Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:228

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
23-002144-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 311 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis diefstal in vereniging met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal in vereniging van een mobiele loktelefoon van de politie. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, behalve de straf die werd verminderd van 10 naar 9 weken gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De verdediging stelde dat sprake was van ongeoorloofde uitlokking door de politie, omdat de verdachte geen intentie had tot diefstal voorafgaand aan het feit. Het hof oordeelde echter dat het plaatsen van een loktelefoon door de politie niet onrechtmatig is, mits het Tallon-criterium, proportionaliteit en subsidiariteit niet worden geschonden. Uit de feiten bleek dat de verdachte al zakkenrollersgedrag vertoonde en niet tot andere handelingen werd gebracht dan zijn opzet vooraf was gericht.

De strafvermindering werd toegepast vanwege een overschrijding van bijna anderhalf jaar van de redelijke termijn tussen het instellen van hoger beroep en de uitspraak. De verdachte had eerder een onherroepelijke veroordeling voor een vermogensdelict, wat meewoog in de strafoplegging. Het hof legde een gevangenisstraf van 9 weken op, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 9 weken opgelegd wegens diefstal in vereniging met strafvermindering vanwege overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002144-22
datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer
13-171788-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1998,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
  • de overweging met betrekking tot de (gestelde) uitlokking genoemd onder de kop “
  • de navolgende alinea uit de bewijsoverwegingen
  • artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften toevoegt;
  • de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat sprake is geweest van ongeoorloofde uitlokking van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachte, in tegenstelling tot hetgeen verbalisant [verbalisant] heeft geverbaliseerd, voorafgaand aan het feit geen zakkenrollersgedrag vertoonden en niet de intentie toonden om tot diefstal over te gaan. Verbalisant [verbalisant] heeft voorts in zijn proces-verbaal van bevindingen en verklaring tegenover de raadsheer-commissaris twee verschillende lezingen gegeven over de gang van zaken. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij op de vensterbank een telefoon zag liggen, erheen is gelopen en die heeft gepakt. Door de telefoon op de vensterbank te leggen heeft verbalisant [verbalisant] geen natuurgetrouwe situatie gecreëerd, maar een situatie waardoor de intentie van de verdachte is ontstaan om de telefoon te pakken. Hiermee is sprake van uitlokking en is het zogenoemde ‘Tallon-criterium’ geschonden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het plaatsen door de politie van een zogenoemde loktelefoon om op die manier personen die zich schuldig maken aan diefstallen – bijvoorbeeld in de vorm van zakkenrollerij – op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling. Het gebruik van een dergelijk lokmiddel is in het algemeen niet onrechtmatig indien daardoor (a) de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht (het Tallon-criterium), en (b) de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn geschonden (vgl. HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149 betreffende de inzet van een lokfiets).
Voor de beoordeling of voornoemde criteria en beginselen zijn geschonden, dient het hof allereerst de feitelijke gang van zaken vast te stellen. Daarbij gaat het hof uit van de inhoud van het door verbalisant [verbalisant] opgestelde proces-verbaal van bevindingen op de doorgenummerde pagina’s 6 en 7 en het daarop volgende proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 16 tot en met 18 van het politiedossier en niet van de verklaring die verbalisant [verbalisant] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Dat verhoor heeft immers bijna 3 jaren na het feit plaatsgevonden en de eerder genoemde processen-verbaal zijn op de dag van respectievelijk één dag na het feit opgesteld, waarmee het hof die processen-verbaal betrouwbaarder acht. Op basis van die voornoemde processen-verbaal stelt het hof de volgende gang van zaken vast.
Op 10 juli 2022 omstreeks 1.30 uur was verbalisant [verbalisant] , die een zogenaamde loktelefoon bij zich had, op de Warmoesstraat te Amsterdam. Daar zag hij twee personen, die later de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bleken te zijn, langslopende personen aftasten met hun ogen, elkaar aankijken nadat iemand voorbij was gelopen en dan met elkaar communiceren. De verbalisant herkende dit als zakkenrollersgedrag. Vervolgens ging de verbalisant tegenover de verdachte en de medeverdachte op een vensterbank zitten met de loktelefoon in zijn rechterhand. Zijn rechterhand met daarin de telefoon legde hij naast zich op de vensterbank. Vervolgens is de verdachte op de hand van de verbalisant gaan zitten en heeft hij de telefoon - door te gaan schuiven – uit de hand van de verbalisant gemanoeuvreerd. Daarna bemoeide medeverdachte [medeverdachte] zich ook weer met de situatie en werd de telefoon door hen samen gestolen, zoals weergegeven in de bewijsmiddelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, lag de telefoon daarbij dus niet naast de verbalisant vrij op de vensterbank.
Gelet op de voornoemde gang van zaken gaat het hof ervan uit dat de verdachte door het handelen van verbalisant [verbalisant] niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Voorafgaand aan de diefstal was immers al sprake van zakkenrollersgedrag. Voorts leidt de enkele omstandigheid dat de verbalisant een telefoon naast zich op een vensterbank in zijn hand hield, niet tot de conclusie dat geen sprake was van een natuurgetrouwe situatie. Ook zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit met dit handelen niet geschonden.
Het verweer wordt dan ook verworpen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht in strafverminderende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander stelen van een mobiele loktelefoon van de politie. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Zakkenrollerij, waaronder het handelen van de verdachte kan worden geschaard, is een hinderlijk feit dat bij slachtoffers – met name in het geval van een mobiele telefoon – ernstige overlast veroorzaakt en tot gevoelens van onveiligheid leidt, ook bij de samenleving in het algemeen. Dat de gestolen telefoon in het onderhavige geval een loktelefoon betrof, doet aan het strafrechtelijk verwijt ten aanzien van de verdachte niet af.
De verdachte is blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 eerder onherroepelijk veroordeeld voor een vermogensdelict. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor zakkenrollerij in georganiseerd verband een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden genoemd. Gelet hierop en de recidive, acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel passend en neemt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken als uitgangspunt.
Het hof heeft evenwel gelet op omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 5 augustus 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op
22 januari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met bijna 1 jaar en
6 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 week te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
Mr. Hinfelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]