ECLI:NL:GHAMS:2026:1938

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.353.913/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:48 BWArt. 5:73 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging parkeerverbod op erfdienstbaarheidsstrook tussen buren

Partijen zijn buren en mede-eigenaren van een strook grond waarop een wederkerige erfdienstbaarheid van weg rust. De voorzieningenrechter oordeelde dat parkeren op deze strook niet is toegestaan omdat dit de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmert. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep van appellant af.

De akte van vestiging van de erfdienstbaarheid bepaalt dat beide partijen het recht hebben om over en weer de strook te gebruiken als weg, zonder belemmeringen zoals het parkeren van auto's. Hoewel de akte geen expliciet parkeerverbod bevat, leidt een objectieve uitleg in het licht van de gehele akte tot het verbod op parkeren, omdat dit het wederkerige karakter van de erfdienstbaarheid ondermijnt.

Het hof verwerpt ook het beroep op plaatselijke gewoonte en correspondentie na de akte, en wijst de vordering van geïntimeerden tot het opleggen van dwangsommen af wegens procedurele tekortkomingen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het parkeerverbod op de erfdienstbaarheidsstrook en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team handel
zaaknummer : 200.353.913/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/761096 / KG ZA 24-1007
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A.S.D. Lijkwan te Amsterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [plaats 1] ,
2.
[geïntimeerde 2],
wonend in [plaats 1] ,
3.
[geïntimeerde 3] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. G.C.M. Schipper te Heemstede.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. Geïntimeerden worden hierna samen [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren. Zij zijn beide voor de helft eigenaar van een strook grond. Op die strook is over en weer een erfdienstbaarheid van weg gevestigd om te komen en te gaan van en naar [straat] . Partijen verschillen van mening over de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening ervan. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat partijen niet gerechtigd zijn om auto’s op de strook te parkeren. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 20 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 29 januari 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens houdende sommatie tot nakoming, met producties.
2.3.
Op 12 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en nadere producties in het geding gebracht. In een ter zitting ingediende akte hebben [geïntimeerden] gevorderd dat aan de in het bestreden vonnis uitgesproken veroordeling alsnog dwangsommen worden verbonden.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.15. de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn sinds 2 maart 1998 elk voor de onverdeelde helft eigenaar van het perceel aan [straat] te ( [postcode] ) [plaats 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie W, nummer 7610. [geïntimeerde 3] is de vennootschap van [geïntimeerde 1] en is gebruiker van de ruimte op de begane grond van de opstal van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
3.2.
[appellant] is sinds 4 april 2019 eigenaar van het perceel aan [straat] 80A-80E, kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie W, nummer 8614.
3.3.
Op de percelen van partijen rust over en weer een erfdienstbaarheid van weg, om vanaf het binnenterrein van de opstallen aan [straat] 79-80 te komen en te gaan van en naar [straat] , via de bestaande poort, lopende over de volledige lengte van de erfgrens. De erfdienstbaarheid is gevestigd bij akte van 1 februari 1990 (hierna: de akte). De erfgrens is op de onderstaande uitsnede van een aan de akte gehechte tekening weergegeven als de lijn die loopt van A naar B en vervolgens van B naar C. De erfdienstbaarheid omvat ter hoogte van de lijn A-B het gehele pad en ter hoogte van de lijn B-C een strook ter breedte van drie meter aan beide zijden. De afstand C-D in de tekening bedraagt drie meter.
3.4.
De tekst van de akte luidt voor zover van belang als volgt:
Partijen verklaarden bij deze te vestigen, over en weer ten behoeve en ten laste van het bij verkopers verblijvende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [plaats 1] sectie W nummer 6842 en ten behoeve en ten laste van het bij deze akte overgedragen en aanvaarde gedeelte van genoemd kadastraal perceel, de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar [straat] (via de bestaande poort) en wel over de bestaande weg, lopende over de gehele breedte van dit gedeelte van genoemd kadastraal perceel ter lengte van de lijn A-B op voornoemde kaart, en ter lengte van de lijn B-C op voornoemde kaart over een breedte van drie meter aan elk van beide zijden van deze lijn. (…) de eigenaren van de lijdende erven zullen generlei handeling mogen verrichten of laten verrichten ter belemmering van de uitoefening van voorschreven erfdienstbaarheid; speciaal zal het hen niet zijn toegestaan de uitweg op enigerlei wijze af te sluiten.
3.5.
In 2004 hebben onder meer [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en de ouders van [appellant] een convenant gesloten met betrekking tot het gebruik van het binnenterrein.
3.6.
Bij brief van 14 augustus 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerden] onder meer het volgende aan [appellant] geschreven:
Met deze brief wordt u namens cliënt verzocht en zo nodig gesommeerd:
1. om de erfdienstbaarheidin acht te nemenenna te leven, door de zone van drie meter evenwijdig aan de erfgrens tussen de kadastrale percelen W 7640 en W 7641 enerzijds en uw perceel W 8614 anderzijds niet te blokkeren of belemmeren, daarop niet te parkeren en (…) deze ook niet voor parkeren in gebruik te geven; en
2. dat ook blijvend in acht te nemen.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1.
Samengevat hebben [geïntimeerden] bij de voorzieningenrechter gevorderd om:
I. te bevelen dat [appellant] de erfdienstbaarheid correct naleeft en zich onthoudt van gedragingen die de uitoefening van dat recht belemmeren, zoals het (laten) plaatsen van objecten of het (laten) parkeren van voertuigen die de toegang of doorgang (kunnen) belemmeren;
II. te bevelen dat [appellant] zich onthoudt van inbreuken op het eigendomsrecht van [geïntimeerden] , waaronder het respecteren van de erfdienstbaarheid en het niet betreden of benutten van het perceel van [geïntimeerden] anders dan toegestaan;
III. [appellant] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij in strijd handelt met een of meer van de bevelen onder I. en II., tot een maximum van
€ 30.000,00 is bereikt, of tot een door de voorzieningenrechter te bepalen maximum;
IV. [appellant] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het stelselmatig (laten) parkeren van auto’s door [appellant] op zijn zijde van de strook grond waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd (hierna: de strook) zich niet verhoudt tot de tekst en het doel van de erfdienstbaarheid. Die voorziet immers in een volledig gelijkwaardige verdeling van de lusten en de lasten en heeft betrekking op de volledige strook. De erven zijn over en weer dienend en heersend. Dit laat een voordeel voor slechts één eigenaar niet toe. Voldoende aannemelijk is dat het destijds de bedoeling was om een vrije strook van zes meter breed te creëren. Dit is volgens de voorzieningenrechter ook in lijn met de inhoud van een e-mail van de vader van [appellant] , die destijds ook partij was bij de akte. Het plaatsen van obstakels op de strook, zoals (structureel) geparkeerde auto’s, levert dus een niet toegestane belemmering van de uitoefening van de erfdienstbaarheid op. De weg mag op geen enkele manier en dus ook niet gedeeltelijk worden afgesloten. Enige afsluiting strookt ook niet met de in het convenant van 11 maart 2004 tot uiting gebrachte bedoelingen van de erfdienstbaarheid.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft de vordering zoals vermeld onder I. toegewezen. De vordering onder II. is afgewezen, omdat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft gezien voor toewijzing van dit bevel naast toewijzing van de vordering onder I. De voorzieningen-rechter heeft de gevorderde dwangsom afgewezen omdat [appellant] ter zitting heeft toegezegd vrijwillig aan een eventuele veroordeling te zullen voldoen en de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft gezien om aan die toezegging te twijfelen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

5.Het hoger beroep

5.1.
[appellant] concludeert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
[geïntimeerden] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] komt met vier grieven op tegen het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, die alle betrekking hebben op de vraag hoe de akte moet worden uitgelegd. [appellant] stelt in dit verband onder meer dat de tekst geen obstakelvrije zone van zes meter vereist, deze geen parkeerverbod bevat en evenmin expliciete beperkingen oplegt voor het gebruik van de strook. Kortom, de strook behoeft niet te allen tijde volledig vrij te blijven, aldus [appellant] . De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Spoedeisend belang
6.2.
Om aanspraak te kunnen maken op een voorziening in kort geding is vereist dat de zaak spoedeisend is, ook ten tijde van de procedure in hoger beroep. Aan die eis is voldaan. [geïntimeerden] stellen dat [appellant] structureel inbreuk maakt op de erfdienstbaarheid. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.
Uitleg van de akte
6.3.
De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend (artikel 5:73 lid 1 BW Pro). Bij de uitleg van de akte komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de hele inhoud van de akte. Naar het oordeel van het hof leidt een uitleg van de erfdienstbaarheid conform deze maatstaf tot de conclusie dat [appellant] - ondanks dat de akte niet woordelijk een parkeerverbod bevat - niet gerechtigd is tot het (laten) parkeren van auto’s op de strook. Het hof licht dit als volgt toe.
6.4.
De erfdienstbaarheid is in de akte omschreven als een
recht van weg. Tussen partijen is niet in geschil dat de erfdienstbaarheid aan beide partijen het recht geeft om met een auto te komen en te gaan van en naar [straat] .
6.5.
Uit de tekst van de akte volgt verder dat de erfdienstbaarheid wederkerig is; beide erven zijn dienend erf en heersend erf en de erfdienstbaarheid is voor beide partijen gelijkluidend. Dat betekent dat beide erven op gelijke wijze voordeel van de erfdienstbaarheid behoren te hebben en dat zij op gelijke wijze het gebruik van de erfdienstbaarheid door de ander moeten dulden.
6.6.
Bij de hiervoor genoemde uitgangspunten past niet dat [appellant] - anders dan kortstondig, zoals ten behoeve van laden en lossen - zijn kant van de strook afsluit voor verkeer, bijvoorbeeld door er auto’s te (laten) parkeren. Door dat te doen, verhindert hij immers dat [geïntimeerden] het aan [appellant] toebehorende deel van de strook kunnen gebruiken om de erfdienstbaarheid uit te oefenen (en dat deel te gebruiken als weg). Dat het de bedoeling van de partijen bij de akte was om beide partijen het recht te geven om over en weer elkaars deel van de strook als weg te gebruiken, volgt uit het feit dat de erfdienstbaarheid wederkerig is. Als het de bedoeling van partijen was geweest dat [geïntimeerden] genoegen moesten nemen met het benutten van slechts hun eigen deel van de strook, dan had kunnen worden volstaan met het vestigen van een erfdienstbaarheid ten laste van het erf van [geïntimeerden] en ten gunste van het erf van [appellant] .
6.7.
Ook overigens staat de door [appellant] voorgestane uitleg van de erfdienstbaarheid haaks op de partijbedoeling zoals die volgt uit de tekst van de akte. Als juist zou zijn dat [appellant] gerechtigd is om op zijn deel van de strook auto’s te (laten) parkeren, dan impliceert dat - gelet op het hiervoor beschreven wederkerige karakter van de erfdienstbaarheid - dat [geïntimeerden] dat recht ook hebben. Als beide partijen een auto op hun deel van de strook parkeren, dan leidt dat er echter toe dat de strook niet meer gebruikt kan worden om met een auto van en naar [straat] te gaan, terwijl dit nu juist het doel en de strekking van de erfdienstbaarheid is.
6.8.
Dat het plaatsen van obstakels op de strook niet verenigbaar is met de erfdienstbaarheid wordt voorts bevestigd door het feit dat de akte expliciet bepaalt dat partijen geen handelingen mogen (laten) verrichten die de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmeren, waaronder het afsluiten van de uitweg. Anders dan [appellant] betoogt, is de strekking van deze passage in de akte ruimer dan het bepaalde in artikel 5:48 BW Pro omdat de akte niet slechts spreekt van het afsluiten van het erf, maar belemmeringen van de uitoefening van de erfdienstbaarheid in het algemeen verbiedt.
6.9.
Het hof gaat voorbij aan het (subsidiaire) betoog van [appellant] dat vaststelling van de inhoud van de erfdienstbaarheid moet geschieden aan de hand van de plaatselijke gewoonte, die volgens [appellant] inhoudt dat er in ieder geval steeds twee auto’s op zijn helft van de strook geparkeerd staan. Uit artikel 5:73 lid 1 BW Pro volgt dat de plaatselijke gewoonte slechts van belang is voor de vaststelling van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan als in de akte regels daaromtrent ontbreken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de akte die regels wel bevat en dat deze aan parkeren op de strook (anders dan kortstondig ten behoeve van laden en lossen) in de weg staan.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van [appellant] niet slaagt. Met zijn tweede en vierde grief betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter bij de uitleg van de erfdienstbaarheid ten onrechte acht heeft geslagen op correspondentie en een tekening daterend van na de datum van de akte, terwijl het bij die uitleg aankomt op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. In het midden kan blijven of en in hoeverre de voorzieningenrechter acht heeft geslagen op de correspondentie en de tekening. Hiervoor is overwogen dat (ook) een uitleg conform de onder 6.3. genoemde maatstaf leidt tot de slotsom dat [appellant] geen auto’s op de strook mag (laten) parkeren. De tweede en vierde grief van [appellant] kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
6.11.
Ook de vraag of de voorzieningenrechter een juiste uitleg heeft gegeven aan het onder 3.5. bedoelde convenant, zoals [appellant] met zijn derde grief betoogt, kan in het midden blijven, alleen al omdat [appellant] geen partij is bij dit convenant en er dus geen rechten aan kan ontlenen. Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar het convenant betoogt dat uit het convenant volgt wat de plaatselijke gewoonte inhoudt, geldt dat hiervoor al is overwogen dat de plaatselijke gewoonte (wat daarvan ook zij) in dit geval niet relevant is voor de uitleg van erfdienstbaarheid omdat de akte zelf al regels geeft.
Dwangsommen
6.12.
[geïntimeerden] hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep, in een akte waarmee ook producties in het geding zijn gebracht, gevorderd dat het hof alsnog dwangsommen verbindt aan de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling.
6.13.
Een verzoek tot het opleggen van dwangsommen kan in beginsel in iedere stand van het geding worden gedaan. Dat laat echter onverlet dat het verzoek van [geïntimeerden] strekt tot wijziging van het dictum van het bestreden vonnis (waarbij de gevorderde dwangsommen immers zijn afgewezen) en dus vereist dat zij op voldoende kenbare wijze incidenteel hoger beroep instellen. Naar het oordeel van het hof voldoet de vordering van [geïntimeerden] niet aan deze eis. In hun memorie van antwoord hebben zij over de gewenste dwangsommen niets naar voren gebracht, noch andere mededelingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij iets anders wensten dan bekrachtiging van het bestreden vonnis. Ook nadien hebben [geïntimeerden] , tot de datum van de mondelinge behandeling, geen stukken ingediend die wijzen op het (willen) instellen van incidenteel hoger beroep. Ook de akte waarin de vordering tot het opleggen van dwangsommen is vermeld, spreekt niet van een incidenteel hoger beroep. Daar komt bij dat [geïntimeerden] in deze akte - net als in de memorie van antwoord - concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, terwijl het alsnog toewijzen van een vordering die in eerste aanleg is afgewezen juist (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis zou impliceren. Gelet op het voorgaande hebben [geïntimeerden] hun vordering tot het opleggen van dwangsommen niet bij (als zodanig voldoende kenbaar) incidenteel hoger beroep ingesteld. Omdat het hof de vordering ook niet ambtshalve kan toewijzen, moet deze worden afgewezen.
6.14.
[geïntimeerden] hebben bovendien pas op een zeer laat tijdstip melding gemaakt van hun vordering. Omdat [geïntimeerden] de vordering pas bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben gepresenteerd, heeft [appellant] geen kans gehad om schriftelijk op de vordering te reageren. Als al zou kunnen worden gezegd dat de vordering kon worden ingesteld in de vorm waarin [geïntimeerden] dat hebben gedaan, dan geldt in ieder geval dat de goede procesorde zich verzet tegen het instellen van de vordering op dit late tijdstip en om die reden buiten beschouwing moet blijven. Dat geldt te meer omdat [appellant] onweersproken heeft aangevoerd dat de vordering is gebaseerd op feiten die zich al geruime tijd voordoen en [geïntimeerden] niet hebben toegelicht waarom de vordering toch niet eerder is ingesteld.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.15.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De vordering tot het opleggen van dwangsommen van [geïntimeerden] wordt afgewezen. [appellant] is in het hoger beroep hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief € 1.290,00, twee punten)
Totaal € 3.407,00.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4.
verklaart de veroordelingen onder 7.2. en 7.3. uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst de vordering van [geïntimeerden] tot het opleggen van dwangsommen af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, M.J.R. Brons en G.J.W. Pulles en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.