ECLI:NL:GHAMS:2026:1994

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.357.936/01 en 200.357.937/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 24 RvArt. 25 RvArt. 149 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over nakoming voorlopige partnerbijdrage en waardering motorvoertuig bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2025 gescheiden. Tijdens de echtscheidingsprocedure maakten zij afspraken over een voorlopige partnerbijdrage en de verdeling van hun motor en auto. De vrouw vordert nakoming van de afgesproken voorlopige partnerbijdrage van €1.589 per maand vanaf 1 september 2022, terwijl de man deze vanaf maart 2023 eenzijdig verlaagde.

De rechtbank wees het verzoek van de vrouw grotendeels af, met name vanwege rechtsverwerking. Het hof oordeelt echter dat de man gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de vrouw haar recht op de volledige bijdrage niet meer zou geldend maken na haar uitblijven van reactie op een e-mail van juli 2023. Het hof veroordeelt de man tot betaling van de afgesproken bijdrage voor de periode 1 september 2022 tot 1 september 2023.

Verder is er discussie over de waarde en peildatum van de motor Honda GL 1800 Goldwing. Het hof stelt de waarde vast op €14.000 per 3 november 2022, de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, en veroordeelt de vrouw tot betaling van €7.000 aan de man wegens de toedeling van de motor aan haar.

Ten slotte wordt de man veroordeeld tot betaling van €10.472,50, de helft van de verkoopopbrengst van de Ford Focus, binnen een week na de beschikking. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man moet de voorlopige partnerbijdrage betalen over 1 sep 2022 tot 1 sep 2023, de motor wordt gewaardeerd op €14.000 met betaling van €7.000 door de vrouw aan de man, en de man moet €10.472,50 aan de vrouw voldoen uit de verkoopopbrengst van de auto.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.357.936/01 en 200.357.937/01
zaaknummer rechtbank: C/15/333542 / FA RK 22-5185 en C/15/342088 / FA RK 23-3401
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. E.E. Tiebie te Heerhugowaard,
en
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. A.J. Butter te Hoorn.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of de vrouw nakoming kan vragen van een afspraak die partijen hebben gemaakt tijdens de echtscheidingsprocedure over een voorlopige partnerbijdrage. Daarnaast verschillen partijen van mening over de (peildatum van de) waardering van de motor.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
De vrouw is op 8 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking met de hierboven vermelde zaaknummers van 14 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna: de rechtbank).
2.2.
De man heeft op 19 september 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 29 oktober 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
De man heeft op 21 januari 2026 een nader verzoekschrift ingediend.
2.5.
De vrouw heeft op 12 maart 2026 een verweerschrift op het nader verzoekschrift ingediend en tevens zelf een aanvullend verzoek gedaan.
2.6.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 30 maart 2026, met bijlage (proces-verbaal eerste aanleg),
- een bericht van de zijde van de vrouw van 13 april 2026 met twee videofragmenten;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 15 april 2026, met bijlage (productie 28);
- een bericht van de zijde van de vrouw van 16 april 2026 met bijlage (productie 29);
- een bericht van de zijde van de man van 20 april 2026 (aanvullende producties mbt de motor en reactie op aanvullende verzoeken van de vrouw).
2.7.
De zitting heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de man heeft een pleitnota overgelegd.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen [in] 2006 te [plaats C] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk is op 27 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 november 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
Het verzoek tot echtscheiding is (door de vrouw) ingediend op 3 november 2022.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het volgende beslist:
“3.1 bepaalt dat de man € 867,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
3.2
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen als volgt vast:
- aan de man wordt toebedeeld de verkoopopbrengst van de auto type Ford Focus, onder de verplichting een bedrag van € 10.472,50 aan de vrouw te voldoen;
3.3
stelt de wijze van verdeling van de motor van het merk Honda GL 1800 Goldwing vast overeenkomstig hetgeen […] in rechtsoverweging 2.3.8 en 2.3.9 is bepaald.”
De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw om de man (primair) te veroordelen tot nakoming van de afspraak tussen partijen dat de man met ingang van 1 september 2022 een bijdrage van € 1.589,- zal voldoen aan de vrouw tot de datum van de echtscheidingsbeschikking en (subsidiair) de man te veroordelen de achterstallige partnerbijdrage van € 20.657 (berekend tot 1 november 2024) aan haar te voldoen afgewezen.
4.2.
De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
I. primair de man te veroordelen tot nakoming van de afspraak tussen partijen dat de man met ingang van 1 september 2022 een bijdrage van € 1.589,- aan de vrouw dient te voldoen tot de datum van de echtscheidingsbeschikking, subsidiair de man te veroordelen de achterstallige bijdrage aan de vrouw te voldoen;
II. te bepalen dat de motor van het merk Honda GL 1800 Goldwing aan de vrouw wordt toebedeeld tegen een waarde van € 6.500,-;
III. te bepalen dat de man binnen een week na de te wijzen beschikking de helft van de verkoopopbrengst van de auto, type Ford Focus te weten € 10.472,50 aan de vrouw dient te voldoen.
4.3.
De man verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij te bepalen dat een door het hof aan te wijzen taxateur de waarde van de motor zal bepalen ten tijde van de feitelijke verdeling van de motor, waarbij de op dat moment nog te verrichten en benodigde reparaties niet in mindering worden gebracht op de waarde van de motor, nu deze het gevolg zijn van normaal gebruik.
De man heeft op 21 januari 2026 een nader verzoekschrift ingediend waarin hij aanvullend verzoekt:
I. de vrouw in eerste aanleg gedeeltelijk te veroordelen in de proceskosten;
II. de vrouw in hoger beroep haar vordering te ontzeggen ten aanzien van de waarde van de motor;
III. te bepalen dat de waarde van de motor € 18.990,- is, althans een waarde te bepalen door een geregistreerd taxateur en dat de kosten van de taxatie door de vrouw gedragen worden dan wel;
IV. dat de gegeven omstandigheden een afwijking in de datum van verdeling rechtvaardigen, namelijk 1 november 2022 en te bepalen dat de waarde door een geregistreerd taxateur dient te worden vastgesteld en de vrouw de kosten van de taxatie draagt;
IV. alsmede dat de vrouw in hoger beroep in de integrale kosten voor het opstellen van dit aanvullend verzoekschrift wordt veroordeeld, zijnde € 1.791,41, alsmede in de helft van de kosten hier voorafgaand in hoger beroep, zijnde € 800,42;
V. alsmede dat de vrouw in hoger beroep primair in de proceskosten wordt veroordeeld, subsidiair in een gedeelte van de proceskosten;
VI. althans dat het hof de gevolgen van de schending van artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in goede justitie bepaalt.
4.4.
De vrouw verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep en zijn nadere verzoek, althans verzoeken af te wijzen althans bij toewijzing te bepalen dat de man de kosten van de register taxateur volledig dient te dragen.
De vrouw heeft haar verzoek op 12 maart 2026 aangevuld in die zin dat zij verzoekt te bepalen dat de man een week na de beschikking de helft van de waarde van de Ford Focus, te weten € 10.472,50 dient te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2025, althans vanaf zodanige datum als het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
In hoger beroep zijn aan de orde het verzoek van de vrouw tot nakoming van de afspraak over de voorlopige partnerbijdrage, de verzoeken van partijen met betrekking tot de (waarde van de) motor en het verzoek van de vrouw dat ziet op de betaling van de helft van de waarde van de Ford Focus, te weten € 10.472,50 door de man aan haar. De vrouw heeft daarnaast nog een aanvullend verzoek gedaan dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder stelt de man aan de orde dat de vrouw (in ieder geval deels) dient te worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof zal deze onderwerpen hierna bespreken.
Nakoming voorlopige partnerbijdrage
Standpunt vrouw
5.2.
De vrouw stelt in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zich zodanig heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is dat zij haar recht op nakoming van de afspraak tussen partijen nu alsnog geldend maakt (rechtsverwerking). Daarnaast heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte haar verzoek tot nakoming van en tot veroordeling van de man tot voldoening van de achterstallige partnerbijdrage afgewezen. Zij voert hiertoe kort samengevat het volgende aan.
Partijen en hun (toenmalige) advocaten zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2022 een tijdelijke bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zou gaan voldoen. Dit is niet in geschil. De man is vanaf 1 maart 2023 zonder overleg een lagere bijdrage aan de vrouw gaan betalen en uiteindelijk vanaf 1 september 2023 slechts € 331,- per maand. Er is hierover correspondentie geweest tussen de (toenmalige) advocaten van partijen. De vrouw is van advocaat gewisseld en de huidige advocaat heeft de advocaat van de man aangeschreven op 21 juli 2023. De advocaat van de man heeft op 28 juli 2023 hierop gereageerd. Op deze e-mail is niet meer gereageerd van de zijde van de vrouw.
Volgens de vrouw had de rechtbank niet tot het oordeel mogen komen dat er sprake is van rechtsverwerking omdat de man hier geen beroep op had gedaan. Op grond van artikel 24 jo Pro. 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter te beslissen op de grondslag die partijen aandragen. De rechtbank is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Daarnaast is de vrouw het niet eens met het oordeel dat sprake zou zijn van rechtsverwerking. Dat van de zijde van de vrouw niet meer is gereageerd op de e-mail van 28 juli 2023, brengt niet mee dat sprake is van rechtsverwerking. De man is er meerdere malen op gewezen door de advocaten van de vrouw dat de vrouw niet achter de verlaging van de partnerbijdrage stond. Hij had er dan ook vanuit kunnen gaan dat dat ook zo was na de e-mail van 28 juli 2023. De man geeft zelf immers ook in die e-mail aan dat hij verwacht dat de vrouw er niet mee in zou kunnen stemmen. De vrouw heeft er destijds over gedacht een voorlopige voorzieningenprocedure te starten, maar zij heeft dit vanwege de advocaatkosten gelaten. Bovendien ging zij ervan uit dat er op korte termijn in de bodemprocedure een zitting zou komen waar zij de voorlopige bijdrage wilde bespreken. Zij is de dupe geworden van de lange wachttijden bij de rechtbank. De zitting heeft pas meer dan een jaar na de e-mail van juli 2023 plaats gevonden.
De vrouw volgt het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is dat zij alsnog nakoming van de afspraak vordert. De vrouw benadrukt dat partijen een afspraak hadden. Als één van partijen aangeeft niet meer te kunnen voldoen aan de afspraak dient niet het gevolg te zijn dat die afspraak na enige tijd niet meer geldend is. De man had een procedure moeten beginnen om de afspraak te wijzigen.
De vrouw heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar recht op de gemaakte afspraak niet meer zou vorderen. Daarnaast wordt de man ook niet onredelijk benadeeld, hij heeft een flinke overwaarde uit de woning ontvangen en kan het achterstallige bedrag daaruit zo aan de vrouw voldoen. De vrouw benadrukt dat voor rechtsverwerking meer nodig is dan het feit dat zij niet meer heeft gereageerd en geen actie heeft ondernomen. Er is meer nodig dan enkel tijdsverloop.
Standpunt man
5.3.
De man is het kort gezegd eens met de beslissing van de rechtbank. Hij betwist dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De rechter heeft de rechtsgrondslag van de aangevoerde feiten aangevuld, dat mag op grond van artikel 25 Rv Pro. Verder voert de man onder meer aan dat de vrouw meerdere keren heeft aangegeven dat zij het niet eens was met de gewijzigde alimentatie, maar dat was voor 28 juli 2023. Na de e-mail van de advocaat van de man van 28 juli 2023 heeft zij niet meer gereageerd. Daarvoor is er steeds wel gereageerd op berichten van de zijde van de man. Nu op dat laatste bericht geen reactie kwam en ook geen aankondiging van een voorlopige voorzieningenprocedure mocht de man erop vertrouwen dat de vrouw akkoord was met de uitleg en de toelichting op de situatie.
Beoordeling
5.4.
Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De rechter mag ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. De man heeft (ook) in eerste aanleg aangevoerd dat hij vanwege het uitblijven van een reactie van de vrouw ervan uit is gegaan dat zij zich had neergelegd bij de lagere partnerbijdrage. Daarnaast brengt de herstelfunctie in hoger beroep mee dat het partijen vrijstaat om eventuele in eerste aanleg niet naar voren gebrachte stellingen alsnog in te nemen. Dus ook als de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden, hetgeen naar het oordeel van het hof niet het geval is, kan deze stelling van de vrouw niet tot vernietiging van de beschikking leiden. Wel kan in hoger beroep een herbeoordeling plaatsvinden.
Aan het hof ligt dan ook ter beoordeling voor de vraag of de vrouw zich zodanig heeft gedragen dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het geldend maken van haar recht op nakoming van de afspraak tussen partijen (rechtsverwerking). Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.
Partijen zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2022 een tijdelijke bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zou gaan voldoen van € 1.000,- netto en € 1.589,- bruto, zo blijkt uit een e-mail van de advocaat van de man van 19 augustus 2022. Ook heeft de vrouw op 3 februari 2023 een aanvullend verzoek gedaan aan de rechtbank tot vaststelling van een partnerbijdrage van 1.498,- bruto per maand.
De man heeft de “voorlopige” bijdrage met ingang van 1 maart 2023 eenzijdig verlaagd. De (toenmalige) advocaat van de vrouw heeft de advocaat van de man op 13 februari 2023 en op 31 maart 2023 e-mails gestuurd waarin onder andere staat dat het niet netjes is dat de man de voorlopige partneralimentatie eigenhandig heeft verlaagd, dat hij zich niet aan de afspraak houdt en dat hij weigert de partneralimentatie te indexeren.
De advocaat van de man heeft gereageerd per e-mail van 24 mei 2023 waarin ten aanzien van de partnerbijdrage staat dat de man deze niet meer kan voldoen omdat hij, vanwege de verkoop van de echtelijke woning, een periode dubbele woonlasten heeft en omdat hij op advies van de bedrijfsarts minder is gaan werken. Als medische onderzoeken ertoe leiden dat de man 24 uur per week blijft werken zal dit gevolgen hebben voor de hoogte van de partneralimentatie, aldus de e-mail. Uit de door de vrouw overgelegde nagekomen stukken van 15 april 2026 blijkt dat de (toenmalige) advocaat van de vrouw bij e-mail van 30 juni 2023 aan de advocaat van de man wederom kort gezegd heeft aangegeven dat de man een lagere bijdrage heeft overgemaakt dan de afgesproken bijdrage. Ook staat in de e-mail dat als de man blijft afwijken van de gemaakte afspraak, zonder dat een nieuwe afspraak is gemaakt, de gemaakte afspraak alsnog in de bodemprocedure zal worden ingebracht.
De (huidige) advocaat van de vrouw heeft op 21 juli 2023 aan de advocaat van de man een e-mail gestuurd waarin kort gezegd staat dat de vrouw het niet eens is met de verlaging van de partnerbijdrage, dat de dubbele woonlasten slechts een periode van twee maanden betreft en dat zij verzoekt dat de man de achterstallige en de geïndexeerde partnerbijdrage voldoet.
De advocaat van de man heeft per e-mail van 28 juli 2023 geantwoord, waarin hij bericht dat de man vanwege medische klachten op advies van de bedrijfsarts 24 uur per week is gaan werken en dat de man een hogere woonlast heeft dan de forfaitaire last. Bijgevoegd zijn blijkens de e-mail een loonstrook en een draagkrachtberekening. De conclusie in de e-mail is dat de man een partnerbijdrage van € 331,- per maand zal gaan betalen aan de vrouw. De advocaat sluit de mail af met “
Uw cliënte zal zich, naar ik aanneem, niet mee kunnen verenigen. Ik verneem dan ook wel van u.” In hoger beroep staat vast dat van de zijde van de vrouw niet is gereageerd op deze e-mail. Pas bij brief aan de rechtbank van 10 oktober 2024, meer dan een jaar later, heeft de vrouw nakoming gevraagd van de afspraak over de voorlopige bijdrage.
Hoewel bij een beroep op rechtsverwerking in het algemeen wordt aangenomen dat het enkele stilzitten van een partij niet voldoende is, kan een gedraging, waaronder ook een nalaten bij de wederpartij een zodanig vertrouwen hebben opgewekt of zijn positie zodanig onredelijk hebben verzwaard, dat de eisende partij in redelijkheid geen beroep meer kan doen op het door die partij ingeroepen recht. Het hof is in het onderhavige geval van oordeel dat de man erop mocht vertrouwen dat de vrouw haar recht op de (volledig) afgesproken voorlopige bijdrage niet meer geldend zou maken. Daarbij is van belang dat het om een bijdrage in het levensonderhoud gaat, waarbij van de meest recente (financiële) gegevens moet worden uitgegaan en dat een dergelijke bijdrage een aanpassing behoeft zo gauw zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. De man heeft aan de vrouw laten weten dat er een relevante wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden en dat hij de afgesproken bijdrage niet (meer) kon betalen. De man heeft daarbij aan de vrouw inzicht gegeven in zijn financiële situatie door een loonstrook en een draagkrachtberekening aan haar te sturen. De vrouw is in de e-mail expliciet uitgenodigd om te reageren.
Het hof weegt verder mee dat beide partijen hebben benoemd dat het een “voorlopige” afspraak betrof, en dat de afspraak is gemaakt in een periode in aanloop naar de echtscheiding, in welke periode veel veranderde, waaronder de verkoop van de echtelijke woning. Uit het dossier blijkt dat de advocaten van partijen in de periode van februari t/m juli 2023 met elkaar mailden over de alimentatie en andere zaken waarover zij tot afspraken probeerden te komen. Zij hebben daarbij steeds op elkaar gereageerd. In die zin is het uitblijven van een reactie op die laatste e-mail van 28 juli 2023 over de alimentatie dan ook afwijkend. Het hof is van oordeel dat gelet op de bijzondere bijkomende omstandigheden, namelijk de uitgebreide onderbouwing van de gewijzigde partnerbijdrage, de uitnodiging om te reageren en de eerdere reacties over en weer van de advocaten van partijen op elkaar, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak op het oorspronkelijk afgesproken bedrag niet meer geldend zou maken. Daarnaast is het hof van oordeel dat de vrouw moet hebben beseft dat de positie van de man onredelijk verzwaard zou worden, indien zij haar aanspraken alsnog geldend zou maken. Duidelijk is dat de man, zoals ook blijkt uit de beschikking van de rechtbank, niet (langer) in staat was de afgesproken partnerbijdrage van € 1.589,- per maand te voldoen. Door de rechtbank is in de bodemprocedure de definitieve partnerbijdrage op een bedrag van € 867,- vastgesteld. De draagkracht van de man was dan ook niet toereikend. Nu de man aan de hand van (de bijlagen bij) de e-mail van 28 juli 2023 de vrouw inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, moet ook voor de vrouw duidelijk zijn geweest dat de man onvoldoende draagkracht had om de afgesproken voorlopige bijdrage te voldoen. Als de vrouw de man had laten weten dat zij niet instemde met het door hem berekende bedrag hadden partijen in overleg kunnen treden om gezamenlijk tot een oplossing te komen of had de man een procedure kunnen beginnen om de afspraak te wijzigen. Door pas ruim een jaar later – in oktober 2024 - zonder meer nakoming van de oorspronkelijke bijdrage te vragen kort voor de zitting bij de rechtbank heeft zij de man die mogelijkheden ontnomen. Dat de man inmiddels, evenals de vrouw, een bedrag uit de overwaarde van de echtelijke woning had ontvangen maakt dit niet anders.
De vrouw heeft nog aangevoerd dat zij de dupe is geworden van de lange wachttijden bij de rechtbank, omdat het veel langer heeft geduurd voordat er een zitting was gepland dan zij had verwacht. Dit kan naar het oordeel van het hof niet tot een andere beslissing leiden. Het is ongelukkig dat partijen lange tijd hebben moeten wachten voordat er een zitting bij de rechtbank was gepland, maar dit stond er niet aan in de weg dat de advocaat van de vrouw op de laatste e-mail van de advocaat van de man had kunnen reageren en had kunnen laten weten dat de vrouw het niet eens was met de door de man voorgestelde partnerbijdrage. De grief van de vrouw slaagt dan ook niet voor zover het ziet op de verlaging van de partnerbijdrage zoals door de man toegelicht in de e-mail van 28 juli 2023, welke bijdrage de man zoals uit productie 19 (achter het beroepsschrift) blijkt met ingang van 1 september 2023 is gaan betalen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
5.5.
Het hof ziet wel aanleiding het verzoek van de vrouw toe te wijzen voor zover het ziet op de periode tot 1 september 2023. Uit voornoemde productie 19 blijkt dat de man met ingang van maart 2023 niet langer het bedrag van € 1.589,- per maand aan de vrouw betaalde, maar lagere bedragen, te weten € 1.489,- per maand, twee maanden € 1.300,- per maand, twee maanden € 800,- per maand en vervolgens met ingang van 1 september 2023 € 331,- per maand. In de periode voorafgaande aan de e-mail van 28 juli 2023 heeft de vrouw bovendien wel meerdere malen laten weten dat zij niet instemde met de gewijzigde bijdrage. Het hof zal daarom bepalen dat de man voor de periode van 1 september 2022 tot 1 september 2023 gehouden is de door partijen afgesproken bijdrage van € 1.589,- per maand aan de vrouw te voldoen. De eerste grief van de vrouw slaagt in zoverre.
De (waarde van de) motor
5.6.
Tussen partijen is de toedeling van de motor aan de vrouw niet in geschil. Wel verschillen partijen van mening over de waarde van de motor en van welke peildatum moet worden uitgegaan voor de bepaling van die waarde.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking in het dictum de wijze van de verdeling van de motor type Honda GL1800 Goldwing vastgesteld overeenkomstig hetgeen in rechtsoverweging 2.3.8 en 2.3.9 is bepaald. In die overwegingen is kort gezegd bepaald dat de motor getaxeerd moet worden, dat de vrouw twee taxateurs zal voorstellen waarna de man er één zal kiezen en dat de motor tegen de getaxeerde waarde aan de vrouw zal worden toebedeeld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de rechtbank de vrouw niet volgt in haar stelling dat op de waarde van de motor de kosten van de al verrichte en nog benodigde reparaties in mindering moeten worden gebracht.
5.7.
Partijen hebben in principaal en incidenteel hoger beroep grieven gericht tegen de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel. De man heeft vervolgens nog een nader verzoekschrift ingediend dat ziet op ditzelfde onderwerp. De vrouw heeft zich tegen dit nader verzoekschrift verweerd. De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep en het aanvullend verzoek van de man en het verweer daarop zullen hieronder voor zover mogelijk gezamenlijk worden besproken.
Standpunt vrouw
5.8.
De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de motor moet worden getaxeerd. Zij voert daartoe kort samengevat het volgende aan. De vrouw heeft conform de bestreden beschikking twee taxateurs aan de man voorgesteld, waaruit door de man één taxateur ( [X] ) is gekozen. Deze taxateur heeft de motor getaxeerd, waarbij geen van partijen aanwezig was. Het taxatierapport is aan de advocaat van de man gestuurd, maar die heeft niet ingestemd met de taxatie. De advocaat van de man heeft daarbij onder meer aangegeven dat nog te verrichten reparaties (omvalschade) en achterstallig onderhoud buiten beschouwing dienen te blijven. Partijen komen er niet uit en de man stelt nu een niet onderbouwde waarde van € 14.000,-. De vrouw acht dit niet realistisch. De vrouw is het niet eens met de man dat de peildatum van indiening van het verzoek tot echtscheiding moet worden gevolgd en dat reparaties niet in mindering gebracht mogen worden. De vrouw is van mening dat als peildatum voor de waardering van de motor van de datum van de bestreden beschikking moet worden uitgegaan omdat de motor in die beschikking aan de vrouw is toebedeeld. De vrouw verzoekt de motor aan haar toe te delen tegen de waarde van € 6.500,-, conform de taxatie van [X] .
In reactie op het aanvullende verzoek van de man met betrekking tot de motor stelt de vrouw dat zij, anders dan de man stelt, niet bewust informatie heeft achtergehouden. Zij was in de veronderstelling dat zij de motor had aangeschaft voor € 11.500,- en heeft in haar bankafschriften gezocht, waaruit bleek dat zij dit bedrag had betaald. De vrouw ziet nu in dat zij zich heeft vergist in de aanschafwaarde van de motor, maar zij is van mening dat hier niet naar moet worden gekeken, het gaat om de taxatiewaarde. Er is geen sprake van een schending van artikel 21 Rv Pro. Het zou dan ook onredelijk zijn als op grond van artikel 21 Rv Pro een sanctie zou volgen.
Standpunt man
5.9.
De man wijst erop dat de vrouw wisselende standpunten met betrekking tot de waarde van de motor heeft ingenomen. Zij heeft verschillende taxaties overgelegd die allemaal door de man zijn weerlegd. Ook heeft zij in oktober 2024 aangegeven dat de motor onberijdbaar is en dat allerlei reparaties plaats dienen te vinden waardoor de motor een waarde van € 731,86 zou vertegenwoordigen. De man heeft geconcludeerd dat uit de taxaties die de vrouw heeft overgelegd de waarde niet kan worden afgeleid en dat niet kan worden geconcludeerd dat allerlei kosten waardeverminderend zijn. De rechtbank heeft de man hierin gevolgd. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij de motor voor € 11.000,- heeft gekocht. Zij heeft daarbij niet vermeld dat zij haar vorige motor heeft ingeruild bij de aankoop. De vrouw heeft de motor na de bestreden beschikking laten taxeren, maar kennelijk heeft zij de taxateur niet juist geïnstrueerd want in de taxatie staat dat sprake is van achterstallig onderhoud.
De man stelt verder dat de rechtbank heeft bepaald dat ten aanzien van de motor de datum van de feitelijke verdeling geldt. De feitelijke verdeling heeft plaatsgevonden toen de vrouw de woning verliet op 1 november 2022. De motor was toen in goede staat. De man heeft om in onderling overleg tot een oplossing te komen een waarde van € 14.000,- gehanteerd. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man dat een door het hof aangewezen registertaxateur de taxatie van de motor uitvoert per de datum van de feitelijke verdeling waarbij de vrouw de kosten draagt.
5.10.
De man heeft na zijn incidenteel hoger beroep nog een aanvullend verzoek ingediend (zoals omschreven in rechtsoverweging 4.3).
Hij heeft deze verzoeken ingediend omdat er volgens hem sprake is van een schending van artikel 21 Rv Pro door de vrouw. De man heeft de aankoopfactuur van de motor weten te bemachtigen. Hieruit blijkt dat de aanschafwaarde van de motor € 18.990,- was, de vrouw heeft maar € 11.500,- hoeven te betalen omdat zij haar eerdere motor heeft ingeruild en een korting van € 1.500,- kreeg. De vrouw heeft in eerste aanleg een bankafschrift overgelegd waaruit de betaling van € 11.000,- bleek. Pas in hoger beroep heeft zij vermeld dat zij bij de aankoop een motor had ingeruild. Zij heeft in hoger beroep dus een ander standpunt ingenomen dan in eerste aanleg. Door de factuur achter te houden heeft zij geprobeerd de man en het hof te misleiden. Ook had zij de motor aanvankelijk niet genoemd in haar opstelling van het te verdelen vermogen. Verder heeft zij volgens de man de taxateur niet goed geïnstrueerd, omdat in het taxatierapport nadrukkelijk is opgenomen dat sprake is van achterstallig onderhoud en omvalschade. De rechtbank heeft echter overwogen dat op de waarde van de motor niet al verrichte en nog benodigde reparaties in mindering moeten worden gebracht. De man is van mening dat op het schenden van artikel 21 Rv Pro een strenge sanctie dient te staan. Hij verzoekt daarom de vrouw haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van de motor te ontzeggen, de waarde van de motor te bepalen op € 18.990,- althans een waarde door een geregistreerd taxateur te laten bepalen waarvan de kosten voor de vrouw komen. De man stelt dat in de gegeven omstandigheden een afwijking van de peildatum gerechtvaardigd is, namelijk de datum waarop de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, op 1 november 2022. Daarnaast verzoekt de man de vrouw (gedeeltelijk) te veroordelen in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Beoordeling
5.11.
Het hof ziet aanleiding eerst het aanvullende verzoek van de man en zijn stelling dat de vrouw artikel 21 Rv Pro heeft geschonden te bespreken. Het hof overweegt dat de vrouw geen volledige informatie heeft verschaft over de aanschafwaarde van de motor. Het had op haar weg gelegen zich in te spannen de relevante informatie te verzamelen met betrekking tot de aankoop van de motor en deze informatie in de procedure te overleggen. Het hof is echter niet van oordeel dat sprake is van een zodanige schending van artikel 21 Rv Pro dat de door de man in zijn verzoeken opgenomen sancties gerechtvaardigd zijn.Daarbij neemt het hof in overweging dat in eerste aanleg ook al aan de orde is geweest dat de vrouw bij de aanschaf van de motor een eerdere motor heeft ingeruild en dat de rechtbank in het licht van de discussie tussen partijen over de waarde van de motor, heeft bepaald dat de motor getaxeerd moet worden. Dat betekent dat de waarde van de motor tegen de datum van taxatie diende te worden vastgesteld, waarbij de rechtbank een instructie heeft gegeven voor een correctie in verband met – naar het hof veronderstelt - het gebruik van de motor door enkel de vrouw. In dat licht bezien was de aanschafwaarde van ondergeschikt belang. Het hof zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen. De man heeft in het kader van de door hem gestelde schending van artikel 21 Rv Pro ook een verzoek met betrekking tot de peildatum van de waardering gedaan. De vraag van welke peildatum voor de waardering van de motor uitgegaan dient te worden zal hierna bij de inhoudelijke beoordeling aan de orde komen. Dit staat echter los van de door de man gestelde schending van artikel 21 Rv Pro.
5.12.
Ten aanzien van de waarde van de motor overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is in geschil van welke peildatum voor de waardering van de motor moet worden uitgegaan.
Als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, geldt in de regel de datum van de verdeling. Dit is slechts anders als (i) partijen een andere datum zijn overeengekomen, of (ii) als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279).
Het hof is van oordeel dat in deze zaak de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor de waardering van de motor van de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap (3 november 2022) moet worden uitgegaan en overweegt hiertoe als volgt.
Vaststaat dat de vrouw de motor sinds het uiteengaan van partijen (kort voor 3 november 2022) bij zich heeft gehouden. Het verzoek tot echtscheiding is op 3 november 2022 ingediend. De bestreden beschikking, waarbij de motor aan de vrouw is toegedeeld, is van 14 mei 2025, dus circa tweeëneenhalf jaar later. De vrouw heeft de motor al die tijd onder zich gehad. Zij heeft intensief gebruik gemaakt van de motor. Uit de aankoopfactuur van 14 september 2019 blijkt een waarde van € 18.990,- en een kilometerstand van destijds 56.581 en uit de taxatie van [X] van 6 juni 2025 blijkt een waarde van € 6.500,- en kilometerstand van 136.000. Daarnaast blijkt uit die laatste taxatie dat bij de waardebepaling van belang is dat er sprake is van een aanzienlijke kilometerstand, divers achterstallig onderhoud en omvalschade. De vrouw heeft in eerste aanleg verklaard, zo blijkt uit het proces-verbaal, dat de versnellingsbak van de motor gerepareerd moest worden, dat zij er te lang mee was doorgereden en dat zij zo vaak rijdt als zij kan, dat het haar hobby is.
De motor heeft zich in de hele periode na het indienen van het echtscheidingsverzoek binnen de risicosfeer van de vrouw bevonden. De vrouw heeft de stelling van de man dat de motor ten tijde van het indienen van het echtscheidingsverzoek in goede staat was niet, althans onvoldoende weersproken. Het hof acht het dan ook niet redelijk dat de waardedaling in de periode erna (mede) ten laste van de man wordt gebracht.
Uit het voorgaande volgt dat het hof als peildatum voor de waardering van de motor uit zal gaan van 3 november 2022. Het hof zal geen taxateur benoemen om de waarde van de motor op deze datum in het verleden vast te stellen, maar zal de waarde bepalen op grond van de informatie in het dossier. Het hof neemt daarbij in aanmerking de aanschafwaarde van € 18.990,- op 14 september 2019. Gelet op de kilometerstand van 136.000 op 6 juni 2025 gaat het hof ervan uit dat de vrouw ongeveer 14.000 kilometer per jaar rijdt. Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om aan te sluiten bij de door de man geschatte waarde van € 14.000,-, zoals staat in de e-mail van de advocaat van de man van 21 juli 2025. Deze waarde sluit naar het oordeel van het hof het meest aan bij de aankoopprijs, de geschatte kilometerstand en de staat van de motor op 3 november 2022. Ook de door de man in eerste aanleg en hoger beroep overgelegde taxaties, dan wel verkoopadvertentie van min of meer soortgelijke motoren onderschrijven deze waarde. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de motor getaxeerd dient te worden en zal bepalen dat de waarde van de motor € 14.000,- bedraagt en dat de vrouw in het kader van de verdeling € 7.000,- aan de man dient te betalen.
Verzoek betaling bedrag Ford Focus
5.13.
De rechtbank heeft bepaald dat aan de man de verkoopopbrengst van de Ford Focus wordt toebedeeld onder de verplichting om een bedrag van € 10.472,50 aan de vrouw te voldoen. De man heeft dit bedrag nog niet aan de vrouw betaald omdat de waarde van de motor nog niet duidelijk was. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man het bedrag binnen een week na de beschikking van het hof aan haar dient te voldoen. Het hof zal dit verzoek toewijzen nu de rechtbank al op 14 mei 2025 heeft bepaald dat de man dit bedrag aan de vrouw diende te voldoen.
Aanvullend verzoek van de vrouw met betrekking tot de wettelijke rente
5.14.
De vrouw heeft haar verzoek op 12 maart 2026 aangevuld en verzocht dat de man het bedrag € 10.472,50 uit de verkoopopbrengst van de Ford Focus aan haar moet voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2025. De man heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek.
5.15.
Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep moeten in beginsel bij beroepschrift worden aangevoerd. Van deze strakke regel kan worden afgeweken, onder meer indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering kan plaatsvinden en als er nieuwe omstandigheden zijn, die voor de juiste en volledige beoordeling van het geschil van belang zijn. Daarbij blijft gelden dat toelating van de verandering of vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. Het hof is van oordeel dat de vrouw – mede gelet op het bezwaar van de man –onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van nieuwe omstandigheden die de vermeerdering van het verzoek in dit late stadium rechtvaardigen. Het hof zal dit verzoek daarom buiten beschouwing laten.
Proceskosten
5.16.
De man heeft in het kader van zijn aanvullende verzoek verzocht de vrouw, vanwege schending van artikel 21 Rv Pro, in de proceskosten te veroordelen in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof heeft reeds overwogen dat geen sprake is van een voldoende relevante schending van artikel 21 Rv Pro die de door de man in zijn verzoeken opgenomen sancties rechtvaardigt en dat de verzoeken van de man zullen afgewezen. Het hof zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.17.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot nakoming van de voorlopige bijdrage is afgewezen voor de periode van 1 september 2022 tot 1 september 2023 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man gehouden is tot nakoming van de afspraak tussen partijen dat de man een voorlopige bijdrage aan de vrouw van € 1.589,- per maand dient te voldoen voor de periode van 1 september 2022 tot 1 september 2023;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de motor van het merk Honda GL1800 Goldwing getaxeerd dient te worden en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de waarde van de Honda GL1800 Goldwing € 14.000,- bedraagt en dat de vrouw vanwege de toedeling aan haar van de motor een bedrag van € 7.000,- aan de man dient te betalen;
bepaalt dat de man binnen een week na deze beschikking de helft van de verkoopopbrengst van de auto, type Ford Focus te weten € 10.472,50 aan de vrouw dient te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. H.A. van den Berg en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.