AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap wegens termijnoverschrijding
De man verzocht het Gerechtshof Amsterdam om in hoger beroep de ontkenning van zijn door het huwelijk ontstane vaderschap van [kind] te erkennen. De rechtbank had hem niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn volgens het Turkse recht. De man stelde dat hij pas in juli 2024 bekend werd met zijn juridische vaderschap en dat hij tijdig was met zijn verzoek.
De vrouw betwistte dit en stelde dat de man al jaren op de hoogte was, mede omdat zij samen meerdere keren naar het Turkse consulaat gingen voor registratie en paspoortverlenging van [kind]. Ook [kind] sprak zich uit tegen ontkenning vanwege de ingrijpende gevolgen voor haar identiteit en nationaliteit.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij pas in juli 2024 op de hoogte was van zijn juridische vaderschap. De termijnoverschrijding was derhalve niet gerechtvaardigd. Het beroep op artikel 8 EVRMPro faalde omdat het belang van de rechtszekerheid en het belang van het kind prevaleerden boven het belang van de man.
Het hof bevestigde dat het Turkse recht van toepassing is en dat de wettelijke termijn van één jaar strikt geldt. Ook een beroep op Nederlands recht of een gezamenlijk verzoek was niet aan de orde. Het verzoek van de man werd daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontkenning van het vaderschap af wegens termijnoverschrijding en bekrachtigt de bestreden beschikking.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.276/01
zaaknummer rechtbank: C/13/758582 FA RK 24-7251 (MN/MG)
beschikking van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. J.I. Vervest te Heemskerk.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- [kind](hierna: [kind] ).
1.De zaak in het kort
1.1.
De zaak gaat over het verzoek van de man tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de man met betrekking tot [kind] .
1.2.
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 13 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap met betrekking tot [kind] .
De man is het daar niet mee eens en wil dat zijn verzoek in hoger beroep alsnog wordt toegewezen.
2.De procedure in hoger beroep
2.1.
De man is op 22 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De vrouw heeft op 1 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De zitting heeft op 26 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en door dhr. E. Battaloglu, tolk in de Turkse taal,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [kind] .
De advocaat van de man heeft een pleitnotitie overgelegd.
3.De feiten
3.1.
De man en de vrouw zijn [in] 1994 gehuwd op het Turkse consulaat te [plaats C] . Het huwelijk is op 4 juni 2001 ontbonden door inschrijving van de Turkse echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
[kind] is [in] 2001 geboren uit de vrouw.
4.De omvang van het hoger beroep
4.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap met betrekking tot [kind] .
4.2.
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog zijn verzoek tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de man met betrekking tot [kind] gegrond te verklaren.
4.3.
De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5.De motivering van de beslissing
5.1.
Aan de orde is het verzoek van de man tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap van [kind] . De man is van mening dat hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel tijdig is geweest met zijn verzoek en dat hij door de rechtbank ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard.
De man voert hiertoe aan dat hij niet wist dat hij de juridische vader van [kind] was, omdat zij na het einde van het huwelijk van partijen is geboren. De man is niet de biologische vader van [kind] . Hij is pas in juli 2024 bekend geworden met het feit dat hij geregistreerd staat als haar juridische vader, nadat hij de geboorteakte van [kind] had ontvangen van de gemeente [gemeente] . Omdat hij pas in juli 2024 hiermee bekend is geworden is hij op grond van artikel 289 TurksPro Wetboek tijdig met zijn verzoek en dus ontvankelijk.
De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn standpunt dat hij toen pas op de hoogte is geraakt van het feit dat hij de juridische vader van [kind] is onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van hetgeen de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft gesteld. De man wijst er op dat de vrouw haar stelling dat zij met de man naar het consulaat zou zijn gegaan voor de registratie van [kind] en het verlengen van het paspoort van [kind] niet heeft onderbouwd. De man kan zich alleen herinneren dat hij op het consulaat is geweest voor de registratie van zijn echtscheiding. Dit had niets met [kind] te maken. De vrouw heeft niet aangetoond dat hij aanwezig is geweest bij de registratie van [kind] bij het Turks consulaat.
Daarnaast stelt de man dat ook de vrouw en [kind] het eens zijn met zijn verzoek. Volgens de man hebben zij beiden tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat zij ook wensen dat het vaderschap van de man wordt ontkend. Alle partijen erkennen dat de man nooit deel heeft uitgemaakt van het leven van [kind] . De man heeft inmiddels een gezin en hij wenst dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Mocht het hof toch van oordeel zijn dat de man het verzoek te laat heeft ingediend dan verzoekt hij de termijn buiten beschouwing te laten met het oog op de belangen van zowel de man als [kind] met een beroep op artikel 8 EVRMPro. De man acht toepassing van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Volgens de man is toepassing van de termijn een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRMPro. Hij verwijst naar uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden (GHARL:2024:451), van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (RBNHO:2018:10295) en van de rechtbank Amsterdam (ECLI:RBAMS:2017:7868). Net als in deze kwestie stelt de man zich op het standpunt dat Turkije veel waarde hecht aan de juiste afstammingsgegevens. Het belang van de afstammingsgegevens dient te prevaleren boven het algemene belang van het vasthouden aan termijnen. De man benadrukt dat vaststaat dat hij niet de biologische vader is van [kind] en daar komt bij dat het algemeen belang niet wordt geschaad want [kind] heeft nooit met de man in gezinsverband geleefd. Alle betrokkenen wensen dat het vaderschap wordt ontkend. Het ontbreken van de mogelijkheid om het vaderschap te ontkennen is daarom niet verenigbaar met de belangen van de man en die van [kind] en dient verder ook niemands belang. De man is daarom van mening dat zijn belang bij bescherming van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRMPro dient te prevaleren boven het algemeen belang van de rechtszekerheid en dat hij ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij na het einde van het huwelijk nog een keer bij de vrouw thuis is geweest om spullen terug te brengen en dat hij daar het kind voor het eerst heeft gezien, maar dat hij zich niet meer kan herinneren in welk jaar dat is geweest. De man heeft verder verklaard dat de situatie een grote impact heeft op zijn gezin en voor veel spanningen zorgt. Het verbaast hem dat de vrouw nu een ander standpunt inneemt dan in eerste aanleg toen zij instemde met het verzoek van de man. Hij kan zich niet herinneren dat hij veertien jaar geleden nog een keer bij de vrouw langs is geweest.
5.2.
De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek vanwege termijnoverschrijding van de toepasselijke Turkse termijn van één jaar. De rechtbank heeft volgens haar terecht overwogen dat de stelling van de man dat hij tot juli 2024 niet heeft geweten dat hij de juridische vader van [kind] is ongeloofwaardig is. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank concreet aangevoerd dat partijen gedurende veertien jaar meermaals gezamenlijk naar het Turkse consulaat zijn gegaan voor registratie van de geboorte van [kind] en in verband met de verlenging van het paspoort van [kind] . De man heeft daar alleen maar ‘geheugenverlies’ tegenover gesteld.
De vrouw heeft in eerste aanleg verder toegelicht dat zij destijds afstand heeft gedaan van haar bruidsschat en dat partijen dit hadden afgesproken over [kind] . De man komt daar nu 23 jaar later op terug en doet alsof hij het niet wist. Het belang van rechtszekerheid en de eerbiediging van afspraken destijds prevaleert boven de koerswijziging van de man, aldus de vrouw.
Het beroep van de man op artikel 8 EVRMPro faalt. De Nederlandse rechtspraak erkent consistent dat termijnen in vaderschapszaken conform het EVRM zijn ter bescherming van de rechtszekerheid.
De vrouw verwijst naar artikel 289 vanPro het Turks BW waarin een strikte termijn is opgenomen zonder expliciete uitzonderingen voor consensus tussen partijen.
Als de man heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 10:93 lid 2 BurgerlijkPro Wetboek (BW) - de mogelijkheid van een gezamenlijk verzoek van de ouders en het kind als de in lid 1 bedoelde ontkenning niet meer mogelijk is - faalt dit beroep eveneens. Er is hier geen sprake van een gezamenlijk verzoek van ouders en kind.
Mogelijk ten overvloede voert de vrouw aan dat zelfs als het hof zou overwegen Nederlands recht toe te passen het hoger beroep eveneens faalt vanwege termijnoverschrijding.
De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat zij ter zitting in eerste aanleg in een emotionele bui heeft gezegd dat het wel goed was als de man van de geboorteakte af was omdat zij graag van het gedoe af wilde zijn. Zij staat echter niet achter het verzoek van de man, de gevolgen zijn heel ingrijpend voor [kind] , zij draagt al haar hele leven zijn achternaam en zou mogelijk haar dubbele nationaliteit verliezen. De man kan niet zomaar terugkomen op de afspraken die zij hebben gemaakt bij de geboorte van [kind] .
Daarnaast heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij samen met de man na de geboorte van [kind] naar het Turkse consulaat is geweest en vervolgens nog twee keer om het paspoort van [kind] te verlengen. In haar herinnering is zij een keer met de trein naar [plaats C] gegaan en twee keer met de man meegereden met de auto. Veertien jaar geleden is de man nog een keer bij haar langs gekomen met de mededeling dat zijn echtgenote erachter was gekomen dat [kind] als zijn kind stond geregistreerd en dat hij een oplossing nodig had. Daarna is er geen contact meer geweest.
5.3.
[kind] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij graag wil dat haar situatie blijft zoals het is. Zij heeft altijd de achternaam van de man gehad en zij wil niet de Nederlandse nationaliteit verliezen. Het is een te ingrijpende verandering in haar leven als het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de man wordt toegewezen. Zij heeft ter zitting in eerste aanleg aanvankelijk aangegeven dat zij er wel mee in kon stemmen omdat zij zag dat haar moeder gespannen was en omdat zij de gevolgen niet kon overzien.
5.4.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat Turks recht van toepassing is op het verzoek van de man tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap van [kind] .
Op grond van artikel 285 TurksPro Burgerlijk Wetboek is de vader van het kind dat is geboren tijdens het huwelijk of binnen driehonderd dagen nadat het huwelijk is geëindigd, de echtgenoot. Op grond van artikel 289 TurksPro Burgerlijk Wetboek is de echtgenoot verplicht de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap in te stellen binnen één jaar nadat hij vernomen heeft van de geboorte van het kind en van het feit dat hij niet de vader is, of tot de wetenschap is gekomen dat de moeder geslachtsgemeenschap heeft gehad met een andere man in de periode van de verwekking, en in ieder geval binnen vijf jaar na de geboorte van het kind .Het kind is verplicht de procedure in te stellen uiterlijk binnen één jaar na zijn meerderjarigheid. Berust de overschrijding van de termijn op een gerechtvaardigde reden, dan vangt de termijn van één jaar aan nadat die reden is komen te vervallen.
Volgens de man is hij tijdig met zijn verzoek omdat hij pas in juli 2024 bekend zou zijn geworden met het feit dat hij de juridische vader is van [kind] .
De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man niet op de hoogte was van het feit dat hij de juridische vader van [kind] is. De vrouw stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de man, hoewel hij niet de biologische vader van [kind] is, hij wel haar juridische vader zou zijn. Volgens de vrouw is de man meegegaan naar het Turkse consulaat om de geboorte van [kind] te registreren en vervolgens nog twee keer om het paspoort van [kind] te verlengen. De vrouw heeft dit niet met stukken onderbouwd, maar zij heeft ter zitting wel een concrete en feitelijke toelichting gegeven op het verloop van deze bezoeken. Ook [kind] heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat zij zich kan herinneren dat zij toen zij een jaar of tien was met haar moeder en een man naar [plaats C] is gegaan.
De man heeft verklaard dat hij na het einde van het huwelijk nog een keer langs is geweest bij de vrouw om spullen terug te geven en dat hij toen een kind heeft gezien. Desgevraagd kon hij niet zich niet herinneren in welk jaar dit is geweest. Daarnaast is de man met de vrouw naar het Turkse consulaat geweest voor de registratie van de echtscheiding.
Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen, mede gelet op hetgeen door de vrouw is aangevoerd, nader toe te lichten hoe het komt dat hij, ondanks de contacten die er tussen hem en de vrouw na het einde van het huwelijk nog zijn geweest en hoewel hij [kind] heeft gezien in die periode, pas in juni 2024 (via zijn huidige echtgenote) op de hoogte zou zijn geraakt van het feit dat [kind] zijn achternaam droeg en pas in juli 2024 van het feit dat hij de juridische vader van [kind] is. De door de man overgelegde aanvragen bij verschillende gemeenten om documenten te verkrijgen met betrekking tot [kind] en de echtscheiding zijn hiertoe onvoldoende. Overigens blijkt uit deze documenten dat de man wel op de hoogte was van de geboortedatum van [kind] . De man heeft geen contact opgenomen met het Turkse consulaat voor nadere informatie, bijvoorbeeld om te vragen of er nog gegevens beschikbaar zijn van de registratie van de geboorte van [kind] .
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij pas in juli 2024 bekend is geraakt met het feit dat hij de juridische vader van [kind] is. Dit betekent dat de man naar Turks recht te laat is met zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap.
Voorzover de man een beroep op artikel 10:93 lid 2 BWPro heeft gedaan overweegt het hof als volgt. Volgens artikel 10:93 tweedePro lid BW kan de rechter, indien volgens het in het eerste lid van artikel 10:93 BWPro bedoelde recht ontkenning niet of niet meer mogelijk is, indien zulks in het belang is van het kind, en de ouders en het kind een daartoe strekkend gezamenlijk verzoek doen, een ander in artikel 10:92 BWPro genoemd recht toepassen, dan wel het recht toepassen van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van de ontkenning of het Nederlandse recht. Anders dan waar de man van uit lijkt te gaan betekent dit niet dat partijen op grond van dit artikel een gezamenlijk verzoek kunnen doen tot ontkenning van het vaderschap, maar dat zij gezamenlijk kunnen verzoeken dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot ontkenning. Nog daargelaten dat hier geen sprake is van een gezamenlijk verzoek, zou toepassing van Nederlands recht in deze zaak niet tot een andere uitkomst leiden omdat ook naar Nederlands recht sprake is van overschrijding van de wettelijke termijn.
Meer subsidiair heeft de man een beroep gedaan op artikel 8 lid 2 EVRMPro, onder verwijzing naar eerdergenoemde uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem en de rechtbank Amsterdam. Zijn standpunt komt er kort samengevat op neer dat handhaving van de termijn in dit geval een ongerechtvaardigde inmenging in zijn gezinsleven oplevert, dat de rechtszekerheid niet wordt geschaad bij het niet vasthouden aan de termijn en dat het belang van [kind] niet wordt beschermd door het vasthouden aan de termijn.
Het hof overweegt dat in tegenstelling tot de door de man aangehaalde zaken in deze zaak verschillende belangen spelen. Het belang van de man is erin gelegen dat het feit dat hij niet de biologische vader van [kind] is, maar wel haar juridische vader veel spanning geeft in zijn huidige gezin en dat hij wenst dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Dit is een invoelbaar belang. Daartegenover staat het belang van de rechtszekerheid en het belang van [kind] . De in de wet opgenomen termijnen zijn (naast het belang van de rechtszekerheid) in het belang van de rechtspositie van het kind, omdat ze voorkomen dat het kind omtrent zijn afstamming lang in onzekerheid verkeert. Ook al heeft [kind] geen emotionele band met de man, zij is haar hele leven bekend geweest met het feit dat de man haar juridische vader is en ze draagt zijn achternaam. Ontkenning van het vaderschap heeft ingrijpende gevolgen voor haar, voor haar nationaliteit, haar achternaam en daarmee ook haar identiteit. Onder deze omstandigheden dient het belang van de man naar het oordeel van het hof niet te prevaleren boven het belang van de rechtszekerheid en het belang van [kind] . Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de man wordt afgewezen en dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6.De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.