ECLI:NL:GHAMS:2026:1932

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
200.363.224/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 805 RvArt. 291 RvArt. 272 RvArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling betaling en ingangsdatum

De rechtbank had bepaald dat de vader vanaf 1 juli 2021 een kinderbijdrage van €351 per maand aan de moeder moest betalen. De vader stelde zich op het standpunt dat hij pas in november 2025 bekend werd met deze beschikking en stelde daarom tijdig hoger beroep in. De moeder betwistte dit, maar het hof oordeelde dat de vader niet eerder dan 27 november 2025 op andere wijze bekend was met de beschikking, waardoor zijn hoger beroep ontvankelijk is.

De ouders bereikten ter zitting overeenstemming over een kinderbijdrage van €240 per maand vanaf 1 juni 2026. Voor de periode tot 1 juni 2026 kon geen overeenstemming worden bereikt. Het hof stelde vast dat onvoldoende bewijs was geleverd over het moment van uiteengaan van de ouders en de draagkracht van partijen, waardoor de behoefte van het kind niet exact kon worden vastgesteld.

Het hof besloot daarom aan te sluiten bij de uitgangspunten van de ouders voor de periode vanaf 1 juni 2026 en stelde de kinderbijdrage voor de periode 1 december 2025 tot 1 juni 2026 eveneens vast op €240 per maand. De wettelijke indexering wordt uitgesloten tot 1 januari 2027. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader ontvankelijk en stelt de kinderbijdrage vast op €240 per maand vanaf 1 december 2025, met indexering vanaf 1 januari 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.224/01
zaaknummer rechtbank: C/15/318620 / FA RK 21-3525
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. U. Yildirim te Zwolle,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij het gerechtshof bekend adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Lust te Heerhugowaard.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

1.De zaak in het kort

1.1
De rechtbank heeft op 29 september 2021 bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2021 een kinderbijdrage van € 351,- per maand aan de moeder moet betalen. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 2 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 september 2021 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 3 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 17 april 2026 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 15 januari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 mei 2026 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Deze zaak heeft betrekking op het kind van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders): [minderjarige] , geboren [in] 2020 te [plaats B] .
3.2
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2021 aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderbijdrage) dient te voldoen van € 351,- per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.
In principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidende verzoek, dan wel haar inleidende verzoek af te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt
primairde vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel
subsidiairde bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen,
In incidenteel hoger beroep
4.4
De moeder verzoekt
meer subsidiairte bepalen dat de vader een kinderbijdrage moet betalen aan de moeder:
- met ingang van 1 juli 2021 van € 225,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2022 van € 229,28 per maand;
- met ingang van 1 januari 2023 van € 237,08 per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 van € 251,78 per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 van € 268,15 per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 van € 280,48 per maand,
dan wel een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.
4.5
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in incidenteel hoger beroep, dan wel haar verzoek in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
Allereerst is aan de orde de vraag of de vader zijn hoger beroep tijdig heeft ingesteld en (dus) ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 806 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 358 lid 2 Rv Pro volgt dat het hoger beroep tegen eindbeschikkingen door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbende moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Standpunten van de ouders
5.3
De vader stelt – kort samengevat – dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep, ondanks dat de beschikking van de rechtbank dateert van 29 september 2021. De vader is pas op 27 november 2025 door een brief van het LBIO bekend geworden met de beschikking van de rechtbank en heeft vervolgens binnen drie maanden na bekend worden met de beschikking hoger beroep ingesteld. De vader vermoedt dat eventuele brieven van de rechtbank uit 2021 gericht aan zijn BRP-adres in [plaats A] door zijn ex-echtgenote zijn achtergehouden. De vader woonde op dat moment namelijk bij de moeder, maar stond daar niet ingeschreven.
5.4
De moeder betwist de stelling van de vader dat hij pas op 27 november 2025 bekend is geworden met de beschikking van de rechtbank. De moeder heeft de vader in 2021 door middel van een WhatsApp-bericht laten weten dat zij een verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage zou gaan indienen bij de rechtbank. Op 25 juni 2021 is de vader aangeschreven om zijn financiële stukken aan te leveren zodat de advocaat van de moeder een alimentatieberekening kon maken. Vanaf dit moment was de vader op de hoogte van het feit dat de moeder een procedure in gang zou zetten en dat er mogelijk sprake zou zijn van een alimentatieverplichting. In de jaren na de beschikking van de rechtbank heeft de moeder de vader herhaaldelijk aangesproken op zijn alimentatieverplichting.
Daarbij komt dat rechtbank een afschrift van de beschikking naar het BRP-adres van de vader in [plaats A] heeft gestuurd omdat de vader in de eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat. De stelling van de vader dat hij geen brief van de rechtbank heeft ontvangen, wordt door de moeder betwist. De moeder stelt dat de vader niet heeft aangetoond door middel van bewijsstukken dat hij de beschikking niet heeft ontvangen. Het gebrek aan kennis van deze stukken komt voor rekening en risico van vader.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat in de eerste aanleg geen zitting heeft plaatsgevonden. Ook staat vast dat zich namens de vader geen advocaat heeft gesteld in de procedure bij de rechtbank en dat de vader in die procedure geen verweerschrift heeft ingediend. De vader is dus niet aan te merken als een in de procedure verschenen belanghebbende in de zin van artikel 806 lid 1 in Pro samenhang met artikel 358 lid 2 Rv Pro. Aan de niet-verschenen belanghebbende moet een afschrift van de beschikking worden toegezonden. [1] Deze beschikking moet aangetekend worden verzonden. [2] Voor de beoordeling van de tijdigheid van het instellen van het hoger beroep van de vader is daarom doorslaggevend of de griffier de beschikking bij aangetekend schrijven aan de vader heeft verzonden.
5.6
Om duidelijkheid te krijgen over de (wijze van) verzending van de beschikking, heeft het hof zich ambtshalve gewend tot de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, met het verzoek het hof daarover te informeren. Aan het hof is meegedeeld dat een afschrift van de beschikking per gewone post is verzonden naar het bij de rechtbank bekende adres van de vader. Hieruit concludeert het hof dat niet aan de vormvereisten voor verzending van een afschrift van de bestreden beschikking is voldaan, waardoor in dit geval niet de regel van artikel 806 lid 1 onder Pro a Rv, maar die van hetzelfde artikellid onder b voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van toepassing is. Het gaat dus om de vraag wanneer de vader op andere wijze bekend is geworden met de beschikking.
5.7
Vast staat dat de vader op 27 november 2025 een brief heeft ontvangen van het LBIO. Het hof volgt de stelling van de moeder niet dat de vader al eerder op andere wijze bekend is geworden met de beschikking. Hoewel uit de door de moeder overgelegde schermafbeeldingen van de WhatsApp-berichten tussen de ouders blijkt dat de ouders hebben gecommuniceerd over alimentatie, kan uit de inhoud van de berichten (
“ik ga trouwens de kinder alimentatie doorzetten”en
“(…) Ga jij de alimentatie betalen of moet ik het gewoon doorsturen naar incasso?”) niet concreet worden afgeleid dat de rechtbank reeds een beschikking had gewezen. Evenmin blijkt uit de berichten welke specifieke alimentatieverplichting de rechtbank aan de vader heeft opgelegd. De enkele omstandigheid dat tussen de ouders is gesproken over alimentatie is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de vader toen al daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan en de inhoud van de beschikking.
5.8
Omdat niet kan worden vastgesteld dat de vader al eerder dan het moment van ontvangst van de brief van het LBIO bekend was met de inhoud van de beschikking en de vader op 2 januari 2026, binnen de termijn van drie maanden na het op andere wijze bekend worden met de beschikking, hoger beroep heeft ingesteld is de vader ontvankelijk in zijn hoger beroep.
De verdere inhoudelijke beoordeling
5.9
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de met ingang van 1 juni 2026 door de vader te betalen kinderbijdrage, inhoudende dat de vader met ingang van 1 juni 2026 een kinderbijdrage zal voldoen van € 240,- per maand. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
5.1
Ten aanzien van de periode tot 1 juni 2026 hebben de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken en hebben zij het hof verzocht een kinderbijdrage vast te stellen. In hoger beroep is aldus nog aan de orde de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage in de periode tot 1 juni 2026. Het hof overweegt hierover als volgt.
Ingangsdatum
5.11
De vader stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum door de rechtbank niet op 1 juli 2021 had moeten worden bepaald. De vader is pas jaren later bekend geworden met de beschikking van de rechtbank en heeft al die tijd geen rekening kunnen houden met een eventuele kinderbijdrage. De ingangsdatum moet dan ook worden bepaald op de datum van de beschikking van het hof, aldus de vader. De moeder is van mening dat de ingangsdatum terecht is bepaald op 1 juli 2021.
5.12
Het hof overweegt als volgt. Het is gebruikelijk om voor de ingangsdatum van een te betalen kinderbijdrage aan te sluiten bij de datum waarop het inleidend processtuk is ingediend, omdat in ieder geval vanaf die datum rekening kan worden gehouden met een bepaalde betalingsverplichting of wijziging hiervan. De rechtbank heeft dat bij de bestreden beschikking zo gedaan. In dit geval ziet het hof echter aanleiding om daarvan af te wijken. Zoals overwogen in 5.8 is het hof van oordeel dat de vader vanaf het moment van ontvangst van de brief van het LBIO op 27 november 2025 rekening kon – en moest – houden met een door hem te betalen kinderbijdrage. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de vader reeds vóór dat moment rekening moest houden met een door hem te betalen kinderbijdrage. Naast het ontbreken van wetenschap over de beschikking, is namelijk ter zitting ook duidelijk geworden dat de vader in de afgelopen jaren incidenteel in de kosten van [minderjarige] heeft bijgedragen, al verschillen partijen van mening over de frequentie en hoogte van die bijdrage. Het hof acht het onder deze omstandigheden redelijk om de kinderbijdrage te laten ingaan op een datum die kort na ontvangst van de brief ligt, te weten op 1 december 2025.
Hoogte van de kinderbijdrage (periode 1 december 2025 tot 1 juni 2026)
5.13
Het hof stelt vast dat de standpunten van de ouders ten aanzien van zowel de behoefte van [minderjarige] als de draagkracht van de ouders wezenlijk uiteenlopen. De overgelegde stukken en de toelichting van de ouders ter zitting bieden het hof onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van de door de ouders ingenomen standpunten met voldoende zekerheid vast te stellen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de behoefte van een minderjarige in beginsel wordt berekend aan de hand van het gezinsinkomen in het laatste jaar voorafgaand aan het uiteengaan van de ouders. Juist over het moment waarop de ouders feitelijk uiteen zijn gegaan bestaat tussen hen echter een fundamenteel verschil van inzicht. De vader stelt dat de ouders tot november 2025 een relatie hebben gehad, terwijl de moeder aanvoert dat de ouders reeds in 2021 uit elkaar zijn gegaan. De ouders hebben ter onderbouwing van hun standpunten geen bewijsstukken overgelegd. Hierdoor kan het hof niet vaststellen wanneer de ouders daadwerkelijk uiteen zijn gegaan, zodat reeds daarom onvoldoende aanknopingspunten bestaan om de behoefte van [minderjarige] volgens de gebruikelijke maatstaven te berekenen. Voorts bestaat er onduidelijkheid over de draagkracht van zowel de vader als de moeder gedurende de betreffende periode.
5.14
Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om voor de vaststelling van de kinderbijdrage in de periode 1 december 2025 tot 1 juni 2026 aan te sluiten bij de uitgangspunten die de ouders zelf hebben gehanteerd bij de door hen ter zitting bereikte overeenstemming over de kinderbijdrage met ingang van 1 juni 2026. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de periode waarover het hof een kinderbijdrage moet vaststellen, direct voorafgaat aan de periode vanaf 1 juni 2026 en dat niet is gebleken van relevante wijzigingen in de omstandigheden van de ouders of [minderjarige] die een afwijkende beoordeling rechtvaardigen. Dit leidt ertoe dat het hof de door de vader te betalen kinderbijdrage van 1 december 2025 tot 1 juni 2026 zal vaststellen op € 240,- per maand. Het hof zal de wettelijke indexering, als bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW over 2026 uitsluiten, met toepassing van lid 5 van dat artikel. Dat betekent dat de kinderalimentatie voor het eerst met ingang van 1 januari 2027 zal worden geïndexeerd.
5.15
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 december 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 240,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de wettelijke indexering ingevolge artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2027 van toepassing zal zijn;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Voetnoten

1.Artikel 805 Rv Pro.
2.Artikel 291 in Pro samenhang met artikel 272 Rv Pro.