ECLI:NL:GHAMS:2026:1843
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige in belang van kind
In deze civiele familierechtelijke procedure stonden twee zaken centraal: de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van een minderjarige, en de ondertoezichtstelling van dezelfde minderjarige. De rechtbank had de co-ouderschapsregeling gehandhaafd en de hoofdverblijfplaats bij de moeder gelaten, terwijl de vader dit betwistte. Tevens was de minderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming.
In hoger beroep trok de vader zijn verzoek tegen de ondertoezichtstelling in, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard in dat verzoek. Ten aanzien van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats wijzigde het hof de beschikking. De feitelijke situatie was dat de minderjarige sinds februari 2026 niet meer bij de moeder verbleef en de co-ouderschapsregeling niet werd nageleefd. De minderjarige gaf aan niet gedwongen te willen worden tot contact met de moeder en voelde zich onveilig bij overnachtingen daar.
Het hof oordeelde dat het forceren van contact averechts zou werken en de relatie verder zou schaden. Daarom werd de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld en werd een zorgregeling bepaald waarbij het contact tussen moeder en kind onder regie van de gezinsvoogd (GI) wordt opgebouwd. De hulpverlening en diagnostisch onderzoek moeten inzicht geven in de weerstand van de minderjarige tegen contact met de moeder. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vader vastgesteld en de zorgregeling gewijzigd, terwijl het hoger beroep tegen ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk wordt verklaard.