ECLI:NL:GHAMS:2026:2006

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
200.366.767/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek gezagsbeschikking na echtscheiding

De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin het gezamenlijk gezag over de minderjarige is beëindigd en aan de moeder het eenhoofdig gezag is toegekend. Hij verzocht tevens om schorsing van de werking van deze beschikking, zodat de situatie voorafgaand aan de uitspraak gehandhaafd zou blijven.

Het hof overwoog dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor deze ondanks het hoger beroep direct werking heeft. De vader stelde dat hij een zwaarwegend belang had bij schorsing om effectief te kunnen procederen en toegang te krijgen tot dossiers van professionals rondom de minderjarige. De moeder voerde verweer en stelde dat het belang van rust en stabiliteit voor haar en de minderjarige zwaarder weegt.

Het hof oordeelde dat het belang van de moeder en de minderjarige bij de uitvoerbaarheid van de beschikking zwaarder weegt dan het belang van de vader bij schorsing. Er was geen sprake van een kennelijke misslag in de beschikking. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de beschikking af en laat de beschikking van de rechtbank Amsterdam uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.767/02
zaaknummer rechtbank: C/13/738347 / FA RK 23-5521
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het incident (schorsing),
hierna: de vader,
advocaat: mr. S.N. Ziekman-Meijerink te Utrecht,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente]
verweerster in het incident (schorsing),
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of de werking van de beschikking van de rechtbank waarbij de moeder met het gezag over [minderjarige] is belast, moet worden geschorst.

2.Het verloop van de procedure

2.1
De vader is op 23 maart 2026 in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.366.767/01) van een beschikking van 24 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Daarnaast heeft hij een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking ingediend (zaaknummer: 200.366.767/02).
2.2
De moeder heeft op 4 mei 2026 een verweerschrift ten aanzien van het schorsingsverzoek ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen, zowel in de hoofdzaak als in het incidentele verzoek tot schorsing:
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026;
- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2026;
- een bericht van de zijde van de moeder van 28 mei 2026;
- een bericht van de zijde van de vader van 28 mei 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 29 mei 2026;
- een bericht van de zijde van de moeder van 31 mei 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 1 juni 2026, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 3 juni 2026,
- een bericht van de zijde van de moeder van 9 juni 2026.
2.4
De zitting heeft op 10 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de vader en de advocaat van de moeder hebben op de zitting pleitnotities overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]
2022.
3.2
De ouders zijn getrouwd geweest. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober
2024, onder meer, de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken en bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Het huwelijk van partijen is op 19 november 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
[minderjarige] en de moeder hebben sinds het uiteengaan van partijen hun verblijfplaats bij de ouders van de moeder in [plaats B] .
3.4
Bij beschikking van 23 april 2024 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de vader en [minderjarige] , eenmaal per week gedurende twee uur onder begeleiding van een medewerker van de hulpverleningsorganisatie ‘Het Opstapje’ op de locatie van samenwerkingsverband TIM [gemeente] , omgang met elkaar hebben.
3.5
Op 6 november 2025 heeft ‘Het Opstapje’ te kennen gegeven de begeleiding van de omgang niet meer te zullen bieden.

4.Het geschil

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – voor zover hier van belang – het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat het gezag over [minderjarige] aan de moeder alleen toekomt.
4.2
De vader verzoekt de schorsing van de werking van de bestreden beschikking te bevelen, voor zover het gezamenlijk gezag is beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag is belast.
4.3
De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer en vindt dat het hof dit verzoek van de vader moet afwijzen en dat de vader veroordeeld moet worden in de proceskosten.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking werking heeft, ondanks het hoger beroep van de vader. Het hof kan op grond van de wet – als uitzondering – toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd c.q. nog geen werking heeft zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Tussen partijen staat niet ter discussie dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing heeft genomen over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Met inachtneming van dat uitgangspunt gelden bij de beoordeling van het schorsingsverzoek van de vader de volgende maatstaven:
i) uitgangspunt is dat een uitgesproken beschikking als waarvan in deze zaak sprake is, hangende het hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn;
ii) afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de vader bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de moeder, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de afweging van de betrokken belangen ziet het hof aanleiding in dit geval ook de belangen van [minderjarige] te betrekken;
iii) bij de toepassing van de onder i) genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat het hof in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.
De standpunten
5.2
De vader stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij de schorsing van de werking van de bestreden beschikking, voor zover daarbij het gezamenlijk gezag is beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag is belast. Volgens de vader weegt zijn belang om de situatie te houden zoals voor de uitspraak, zodat hij effectief kan procederen in hoger beroep, zwaarder dan het belang van de moeder de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het verweer van de moeder ziet enkel op haar beschuldiging van intieme terreur in de hoofdzaak. Ter zitting heeft de vader benadrukt dat zijn belang bij behoud van gezamenlijk gezag er in de kern in is gelegen dat hij toegang nodig heeft tot alle dossierafschriften met gegevens die over [minderjarige] gaan, zodat hij kan laten zien wat zich daadwerkelijk tussen partijen en rondom [minderjarige] heeft afgespeeld. De vader moet in staat zijn aan het hof documenten over te leggen die door (zorg)professionals op neutrale en feitelijke wijze zijn opgemaakt, zodat de context goed beschreven en begrepen kan worden. Dossierinzage is daarom nodig voor effectieve waarheidsvinding en equality of arms. Inzage in de dossiers van, onder andere, het consultatiebureau, de GGD, de huisarts, Veilig Thuis, TIM [gemeente] , ’t Opstapje en de Raad voor de Kinderbescherming geeft de vader de mogelijkheid om op basis van door professionals vastgelegde neutrale informatie aan te kunnen tonen wat of wie de bron van de beschuldigingen is en een juiste tijdlijn te schetsen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat helder wordt wat er echt aan de hand is omdat [minderjarige] door de beschuldigingen op dit moment ten onrechte wordt weggehouden bij de vader.
5.3
De moeder vindt dat de vader zich niet houdt aan de waarheidsplicht en dat daarom zijn verzoeken niet-ontvankelijk moeten worden verklaard dan wel moeten worden afgewezen op grond van een schending van artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Mocht het hof de moeder hier niet in volgen dan is zij van mening dat het schorsingsverzoek van de vader moet worden afgewezen. Het belang van de moeder en [minderjarige] bij de uitvoerbaarheid van de beslissing weegt zwaarder dan het belang van de vader. Wanneer de werking van de beslissing wordt geschorst, kan de vader zich blijven mengen in het leven van [minderjarige] en de moeder, hetgeen voor grote onrust en angst zorgt. De vader blijft onwaarheden vertellen. Het processuele belang dat de vader stelt (dat hij voor zijn procesvoering inzage nodig heeft in de dossiers van de professionals om [minderjarige] heen), ontkent de moeder. Alle bewijsstukken waarnaar de rechtbank in de bestreden beschikking verwijst, zitten al in het procesdossier.
De beoordeling van het hof
5.4
De moeder heeft aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek, althans dat zijn verzoek moet worden afgewezen omdat sprake is van een ernstige schending van artikel 21 Rv Pro. Op grond van artikel 21 Rv Pro zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid naar voren te brengen. Indien een partij deze verplichting niet nakomt, kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij passend acht. Het hof overweegt dat de vraag of de vader de feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, een inhoudelijke beoordeling van zijn stellingen vereist. Die beoordeling hoort thuis in de bodemzaak. Het hof kan en zal in het kader van de beoordeling van het schorsingsverzoek niet vaststellen of sprake is van een schending van artikel 21 Rv Pro, althans dat sprake is van een zodanige schending dat hier gevolgen aan verbonden moeten worden. De vader zal worden ontvangen in zijn verzoek.
5.5
Het hof zal dus een belangenafweging moeten maken, waarbij de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende oordelen als uitgangspunt hebben te dienen. De vraag of de bestreden beschikking al dan niet geheel juist is en of de beslissing in hoger beroep in stand zal blijven, vormt niet de maatstaf aan de hand waarvan in de onderhavige kwestie (het verzoek tot schorsing) moet worden beslist.
Aan de zijde van de moeder en [minderjarige] speelt het belang dat er door de beslissing ten aanzien van het gezag relatieve rust is gekomen en dat er (gezags)beslissingen kunnen worden genomen over bijvoorbeeld vakanties, kinderopvang en een inschrijving bij de huisarts zonder dat die beslissingen gepaard gaan met conflicten tussen de ouders. Het belang van de moeder en [minderjarige] is dat die situatie van rust gehandhaafd blijft tijdens de lopende hoger beroepsprocedure. Aan de zijde van de vader is de nadruk gelegd op zijn belang dat hij een juridisch volwaardige positie wil hebben. Met name is het voor de vader belangrijk dat hij volledige toegang heeft tot alle dossiers van de professionals om [minderjarige] heen, gedurende de procedure in hoger beroep.
Het hof is van oordeel dat het belang van de moeder bij tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan het belang van de vader bij schorsing van de werking daarvan. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. De bepalingen met betrekking tot het ouderlijk gezag beogen niet de procedurele belangen van partijen te beschermen, maar om er voor te zorgen dat beslissingen over een minderjarige kunnen worden genomen op een wijze die het belang van de minderjarige dient. Het door de vader gestelde belang legt, onder die omstandigheden, dan ook onvoldoende gewicht in de schaal en kan niet tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking leiden.
Het hof is voorts niet gebleken van een kennelijke misslag in de bestreden beschikking die tot schorsing zouden nopen. Het hof zal daarom het schorsingsverzoek van de vader afwijzen.
Proceskostenveroordeling
5.6
Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de proceskostenveroordeling in het schorsingsverzoek dan ook afwijzen en bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
wijst af het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 24 december 2025 van de rechtbank Amsterdam;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en
mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadheer.