Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van een 13-jarige minderjarige die sinds januari 2024 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 januari 2027, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht afwijzing van het verzoek tot verlenging.
Tijdens de zitting bleek dat de minderjarige zich goed ontwikkelt, goede schoolresultaten behaalt en baat heeft bij de hulpverlening van El Caminar. De moeder en de GI waren het erover eens dat de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk is, hoewel er nog geen contact is tussen de minderjarige en zijn vader. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens beëindiging van de ondertoezichtstelling.
Het hof oordeelde dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, maar dat deze inmiddels is afgenomen door de positieve effecten van de hulpverlening. De ondertoezichtstelling wordt daarom beëindigd vanaf de datum van de beschikking en het verzoek tot verlenging wordt afgewezen. De moeder zal de minderjarige motiveren de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt beëindigd vanaf de datum van de uitspraak wegens positieve ontwikkeling.