgestelde verdeling van de vakanties en feestdagen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 4 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 3 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 16 oktober 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de moeder van 17 november 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 27 november 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 8 december 2025 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de vader van 15 december 2025 met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. De voorzitter heeft de inhoud van dit gesprek ter zitting zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2017 te [plaats C] .
De ouders hebben van 2008 tot 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefende tot de bestreden beschikking van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van de rechtbank van 25 juni 2024 (C/15/351458 / FA RK 24-1904) is bepaald dat de vader aan de moeder als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen € 385,- per maand, met ingang van 17 april 2024. In het kader van de toe te passen zorgkorting is onder 5.11 van die beschikking onder meer overwogen:
“Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] vier dagen per tien dagen bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op de eerste dag om 14.00 uur uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige] op de vierde dag met etenstijd ophaalt bij de man.”
3.3
Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 25 juni 2025 (en voor zover hier van belang) is bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [minderjarige] en dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] na beëindiging van de laatste nachtdienst van de vader die dag vanaf 14.15 uur (de eerste dag) tot drie dagen later tot 18.30 uur (de vierde dag) bij de vader verblijft. Daarnaast is bepaald dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
Primair:een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] altijd op maandag en dinsdag bij de vader verblijft en iedere woensdag en donderdag bij de moeder, waarbij het weekend wisselt tussen de ouders. Dit zou er dan uitzien als een zorgregeling waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
- tijdens de even weken op maandag tot woensdagochtend 9.00 uur (dan wel eerder af te geven op voorschoolse opvang) alsook op de vrijdag na de dagbesteding (of als er geen dagbesteding is vanaf 12.00 uur) tot de daaropvolgende maandag;
- tijdens de oneven weken op maandag, dinsdag tot woensdagochtend 9.00 uur (dan wel eerder af te geven op voorschoolse opvang) alsook vanaf zondag vanaf 18.00 uur (na het eten);
- de ouder waar [minderjarige] op dat moment verblijft is de ouder die [minderjarige] wegbrengt naar de andere ouder dan wel naar de dagbesteding/opvang;
- als een ouder op enig moment zelf niet beschikbaar is regelt (en betaalt) hij/zij zelf opvang/oppas voor [minderjarige] ;
Subsidiair:te bepalen dat [minderjarige] tijdens de even weken bij de vader verblijft en de oneven weken bij de moeder met een wisselmoment op bijvoorbeeld de zondag om 17.00 uur (voor het eten);
en met betrekking tot de vakanties en feestdagen te bepalen dat:
• Korte schoolvakanties
[minderjarige] de helft van de herfstvakantie, meivakantie en voorjaarsvakantie bij de moeder en de andere helft bij de vader verblijft, wanneer mogelijk aansluitend op de ploegendienst van de vader. Als de vakantie begint met een studiedag op de vrijdag vóór en/of eindigt met een studiedag op de maandag na de vakantie, wordt deze dag ook meegenomen in de verdeling;
• Kerstvakantie
[minderjarige] tijdens de even jaren de eerste week en eerste kerstdag bij de vader verblijft en de tweede week (inclusief oud en nieuw) en tweede kerstdag bij de moeder verblijft. In de oneven jaren andersom;
• Zomervakantie
[minderjarige] de eerste drie weken bij de moeder en laatste drie weken bij de vader verblijft. In de
oneven jaren kiest de moeder de weken. In de even jaren kiest de vader de weken;
• Feestdagen
Pasen: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;
Koningsdag: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;
Hemelvaart: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;
Pinksteren: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;
Sinterklaas: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;
Verjaardagen
Op de verjaardag van de moeder en op Moederdag is [minderjarige] altijd bij de moeder;
Op de verjaardag van de vader en op Vaderdag is [minderjarige] altijd bij de vader;
[minderjarige] is op zijn verjaardag bij de ouder conform de (naar het hof begrijpt: reguliere) zorgregeling.
4.3
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vader heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep te kennen gegeven akkoord te zijn met de door de moeder verzochte verdeling van de vakanties en feestdagen. Daarmee is vast komen te staan dat de ouders op dit punt overeenstemming hebben bereikt. Het hof is van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen deze afspraak en zal dienovereenkomstig beslissen.
5.2
Het hof dient nog te beslissen over het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder over de zorgregeling.
Het wettelijk kader
5.3
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.4
De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een wijziging van de zorgregeling naar een verdeling bij helfte niet in het belang van [minderjarige] is. Zij wil dat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] (alsnog) bij helfte wordt verdeeld, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met het wisselende werkrooster van de vader. De vader kan gebruik maken van flexibele opvang, een oppas, een gastouder of zijn ouders. De praktijkondersteuner en een gedragswetenschapper (vanuit school) hebben aangegeven dat [minderjarige] baat heeft bij rust, regelmaat en structuur. De huidige zorgregeling biedt dat niet, is verwarrend voor [minderjarige] en veroorzaakt zichtbaar onrust bij hem. [minderjarige] staat nu op de wachtlijst voor een breedschalig onderzoek bij Parlan. De vader heeft een plicht tot omgang met [minderjarige] en van hem mag meer daadkracht en verantwoordelijkheid worden verwacht. De vader heeft verzocht om te worden belast met het gezag, maar neemt niet de verantwoordelijkheid die daarbij hoort. De verzorging en opvoeding van [minderjarige] valt de moeder zwaar. Zij heeft nauwelijks een netwerk in de buurt waarop zij kan terugvallen. Ook krijgt zij EMDR-therapie, welke behandeling veel van haar vraagt. Ook de moeder heeft behoefte aan rust, regelmaat en duidelijkheid. Zij is de afgelopen tijd regelmatig gebeld door school met de vraag of zij [minderjarige] meteen kon ophalen, omdat het niet goed met hem ging. Omdat de vader dan aangeeft niets te kunnen betekenen en de moeder daarom op het laatste moment van haar werk moet vertrekken, veroorzaakt dit spanning op haar werkplek.
5.5
De vader stelt dat het in verband met zijn ploegendienstenschema voor hem niet mogelijk is om op vaste weekdagen voor [minderjarige] te zorgen. Als de vader ochtenddienst heeft, zit hij om 5.30 uur in de auto richting werk en heeft hij geen gelegenheid om [minderjarige] naar de opvang te brengen, welke opvang om 6.45 uur open gaat. Als de vader nachtdienst heeft, kan hij [minderjarige] niet alleen laten. De vader vindt het niet in het belang van [minderjarige] om veel oppas in te huren op de momenten dat hij er niet voor [minderjarige] kan zijn. [minderjarige] is gebaat bij rust, stabiliteit en vaste gezichten. Ook de ouders van de vader kunnen niet structureel helpen bij de zorg voor [minderjarige] . De moeder heeft toen de ouders samenwoonden het overgrote deel van de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. De vader wil dat de door de rechtbank vastgestelde (huidige) zorgregeling, welke gestructureerd is, wordt gecontinueerd. Hij en [minderjarige] zijn tevreden met de regeling en deze regeling is het beste voor [minderjarige] . De vader betwist dat de huidige regeling geen rust, regelmaat en structuur biedt en verwarrend is voor [minderjarige] . De moeder heeft nog nooit contact met de vader opgenomen om te vragen of hij in staat was om [minderjarige] op te halen van school. Het is aan de ouders om invulling te geven aan rust, regelmaat en structuur voor [minderjarige] . Door ver van huis te gaan werken, terwijl bekend was wat de thuissituatie was, heeft de moeder bewust het risico genomen dat dit zou (kunnen) leiden tot problemen bij de opvang en verzorging van [minderjarige] . De verzoeken van de moeder zijn niet realistisch en niet te realiseren zonder dat de vader ontslag neemt en/of een andere baan zoekt en zijn huis verkoopt, wat niet van hem kan worden verwacht. Ook heeft de vader geen familie of vrienden in [plaats B ] of omgeving die [minderjarige] kunnen opvangen als dat noodzakelijk is.
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het gaat niet goed met [minderjarige] . Hij komt niet goed tot leren binnen het regulier onderwijs en is overbelast geweest. Het is ernstig als een kind niet meer aan zijn eigen ontwikkeling toekomt. Het is fijn dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft bij [X] , dat er hulp is ingezet voor hem en onderzoek gedaan zal worden. [minderjarige] heeft, nu hij zoveel aan zijn hoofd heeft met veel wisselingen van en naar school, de opvang en [X] , wat betreft de zorgregeling behoefte aan zo min mogelijk veranderingen. Het is in zijn belang dat de huidige zorgregeling in stand blijft. De moeder heeft wel ondersteuning nodig. Als de moeder het niet meer aankan, zal de vader daar vroeg of laat ook last van krijgen. [minderjarige] zal als hij ouder is terugkijken op deze periode en zich afvragen hoe de ouders het hebben gedaan. De raad doet een appel aan de ouders om nog meer ‘
out of the box’te denken dan zij nu doen.
De beoordeling
5.7
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. In 2025 is [minderjarige] uitgevallen in het regulier onderwijs, omdat het hem niet lukte om mee te komen in de reguliere setting. Tot voor kort ging hij op maandag en dinsdag van 8.30 uur tot 14.15 uur naar de dagbesteding op zijn school ( [school] in [plaats B ] ). Daarnaast volgde hij drie ochtenden in de week een zorg-/onderwijsprogramma op de [X] in [plaats D] . Hoewel [minderjarige] volgens de ouders rustiger en vrolijker is sinds hij drie ochtenden per week naar de [X] gaat, bestaan er nog steeds zorgen over hem. Gebleken is dat hij gedragsproblemen heeft, maar het is nog onduidelijk wat de oorzaak daarvan is. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders verklaard dat zij op 18 december 2025 een gesprek bij Parlan hebben gehad over het breedschalig onderzoek dat gestart zal worden voor [minderjarige] . Daarbij zal onderzocht worden waar zijn problematiek vandaan komt.
5.8
Het hof is, mede gelet op het voorgaande, met de rechtbank en de raad van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling op dit moment niet in belang van [minderjarige] is. Hoewel vast is komen te staan dat de moeder overbelast is door de situatie rondom [minderjarige] en het hof dat zorgelijk acht, is het hof van oordeel dat het op dit moment voor [minderjarige] van belang is om de bestaande zorgregeling te continueren. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de dagen dat [minderjarige] bij de vader is ontspannen en rustig zijn. Een wijziging van de zorgregeling zal naar het oordeel van het hof niet alleen praktische problemen veroorzaken voor de vader wat betreft de opvang van [minderjarige] (en zijn werk), maar zal ook onrust veroorzaken bij [minderjarige] . Vanwege zijn ploegendienstenschema zal de vader vaak niet in staat zijn om zelf de zorg voor [minderjarige] voor zijn rekening te nemen. Dat betekent dat er derden ingeschakeld zullen moeten worden, wat voor extra onzekerheid en onrust bij [minderjarige] zal zorgen. Met de raad is het hof het eens dat [minderjarige] op dit moment behoefte heeft aan zo min mogelijk veranderingen. De huidige zorgregeling wordt sinds 2024 uitgevoerd, zoals ook blijkt uit overweging 3.2 van deze beschikking, en [minderjarige] is inmiddels aan die regeling gewend. Ondanks dat het hof begrip heeft voor de wens van de moeder om de zorg voor [minderjarige] meer gelijk tussen de ouders te verdelen, acht het hof het het meest in het belang van [minderjarige] dat er sprake is van een duidelijke zorgregeling die structureel wordt nagekomen en zoveel mogelijk door de vader zelf wordt ingevuld. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling dan ook bekrachtigen.
5.9
Ten overvloede merkt het hof op dat de vader, gelet op het feit dat de moeder duidelijk overbelast is, wel alles in het werk moet stellen om een handreiking naar haar te kunnen doen en haar te ontlasten, om te voorkomen dat de draaglast van de zorg voor [minderjarige] haar draagkracht nog verder overschrijdt. Beide ouders zullen daarnaast moeten kijken naar wat zij zelf kunnen veranderen om de huidige situatie te verbeteren. Vast is komen te staan dat de moeder een keer per week thuis opvoedhulp krijgt vanuit Parlan. Nu deze hulp haar (nog) niet lijkt te ontlasten acht het hof het van belang dat de moeder extra ondersteuning krijgt, zodat zij meer tot rust kan komen om zodoende de zorg voor [minderjarige] te kunnen volhouden. Ook is het van belang dat de ouders kunnen communiceren over [minderjarige] en kunnen samenwerken met elkaar. Het hof acht het een positieve ontwikkeling dat de ouders in februari 2026 een afspraak hebben gemaakt voor scheidingshulp, om de samenwerking tussen hen te verbeteren.
5.1
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is vastgesteld dat de vakanties en feestdagen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
stelt de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen vast:
  • Korte schoolvakanties: [minderjarige] verblijft de helft van de herfstvakantie, meivakantie en voorjaarsvakantie bij de moeder en de andere helft bij de vader, wanneer mogelijk aansluitend op de ploegendienst van de vader. Als de vakantie begint met een studiedag op de vrijdag vóór en/of eindigt met een studiedag op de maandag na de vakantie, wordt deze dag ook meegenomen in de verdeling;
  • Kerstvakantie: [minderjarige] verblijft tijdens de even jaren de eerste week en eerste kerstdag bij de vader en de tweede week (inclusief oud en nieuw) en tweede kerstdag bij de moeder. In de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste week en eerste kerstdag bij de moeder en de tweede week (inclusief oud en nieuw) en tweede kerstdag bij de vader;
  • Zomervakantie: [minderjarige] verblijft de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. In de oneven jaren kiest de moeder de weken. In de even jaren kiest de vader de weken;
  • Pasen: [minderjarige] verblijft de oneven jaren bij de moeder en de even jaren bij de vader;
  • Koningsdag: [minderjarige] verblijft de even jaren bij de moeder en de oneven jaren bij de vader;
  • Hemelvaart: [minderjarige] verblijft de oneven jaren bij de moeder en de even jaren bij de vader;
  • Pinksteren: [minderjarige] verblijft de even jaren bij de moeder en de oneven jaren bij de vader;
  • Sinterklaas: [minderjarige] verblijft de oneven jaren bij de moeder en de even jaren bij de vader;
  • Op de verjaardag van de moeder en op Moederdag is [minderjarige] bij de moeder;
  • Op de verjaardag van de vader en op Vaderdag is [minderjarige] bij de vader;
  • [minderjarige] is op zijn verjaardag bij de ouder conform de zorgregeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoer bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.