ECLI:NL:GHAMS:2026:1846

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.363.157/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:449 BWArt. 1:432 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging en opheffing van onderbewindstelling wegens herstel rechthebbende

De kantonrechter stelde de goederen van de rechthebbende onder bewind vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en problematische schulden. De rechthebbende ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om afwijzing van het verzoek tot onderbewindstelling of benoeming van haar zus als bewindvoerder.

Tijdens de procedure voerde de rechthebbende aan dat zij geen geestelijke problematiek heeft, haar schulden had afgelost en dat de bewindvoerder onjuiste informatie had verstrekt. De bewindvoerder stelde dat hulp nodig was vanwege oude schulden en dat een medische verklaring niet noodzakelijk is voor bewindvoering. Familieleden van de rechthebbende ondersteunden het standpunt dat onderbewindstelling niet nodig was.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten tijde van de beschikking op goede gronden het verzoek tot onderbewindstelling had toegewezen vanwege ernstige zorgen over de geestelijke gesteldheid en financiële situatie van de rechthebbende. Inmiddels is de situatie verbeterd: de rechthebbende woont bij haar zus, heeft een eigen inkomen en heeft schulden afgelost of een betalingsregeling getroffen. Daarom heft het hof het bewind op met ingang van 14 dagen na de beschikking.

De proceskosten worden gecompenseerd en de bewindvoerder hoeft niet in de kosten te worden veroordeeld. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na uitspraak de eindrekening en verantwoording afleggen aan de rechthebbende en het Bewindsbureau.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling tot heden en heft deze op vanwege herstel van de rechthebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.157/01
zaaknummer rechtbank: 11875922 EB VERZ-25 9023
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[rechthebbende] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de rechthebbende,
advocaat: mr. V.N. Sakkers te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [X] Bewindvoering B.V. (hierna: de bewindvoerder);
- [de moeder] (hierna: de moeder);
- [zus 1] (hierna: zus [zus 1] );
- [zus 2] (hierna: zus [zus 2] ).

1.De zaak in het kort

De kantonrechter heeft de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld.
De rechthebbende is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek tot onderbewindstelling wordt afgewezen en anders dat haar zus [zus 2] haar bewindvoerder wordt.
De bewindvoerder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De rechthebbende is op 30 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 9 maart 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van zus [zus 1] van 14 mei 2026;
- een bericht van de zijde van de rechthebbende van 26 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de rechthebbende van 28 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 29 mei 2026 met bijlagen.
2.3
De zitting heeft op 29 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat en door K. Blom, een tolk in de Engelse taal;
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [X] ;
- de moeder;
- zus [zus 2] .
Zus [zus 1] is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
2.4
Op 1 juni 2026 heeft het hof nadere stukken van de bewindvoerder ontvangen en op 29 juni 2026 stukken van de rechthebbende. Deze stukken zijn niet aan het procesdossier toegevoegd, waarvan het hof partijen op de hoogte heeft gesteld. Artikel 1.4.12 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat na afloop geen stukken meer kunnen worden ingediend, tenzij het hof tijdens de mondelinge behandeling daartoe de gelegenheid heeft gegeven. Het hof heeft deze gelegenheid niet gegeven.

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1969 te [plaats B] , Nigeria. De rechthebbende is de dochter van [de moeder] en de zus van [zus 1] en [zus 2] .
De rechthebbende heeft een minderjarige zoon.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de rechthebbende, de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en problematische schulden, met benoeming van de bewindvoerder.
4.2
De rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot onderbewindstelling alsnog af te wijzen, althans zus [zus 2] te benoemen tot bewindvoerder als het hof van oordeel is dat het bewind noodzakelijk blijft, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure.
4.3
De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep mondeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.
5.2
Op grond van artikel 1:449, tweede lid, BW kan de rechter het bewind opheffen indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.3
De rechthebbende heeft nooit ingestemd met het verzoek tot onderbewindstelling. Zij spreekt geen Nederlands en is naar het sociaal team van de gemeente [plaats A] gegaan voor huisvestingsondersteuning. Zij hebben haar laten kennismaken met de bewindvoerder en het aanvraagformulier laten ondertekenen. Zij dacht dat de bewindvoerder haar juridisch zou ondersteunen bij een geschil over een verzekering.
De bewindvoerder heeft bij het inleidende verzoek onjuiste en misleidende informatie verstrekt aan de kantonrechter, aldus de rechthebbende. Zo heeft hij mails gestuurd met daarin verklaringen over vermeende beperkingen van de rechthebbende. Een medische onderbouwing ontbreekt echter. Bovendien betwist de rechthebbende de geestelijke problematiek, instabiele woonsituatie en problematische schulden. De kantonrechter heeft de bewindvoerder gewezen op het ontbreken van een deskundigenverklaring en dat bij gebrek daaraan een mondelinge behandeling moest worden gepland. Hierop heeft de bewindvoerder geantwoord met het verzoek om van een mondelinge behandeling af te zien in verband met de geestelijke toestand van de rechthebbende. Uiteindelijk heeft de kantonrechter uitspraak gedaan zonder dat er een deskundigenverklaring is. Dat is echter wel nodig om in kaart te brengen of iemand in staat is om zelf zijn geldzaken en vermogen te beheren. Ten onrechte heeft de kantonrechter dan ook op dit zeer summiere dossier beslist.
Er is geen noodzaak tot onderbewindstelling van de rechthebbende. Zij woont al vijfentwintig jaar in Nederland en heeft altijd in haar eigen levensonderhoud voorzien. Zij heeft een eigen onderneming en is in staat om haar eigen vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zij heeft haar schulden inmiddels volledig afgelost.
Bovendien heeft de kantonrechter het fundamentele recht van hoor en wederhoor geschonden door zowel de rechthebbende als haar familieleden niet op te roepen voor de mondelinge behandeling.
Omdat de bewindvoerder op grond van een onjuiste voorstelling van zaken het verzoek heeft ingediend, verzoekt de rechthebbende hem te veroordelen in de kosten van de procedure.
5.4
De bewindvoerder heeft zich ter zitting in hoger beroep verweerd. Hij heeft alleen een intake gehad met de rechthebbende. Daarna heeft hij geen verder zicht op haar financiën kunnen krijgen. De rechthebbende heeft ondanks de onderbewindstelling zelf een betalingsregeling getroffen met een schuldeiser. De bewindvoerder denkt dat de rechthebbende hulp bij haar financiën kan gebruiken omdat zij oude schulden heeft waarvan zij niets wist tot de bewindvoerder haar daarop wees. Ook brengt de bewindvoerder naar voren dat een medische verklaring niet noodzakelijk is voor de aanvraag van bewind. Dat kunnen ook verklaringen van andere organisaties zijn, zoals in het geval van rechthebbende is gebeurd.
5.5
Zus [zus 2] heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat zij verrast was door de onderbewindstelling. De rechthebbende is goed met financiën en helpt anderen daar zelfs mee. Een onderbewindstelling heeft zij niet nodig. De rechthebbende zal haar schulden zelfstandig aflossen.
5.6
De moeder van de rechthebbende heeft ter zitting in hoger beroep verteld dat de rechthebbende geen onderbewindstelling nodig heeft. Het gaat goed met de rechthebbende en haar zoon. Er is geen medische verklaring waaruit blijkt dat de rechthebbende een onderbewindstelling nodig zou hebben.
De beoordeling door het hof
5.7
Het hof overweegt als volgt.
In de periode dat de onderbewindstelling werd verzocht bestonden er zorgen over de rechthebbende. Zij had zich tot het sociaal team van de gemeente [plaats A] gewend met het verzoek om hulp. In een e-mailbericht van de casusregisseur van afdeling Team Samenleving van de gemeente [plaats A] van 29 september 2025 aan de kantonrechter staat dat de rechthebbende niet zelf redzaam is en er emotioneel doorheen zit. Daarom verzocht de casusregisseur de kantonrechter om de rechthebbende niet uit te nodigen op de zitting. De rechthebbende zou bezig zijn met overleven, at dagen niets en had grote zorgen om haar zoon, van wie zij op dat moment gescheiden leefde. Er was met spoed een uitkering voor haar aangevraagd en zij was tussen de vijf en zeven jaar niet meer bereikbaar geweest voor haar schuldeisers. De casusregisseur vond dat een onderbewindstelling de rechthebbende zou kunnen ontlasten zodat zij zich kon concentreren op haar herstel en dat van haar zoon. Volgens de daarbij gevoegde rapportage van de Regenboog Groep van 29 september 2025 maakte de rechthebbende een angstige, emotionele en verwarde indruk en gaf zij aan al een tijd niet te hebben gedoucht of gegeten. Kortom, er waren grote zorgen over de geestelijke gesteldheid van de rechthebbende. Daarnaast bestond de indruk dat de rechthebbende geen vaste verblijfplaats had en had zij schulden. Daarover heeft schuldhulpverlening Balans in een brief van 5 september 2025 aan de kantonrechter geschreven dat zij denken dat de rechthebbende op dat moment niet de mentale ruimte had om alle financiële aspecten aan te pakken.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de kantonrechter ten tijde van de bestreden beschikking op goede gronden het verzoek tot onderbewindstelling heeft toegewezen. Voor zover daarbij is voorbijgegaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, is dat in hoger beroep hersteld doordat de rechthebbende en haar familieleden de gelegenheid hebben gehad zich nu wel uit te spreken over de onderbewindstelling.
Inmiddels lijkt de rechthebbende zich te hebben hersteld. Zij woont bij haar zus, samen met haar zoon. Zij heeft een inkomen uit eigen onderneming en ze heeft enkele schulden afgelost. Daarnaast heeft zij voor een resterende schuld zelfstandig een betalingsregeling getroffen om deze af te lossen met € 100,- per maand. Het hof ziet dan ook geen noodzaak meer voor de onderbewindstelling. Het hof zal de onderbewindstelling opheffen met ingang van 14 dagen na datum van deze beschikking.
5.8
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de bewindvoerder in de proceskosten te veroordelen, zoals door de rechthebbende verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking tot heden;
heft op, met ingang van 21 juli 2026, het bewind over de goederen van [rechthebbende] , geboren te [plaats B] , Nigeria [in] 1969;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Amsterdam overlegt;
compenseert de proceskosten;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.