ECLI:NL:GHAMS:2026:1843

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.363.799/01 en 200.363.527/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige in belang van kind

In deze civiele familierechtelijke procedure stonden twee zaken centraal: de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van een minderjarige, en de ondertoezichtstelling van dezelfde minderjarige. De rechtbank had de co-ouderschapsregeling gehandhaafd en de hoofdverblijfplaats bij de moeder gelaten, terwijl de vader dit betwistte. Tevens was de minderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming.

In hoger beroep trok de vader zijn verzoek tegen de ondertoezichtstelling in, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard in dat verzoek. Ten aanzien van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats wijzigde het hof de beschikking. De feitelijke situatie was dat de minderjarige sinds februari 2026 niet meer bij de moeder verbleef en de co-ouderschapsregeling niet werd nageleefd. De minderjarige gaf aan niet gedwongen te willen worden tot contact met de moeder en voelde zich onveilig bij overnachtingen daar.

Het hof oordeelde dat het forceren van contact averechts zou werken en de relatie verder zou schaden. Daarom werd de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld en werd een zorgregeling bepaald waarbij het contact tussen moeder en kind onder regie van de gezinsvoogd (GI) wordt opgebouwd. De hulpverlening en diagnostisch onderzoek moeten inzicht geven in de weerstand van de minderjarige tegen contact met de moeder. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vader vastgesteld en de zorgregeling gewijzigd, terwijl het hoger beroep tegen ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.363.799/01 en 200.363.527/01
zaaknummers rechtbank: C/13/757547 /FA RK 24-6682 (zorgregeling en hoofdverblijfplaats)
en C/13/772173 / JE RK 25/502 (MK/AH) (ondertoezichtstelling)
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026
in de zaak met zaaknummer 200.363.799/01 (zorgregeling en hoofdverblijfplaats) van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J. Brouwer te Haarlem ,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. N. van der Vegt te Bussum.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- mevrouw [naam] , hierna: de kindbehartiger;
- Jeugdbescherming Regio [plaats B] (hierna: de GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.
In de zaak met zaaknummer 200.363.527/01 (ondertoezichtstelling) van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J. Brouwer te Haarlem ,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] ;
- [de moeder] , advocaat: mr. N. van der Vegt te Bussum;
- Jeugdbescherming Regio [plaats B] .
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- mevrouw [naam] .

1.De zaken in het kort

1.1
De zaak met zaaknummer 200.363.799/01 gaat over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank heeft de bestaande co-ouderschapsregeling tussen de ouders gehandhaafd en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft.
De vader is het daar niet mee eens. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
1.2
De zaak met zaaknummer 200.363.527/01 gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .

2.De procedures in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.363.799/01 (zorgregeling en hoofdverblijfplaats)
2.1
De vader is op 12 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 10 oktober 2025 met zaaknummer C/13/757547 /FA RK 24-6682 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 17 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 21 april 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
In de zaak met zaaknummer 200.363.527/01 (ondertoezichtstelling)
2.4
De vader is op 12 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2025 met zaaknummer C/13/772173 JE RK 25/502.
2.5
De moeder heeft op 17 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
In beide zaken
2.6
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader, met bijlagen, van 18 februari 2026;
- op 20 mei 2026 een bericht van de raad, met bijlage;
- op 26 mei 2026 een bericht van de moeder, met bijlagen.
2.7
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting op 2 juni 2026, in bijzijn van de griffier, met [minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter een samenvatting van dit gesprek gegeven, waarna partijen in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren.
2.8
De zitting heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en haar kantoorgenoot;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kindbehartiger is, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd. De pleitnota is toegevoegd aan het dossier.
2.9
De moeder heeft bij bericht van 26 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het door de vader ingediende verweerschrift op het incidenteel hoger beroep (in de zaak met zaaknummer 200.363.799/01), omdat dit stuk volgens de moeder een inhoudelijke reactie bevat op haar verweerschrift in principaal hoger beroep en het daarmee in strijd is met de zogenoemde twee-conclusieregel. Ter zitting heeft de moeder zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van haar bezwaar.
De vader heeft aangevoerd dat zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep slechts een korte reactie bevat op een aantal punten in het verweerschrift van de moeder in principaal hoger beroep.
Het hof heeft ter zitting aan partijen medegedeeld dat het, gelet op de referte van de moeder en uit een oogpunt van een efficiënte procesvoering ter zitting, het (volledige) verweerschrift van de vader bij de beoordeling zal betrekken.

3.De feiten in beide zaken

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren:
- [minderjarige] , [in] 2012 te [plaats A] .
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] heeft van 1 december 2017 tot 1 september 2021 onder toezicht gestaan van Jeugdbescherming Regio [plaats B] .
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 30 maart 2022 is (onder meer) de moeder vervangende toestemming verleend voor (psychologische) hulp voor [minderjarige] , waarmee [minderjarige] in staat werd gesteld om met een neutrale derde te spreken. Ook heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld.
3.4
Bij beschikking van 31 januari 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam (onder meer) een zorgregeling vastgesteld die neerkomt op een 50/50 zorgregeling.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank van 8 oktober 2024 is de raad door de rechtbank verzocht onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over onder meer de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang is van [minderjarige] , welke mogelijkheden er zijn voor een zorgregeling en of er aanleiding is voor een kinderbeschermingsmaatregel.
3.6
De raad heeft op 9 juli 2025 een rapport uitgebracht. De raad heeft geadviseerd geen wijziging aan te brengen in het (gezamenlijk) gezag over [minderjarige] en haar hoofdverblijfplaats niet te wijzigen. De raad heeft ook geadviseerd de zorgregeling in stand te laten, te weten de 50/50 zorgregeling. Verder heeft de raad naar aanleiding van dit rapport de kinderrechter verzocht [minderjarige] voor één jaar onder toezicht te stellen van Jeugdbescherming Regio [plaats B] .
In de zaak met zaaknummer 200.363.527/01 (ondertoezichtstelling)

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld van de GI voor de duur van één jaar, van 10 oktober 2025 tot 10 oktober 2026. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (alsnog) af te wijzen.
4.3
Zowel de raad als de moeder verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, hoeft het hof de zaak niet verder inhoudelijk te beoordelen. De vader zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.
In de zaak met zaaknummer 200.363.799/01 (zorgregeling en hoofdverblijfplaats)

6.De omvang van het hoger beroep

6.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, afgewezen. Ook heeft de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling afgewezen, waardoor de co-ouderschapsregeling in stand is gebleven.
6.2
De vader verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre):
I. de bij beschikking van 31 januari 2023 vastgelegde zorgregeling te wijzigen en een zorgregeling vast te stellen overeenkomstig de wensen en belangen van [minderjarige] ;
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen.
Ook heeft de vader in hoger beroep verzocht het inleidende verzoek van de raad tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] af te wijzen, maar dit verzoek ter zitting in hoger beroep ingetrokken. Het hof hoeft op dit verzoek dan ook niet meer te beslissen.
6.3
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vader ongegrond te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen en/of zorgregeling en/of hulpkader vast te stellen als het hof in het belang van [minderjarige] juist en aangewezen acht.
Verder verzoekt zij de vader te veroordelen in de kosten van de procedure voor zover rechtens mogelijk.
6.4
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep te bepalen dat aan de naleving van de zorgregeling een dwangsom wordt verbonden van € 500, - per keer dat de vader in gebreke blijft bij de nakoming ervan, dan wel een door het hof te bepalen dwangsom. Dit verzoek heeft zij ter zitting in hoger beroep ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer hoeft te beslissen.
6.5
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond/onbewezen.

7.De motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep
De standpunten
7.1
De vader kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] af te wijzen. [minderjarige] geeft al geruime tijd duidelijk en consequent aan dat de co-ouderschapsregeling niet in haar belang is, omdat zij niet bij de moeder wil overnachten en minder tijd bij haar wil doorbrengen. [minderjarige] ervaart stress en spanning van de co-ouderschapsregeling en haar schoolprestaties lijden hieronder. Ook voelt [minderjarige] zich niet genoeg gehoord door de mensen en instanties om haar heen. Bij de vader ervaart [minderjarige] rust en komt zij beter toe aan haar schoolwerk. Verder sluit het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen aan bij haar wens. Op dit moment verblijft [minderjarige] feitelijk volledig bij de vader. [minderjarige] heeft met de GI gedeeld waarom zij zich onveilig voelt bij de moeder, waarna de GI ermee heeft ingestemd dat voorlopig wordt afgeweken van de zorgregeling en dat [minderjarige] zelf kan aangeven wanneer en op welke wijze zij contact met de moeder wil hebben.
De vader betwist dat sprake is van ouderverstoting. De moeder luistert onvoldoende naar de behoeften en wensen van [minderjarige] . Ook is de moeder onvoorspelbaar en zij schreeuwt regelmatig naar [minderjarige] . De vader betwist dat hij het contact tussen [minderjarige] en de moeder belemmert of de moeder buiten belangrijke beslissingen over [minderjarige] houdt. Het staat [minderjarige] vrij om contact met haar moeder op te nemen en de vader hoopt dat [minderjarige] op termijn in het weekend weer bij de moeder wil overnachten. Het contact tussen de kindbehartiger en [minderjarige] is afgenomen, maar zij hebben nog wel wekelijks mail- en appcontact.
7.2
De moeder voert verweer. De vader komt de zorgregeling niet na en [minderjarige] verblijft sinds 4 februari 2026 niet meer bij de moeder. De vader heeft de moeder meermaals buitengesloten bij het nemen van (gezags)beslissingen, hij heeft de begeleiding vanuit de GGD stopgezet en niet, dan wel nauwelijks meegewerkt aan de hulpverlening. De moeder betwist dat sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] bij de moeder of dat zij grensoverschrijdend gedrag richting [minderjarige] heeft vertoond. Ook is de stelling van de vader onjuist dat de moeder een postnatale depressie en/of een borderlinepersoonlijkheidsstoornis heeft. Door het handelen en het gedrag van de vader keert [minderjarige] zich steeds verder af van de moeder en haar familie. De invloed van de vader zorgt bij [minderjarige] voor een negatief beeld van de moeder en het staat [minderjarige] bij de vader niet vrij om haar eigen keuzes te maken. De moeder acht het van belang dat gespecialiseerde hulpverlening wordt ingezet, gericht op het doorbreken van het vervreemdingsproces en op herstel van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Een wijziging van de zorgregeling zal de bestaande problematiek versterken en de band tussen de moeder en [minderjarige] verder onder druk zetten. Verder acht de moeder wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader niet in haar belang. De vader deelt nimmer informatie over [minderjarige] met de moeder en bij wijziging van de hoofdverblijfplaats ontvangt de moeder geen belangrijke brieven meer van instanties. De moeder vreest dat zij hierdoor nog verder buitenspel komt te staan in het leven van [minderjarige] .
De informatie van de GI
7.3
De GI heeft ter zitting verklaard dat er (nog) geen vaste gezinsmanager beschikbaar is. Het gezin wordt op dit moment vanuit de monitoringslijst geholpen. [minderjarige] heeft tijdens gesprekken met de GI gedeeld waarom zij zich onveilig voelt bij de moeder en dat zij niet bij de moeder wil overnachten. Uit deze gesprekken blijkt dat [minderjarige] veel weerstand heeft tegen contact met de moeder, ondanks dat de GI dit contact stimuleert. [minderjarige] heeft eerder een aantal jaar onder toezicht gestaan en zij is hulpverleningsmoe. De GI heeft bij aanvang van de ondertoezichtstelling informatie ingewonnen bij de school van [minderjarige] . Uit de terugkoppeling van de school blijkt dat [minderjarige] een gesloten meisje is. Waar zij aan het begin van het schooljaar vaak alleen was, trekt zij inmiddels veel met vriendinnen op. [minderjarige] ervaart veel spanning rondom haar schoolprestaties, met name rond toetsweken. Tegelijkertijd ziet school dat [minderjarige] meer rust en minder nervositeit ervaart sinds zij ervoor heeft gekozen bij de vader te verblijven. De schoolresultaten van [minderjarige] zijn sinds periode drie van dit schooljaar verbeterd en de school is blij met haar als leerling. Verder heeft de kindbehartiger de begeleiding beëindigd omdat [minderjarige] niet langer naar de afspraken kwam en zij geen vertrouwen meer had in de kindbehartiger. De kindbehartiger blijft bereikbaar voor het gezin.
Het advies van de raad
7.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat [minderjarige] een intelligent en gevoelig meisje is, maar dat zij al langere tijd wordt geconfronteerd met twee ouders die fundamenteel verschillend denken over wat in haar belang is. Het is voor [minderjarige] en haar identiteitsontwikkeling van groot belang dat zij de ruimte krijgt om een zelfstandig beeld van beide ouders te vormen. Daarbij dient voorkomen te worden dat verantwoordelijkheden die bij de ouders horen, bij [minderjarige] worden neergelegd. [minderjarige] geeft duidelijk aan dat zij het contact met de moeder op dit moment als ingewikkeld ervaart. Hoewel haar wens serieus genomen moet worden, kan deze niet zonder meer bepalend zijn voor de te nemen beslissingen. De raad acht het van belang dat eerst meer duidelijkheid wordt verkregen over wat ten grondslag ligt aan de door [minderjarige] ervaren onveiligheid. Het door de GI aangevraagde diagnostisch onderzoek is een stap in de goede richting. De uitslag van het diagnostisch onderzoek kan richting geven aan de vraag welke ondersteuning [minderjarige] nodig heeft en hoe het contact met de moeder in de toekomst vorm kan krijgen.
Ten aanzien van de verzoeken die in hoger beroep voorliggen adviseert de raad het hof om ruimte te bieden aan de door de GI ingezette koers binnen de ondertoezichtstelling. De raad acht een aanhouding van de procedure wenselijk, zodat over enkele maanden kan worden bezien welke resultaten de hulpverlening hebben opgeleverd. Voor wat betreft de hoofdverblijfplaats komt de feitelijke situatie momenteel niet overeen met de juridische situatie. Het is echter lastig te overzien welke gevolgen een wijziging van de hoofdverblijfplaats voor [minderjarige] zal hebben.
De beoordeling door het hof
Het wettelijk kader
7.5
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder het onderhavige geschil over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats, een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
7.6
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt het hof als volgt. Ter zitting is de mogelijkheid besproken om de zaak aan te houden om – onder meer – de uitkomst van het diagnostisch onderzoek en verdere hulpverlening af te wachten. Gelet op de huidige situatie acht het hof het echter van belang om duidelijkheid en rust te creëren voor partijen en in het bijzonder voor [minderjarige] . Het hof zal de zaak daarom niet aanhouden maar nu een beslissing nemen.
Het hof is gebleken dat de door de rechtbank gehandhaafde zorgregeling, die neerkomt op een co-ouderschapsregeling, in de praktijk niet wordt uitgevoerd. [minderjarige] verblijft sinds 4 februari 2026 niet meer bij de moeder en het contact tussen hen is op dit moment beperkt. Verder staat [minderjarige] sinds 10 oktober 2025 (tot 10 oktober 2026) onder toezicht van de GI. De rechtbank heeft bij beschikking van 10 oktober 2025 verschillende doelen voor de ondertoezichtstelling opgenomen. De GI heeft in mei 2026 aan de raad laten weten dat de GI zich voornamelijk op drie doelen richt, waaronder het herstellen van de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . Hierbij wil de GI het contact op een gezonde manier herstellen, rekening houdend met de behoeften en draagkracht van [minderjarige] . Verder heeft de GI diagnostisch onderzoek voor [minderjarige] aangevraagd bij Praktijk Beeldfijn in [plaats] . Binnenkort vindt het intakegesprek met [minderjarige] plaats. Er zal onder meer een IQ-test worden afgenomen vanwege een vermoeden van hoogbegaafdheid bij [minderjarige] . De resultaten van dit onderzoek kunnen richting geven aan de vraag welke hulpverlening passend is voor [minderjarige] . Daarnaast heeft de GI contact met Jij & Co Jeugdzorg voor het opstarten van begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Ook de moeder heeft initiatief genomen om hulpverlening te zoeken ter ondersteuning van het contactherstel en de communicatie tussen de ouders en heeft Dynamiek Jeugd hiertoe bereid gevonden. De moeder heeft ter zitting verklaard over haar laatste contact met [minderjarige] op 15 mei 2026.
7.7
Vanwege de hiervoor geschetste situatie acht het hof een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . Niet alleen wordt de huidige co-ouderschapsregeling feitelijk niet uitgevoerd, ook heeft [minderjarige] op meerdere momenten, waaronder in het kindgesprek met het hof, duidelijk en consequent kenbaar gemaakt dat zij op dit moment niet gedwongen wil worden tot contact met haar moeder. Tijdens het kindgesprek met het hof heeft zij bovendien toegelicht dat zij zich niet veilig voelt bij een overnachting bij de moeder.
Het hof is van oordeel dat het op dit moment forceren van contact tussen de moeder en [minderjarige] averechts zal werken en de verhouding tussen hen (verder) zal beschadigen. Een vaste zorgregeling zal naar verwachting leiden tot verdere spanningen en het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] eerder bemoeilijken dan bevorderen. Het hof ziet dan ook op dit moment geen mogelijkheid om de bestaande co-ouderschapsregeling in stand te laten zonder [minderjarige] onevenredig te belasten. Tegelijkertijd acht het hof het voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] belangrijk dat zij contact heeft met haar beide ouders. Ter zitting is met de ouders de mogelijkheid besproken om de zorgregeling zodanig te wijzigen dat onder regie van de GI, in het kader van de ondertoezichtstelling, begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] wordt opgestart. De moeder heeft ter zitting ermee ingestemd dat het contact tussen haar en [minderjarige] onder regie van de GI wordt vormgegeven. Ook de vader heeft ter zitting onderschreven dat contactherstel een belangrijk doel van de ondertoezichtstelling is.
Het hof zal daarom een zorgregeling bepalen waarin [minderjarige] bij de vader verblijft en waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] onder regie van de GI wordt opgebouwd en vormgegeven. In de komende periode zal aan de hand van de uitkomst van het diagnostisch onderzoek en met behulp van de nader in te zetten hulpverlening verder moeten worden onderzocht waar de weerstand van [minderjarige] tegen het contact met haar moeder precies vandaan komt en op welke wijze onbelast contact tussen hen mogelijk is. Onder regie van de GI kan vervolgens worden toegewerkt naar contactherstel in het tempo en in de vorm die de GI passend acht. Het voorgaande houdt in dat het hof de bestreden beschikking in zoverre vernietigt en een zorgregeling bepaalt zoals hierna in het dictum vermeld.
7.8
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt het hof als volgt. [minderjarige] verblijft reeds enige tijd volledig bij de vader. Daarnaast volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat het hof het op dit moment niet in haar belang acht om een gelijkwaardige zorgregeling tussen de ouders te hervatten. Tegen die achtergrond acht het hof het wenselijk dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats onder deze omstandigheden niet in de weg staat aan contactherstel. Het hof zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voortaan bij de vader is. De bestreden beschikking wordt in zoverre vernietigd en het verzoek van de vader (onder II) wordt toegewezen.
In incidenteel hoger beroep
7.9
De moeder heeft ter zitting haar verzoek in incidenteel hoger beroep ingetrokken. Nu de moeder haar verzoek niet langer handhaaft, behoeft dit geen verdere bespreking. De moeder zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het incidentele hoger beroep.
De proceskostenveroordeling
7.1
Gelet op de aard van de procedure en de voormalige relatie tussen partijen, zal het hof de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.363.527/01 (ondertoezichtstelling)
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
In de zaak met zaaknummer 200.363.799/01 (zorgregeling en hoofdverblijfplaats)
in principaal hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2025, met zaaknummer C/13/757547 /FA RK 24-6682, voor zover daarin de verzoeken van de vader zijn afgewezen tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , en opnieuw rechtdoende:
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader;
stelt de volgende zorgregeling vast, met wijziging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2023:
- [minderjarige] verblijft bij de vader, waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] gedurende de ondertoezichtstelling onder regie van de GI wordt opgebouwd en vormgegeven;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in incidenteel hoger beroep:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
in principaal en incidenteel hoger beroep:
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M. van Baardewijk en
mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op
7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.