ECLI:NL:GHAMS:2026:1809

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.370.572/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 1:165 BWArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis voormalige echtelijke woning

De vrouw is veroordeeld tot ontruiming van de voormalige echtelijke woning waarin zij met haar twee minderjarige kinderen woont. Zij vordert in hoger beroep de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis, stellende dat het vonnis berust op een kennelijke misslag en dat ontruiming een onomkeerbare situatie creëert. Tevens wijst zij op het belang van de kinderen en hun kwetsbare situatie.

Het hof overweegt dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard zonder gemotiveerde beslissing over die uitvoerbaarheid, maar dat het vonnis niet berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Het belang van de kinderen is meegewogen conform artikel 3 IVRK Pro. Het recht van de vrouw op voortgezet gebruik van de woning eindigde op 2 maart 2026, en het hof ziet geen nieuwe feiten die een noodtoestand rechtvaardigen.

Het belang van de man bij ontruiming is evident vanwege de noodzaak tot verkoop van de woning wegens dreigende executoriale verkoop. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat alternatieve huisvesting ontbreekt. De kinderen kunnen bij de man verblijven, die over passende woonruimte beschikt en contact tussen moeder en kinderen niet zal belemmeren.

Daarom weegt het belang van de man zwaarder dan dat van de vrouw en kinderen om in de woning te blijven. Het hof wijst de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het ontruimingsvonnis af en bevestigt dat de vrouw de woning moet ontruimen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.370.572/02
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/788174 / KG ZA 26-420
arrest van de meervoudige familiekamer van 25 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonend in [plaats A] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. F.L.P. Vulto te 's-Gravenhage,
tegen
[de man] ,
wonend in [plaats B] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld tot ontruiming van de voormalig echtelijke woning waarin zij met de twee minderjarige kinderen van partijen woont. De vrouw wil dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep hierop wordt beslist.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is bij dagvaarding van 19 juni 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 juni 2026 (hierna: het bestreden vonnis) van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.
2.2.
De appeldagvaarding bevat de grieven. De vrouw heeft voorts een incidentele vordering ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld en zij heeft producties ingediend.
2.3.
De man heeft daarna een memorie van antwoord in het incident, met producties, ingediend.
2.4.
De vrouw heeft het procesdossier van de procedure bij de rechtbank overgelegd.
2.5.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 verschenen met hun advocaten. Partijen hebben de zaak laten toelichten door hun advocaten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. De vrouw werd ter zitting tevens bijgestaan door D. de Vries, die voor haar heeft vertaald.
2.6.
In verband met de spoedeisendheid is op 25 juni 2026 de beslissing gegeven in de vorm van een kop-staart arrest. Daarbij is meegedeeld dat de uitwerking van het arrest op korte termijn zal volgen. Dit is de uitwerking.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn gehuwd [in] 2015 te [plaats C] (Israël). Het huwelijk is op 2 september 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 maart 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 en [minderjarige 2] , geboren [in] 2022.
3.4.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [A-straat] te [plaats A] (de voormalig echtelijke woning, hierna: de woning) en een woning aan de [B-straat] te [plaats B] (de beleggingswoning), gezamenlijk aan te duiden met “de woningen”. De beleggingswoning is verhuurd aan een derde.
Er is een aanzienlijke achterstand ontstaan bij betaling van de hypothecaire leningen van partijen. In verband daarmee heeft de ING Bank aangekondigd tot opeising van alle leningen en (executie-)verkoop van de woningen over te gaan, tenzij uiterlijk op 21 mei 2026 een opdracht tot verkoop van de woningen aan een makelaar is gegeven, uiterlijk 21 augustus een koopovereenkomst wordt ondertekend en de woningen uiterlijk 21 oktober 2026 zijn geleverd. De opdracht tot verkoop van de beleggingswoning is door de man gegeven aan BNV Makelaars, nu deze woning uitsluitend op zijn naam staat. De vrouw heeft niet meegewerkt aan opdrachtverlening aan de makelaar voor verkoop van de woning.
3.5.
Bij beschikking van 24 april 2026 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning te blijven wonen tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, dan wel tot aan de levering van de woning aan de koper indien dit binnen voornoemde zes maanden plaatsvindt. Verder is bepaald dat de woning en de beleggingswoning dienen te worden verkocht en is hierbij een stappenplan opgenomen.
3.6.
Bij vonnis van 15 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald welke verkoopmakelaar optreedt en dat de vrouw onvoorwaardelijk gehouden is om volledige medewerking te verlenen aan het feitelijke verkooptraject van de woning, daaronder begrepen het in nette en verkoopbare staat ter beschikking stellen van de woning en het onverhinderd verschaffen van toegang aan de makelaar en overige betrokkenen. Ook is de vrouw gehouden om de fotograaf, de meetdeskundige en degene die het energielabel opneemt op donderdag 21 mei 2026 om 11:00 uur, dan wel op een ander door de makelaar ten minste 48 uur vooraf schriftelijk aangekondigd tijdstip, toegang te verlenen tot de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder zijn beslissingen genomen ten aanzien van de totstandkoming van de verkoopprijs, de koopovereenkomst en het notarieel transport van de woning.
3.7.
Op 21 mei 2026 heeft geen bezichtiging plaatsgevonden. Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 5 juni 2026 afgesproken dat de makelaar op 8 juni 2026 om 10:00 uur de woning zou kunnen komen bezichtigen. De makelaar heeft aan partijen diezelfde dag verslag uitgebracht: kort gezegd blijkt uit dat verslag dat de woning niet representatief was voor verkoop, dat het maken van professionele verkoopfoto's feitelijk onmogelijk was zonder eerst omvangrijke schoonmaak-, opruim- en herstelwerkzaamheden uit te voeren en dat de werkzaamheden werden bemoeilijkt door de wijze waarop de vrouw die dag handelde, waaronder het tweemaal inschakelen van de politie. Op 11 juni 2026 heeft de makelaar zich teruggetrokken.
3.8.
Op 23 juni 2026 is aan de vrouw een ontruimingsexploot betekend, waarbij de ontruiming is aangezegd op 26 juni 2026.

4.Vordering in hoger beroep

4.1.
De vrouw vordert dat het hof ex parte, bij wijze van onmiddellijke voorziening:
I: de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, althans van de onderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 daarvan, te schorsen tot de mondelinge behandeling 29 juni 2026, althans tot een door het hof nader te bepalen datum.
4.2.
Voorts vordert de vrouw
in het incidentdat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
II. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen, althans de onderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 daarvan te schorsen, totdat in de hoofdzaak in hoger beroep zal zijn beslist;
III. althans een zodanige voorziening te treffen als het hof in goede justitie zal
vermenen te behoren.
4.3.
Volgens de man moet het hof de incidentele vorderingen van de vrouw afwijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van het arrest.

5.De beoordeling

5.1.
Het hof ziet geen aanleiding de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat in de hoofdzaak in hoger beroep zal zijn beslist.
Toetsingskader
5.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, een maatstaf geformuleerd voor toetsing van (incidentele) vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Van belang daarbij is of nog een (gewoon) rechtsmiddel openstaat en, zo ja, of in die uitspraak uitdrukkelijk is beslist over de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Is de uitspraak nog niet definitief en is geen gemotiveerde beslissing gegeven omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad, dan dient een belangenafweging te worden gemaakt, waarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en waarbij de kans van slagen van het rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing moet blijven. Wel kan de rechter in de oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag, of indien na het vonnis aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan, zodat tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.
Standpunten
5.3.
Ter onderbouwing van haar verzoek tot schorsing stelt de vrouw in haar appeldagvaarding - kort samengevat - het volgende:
1) het oordeel van de voorzieningenrechter berust op een kennelijke juridische misslag, nu hij allereerst het kinderbelang niet conform artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) als eerste overweging in de proportionaliteitstoets heeft betrokken en daarnaast het wettelijk recht van voortgezet gebruik op grond van artikel 1:165 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volledig buiten beschouwing heeft gelaten, hetgeen in strijd is met het door de bodemrechter bij beschikking van 24 april 2026 toegekende voortgezet gebruik;
2) er is sprake van een noodtoestand. Zodra de vrouw en de kinderen de woning hebben moeten verlaten en de sloten zijn vervangen, kan de situatie niet meer ongedaan worden gemaakt, ook niet bij vernietiging van het vonnis in hoger beroep;
3) het belang van de vrouw en de kinderen bij schorsing is klemmend. Ontruiming binnen 48 uur na betekening brengt een gezin met twee minderjarige kinderen van vier en tien jaar op straat, zonder alternatieve huisvesting en zonder familiaal vangnet in Nederland. [minderjarige 2] lijdt aan woedeaanvallen en tics en daarnaast is een beschermingsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gaande.
5.4.
De man stelt in zijn memorie van antwoord in het incident dat in het bestreden vonnis reeds een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat slechts nieuwe feiten kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. De vrouw heeft echter geen nieuwe feiten gesteld, reeds daarom faalt volgens de man de schorsingsvordering. Daarnaast betwist de man dat sprake is van een kennelijke misslag. Dat de voorzieningenrechter het door de bodemrechter op grond van 1:165 BW toegekende recht op voorgezet gebruik heeft genegeerd, is onjuist evenals de stelling van de vrouw dat een noodtoestand zou ontstaan. De man kan de kinderen opvangen in zijn eigen woning. Daarbij is van belang dat de kinderen het volgens de hulpverlening ook bij de man goed hebben en dat de man de vrouw herhaaldelijk heeft aangeboden haar te ondersteunen bij het vinden van tijdelijke zelfstandige woonruimte bij gezamenlijke vrienden binnen hun gemeenschap, welke aanbiedingen de vrouw telkens heeft genegeerd dan wel afgewezen. Bovendien heeft de vrouw twee jaar de tijd gehad woonruimte te regelen, hetgeen zij heeft nagelaten. De man betwist dat [minderjarige 2] lijdt aan woedeaanvallen en/of tics.
De beoordeling door het hof
5.5.
Het vonnis van 18 juni 2026 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Anders dan de man in zijn memorie van antwoord heeft gesteld, is hier geen sprake van de situatie waarbij de rechter zijn beslissing over de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad heeft gemotiveerd. Tegen die gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is in de procedure bij de voorzieningenrechter geen afzonderlijk verweer gevoerd en de voorzieningenrechter heeft dit deel van de vordering zonder motivering afgewezen zonder daaraan specifieke overwegingen te wijden.
5.6.
Het vonnis van de voorzieningenrechter berust niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag. Daarbij moet het gaan om een evidente fout in het vonnis. Anders dan de vrouw stelt, heeft de voorzieningenrechter het belang van de kinderen conform artikel 3 IVRK Pro wel degelijk onder 4.6 van het bestreden vonnis meegewogen bij de beoordeling van de vordering. Het enkele feit dat over dat oordeel van de voorzieningenrechter wellicht ook anders kan worden gedacht, zoals de vrouw doet (en als het aan haar ligt het hof te zijner tijd ook), maakt dat oordeel nog niet een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Hetzelfde geldt voor de stelling van de vrouw dat de voorzieningenrechter voorbij gegaan is aan het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 24 april 2026 met betrekking tot artikel 1:165 BW Pro. De rechtbank oordeelde in die beschikking dat de vrouw tegenover de man het recht heeft in de woning te blijven tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zijnde 2 september 2025, dan wel tot aan de levering van de woning
indien dit binnen voornoemde zes maanden plaatsvindt.Dit betekent dat het recht van de vrouw op bewoning van de woning met uitsluiting van de man in ieder geval op 2 maart 2026 eindigde. Ook hier geldt dat de vrouw het op dit punt inhoudelijk niet eens kan zijn met de voorzieningenrechter en zij dit opnieuw aan de orde kan stellen in hoger beroep maar daarmee is nog geen sprake is van een kennelijke misslag.
5.7.
Na het vonnis aan het licht gekomen feiten, die klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan, heeft de vrouw niet gesteld. Dat door de ontruiming een onomkeerbare situatie zou ontstaan, is daartoe onvoldoende, nog daargelaten dat niet valt in te zien dat de vrouw en de kinderen niet weer in de woning zouden kunnen wonen – ten minste tot aan de levering – in de situatie dat het hof het bestreden vonnis in de hoofdzaak alsnog vernietigt.
5.8.
Het bestreden vonnis is nog niet definitief – in hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan – zodat, gelet op de hiervoor onder 5.2 weergegeven maatstaf, alsnog een belangenafweging kan en moet worden gemaakt.
5.9.
Het zwaarwegend belang van de man bij ontruiming van de woning, te weten dat hij in staat wordt gesteld zelf alle handelingen te verrichten om op zo kort mogelijke termijn tot verkoop van de woning te komen, is evident. Op geen enkele wijze is duidelijk geworden dat de vrouw nu wel gaat meewerken aan verkoop van de woning op de kortst mogelijke termijn, waar dit wel noodzakelijk is gelet op de dreigende executoriale verkoop van de woning. Sterker nog, de vrouw heeft ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof blokkades opgeworpen door bijvoorbeeld voorwaarden te (blijven) stellen aan het verkoopklaarmaken van de woning. Daartegenover staat het zwaarwegend belang van de vrouw om met de minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen, totdat de woning wordt geleverd aan een derde.
5.10.
Artikel 3 IVRK Pro bepaalt dat de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook in dit ontruimingsgeschil. In artikel 27 lid 1 IVKR Pro is immers ook het recht van een kind op huisvesting, en in artikel 9 IVRK Pro het recht om niet gescheiden te worden van de ouder(s) opgenomen. Hoewel deze belangen zwaar wegen, behoeven zij niet de doorslag te geven; zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de kinderen onder de huidige zorgregeling wekelijks van woensdag tot donderdag en om de week van vrijdag tot maandag bij de man verblijven en dat de man heeft aangegeven dat te kunnen uitbreiden, mocht dat nodig zijn. Ter zitting in hoger beroep heeft de man – desgevraagd – meegedeeld dat de kinderen – zo nodig – de hele tijd bij hem kunnen verblijven, waarbij hij contact tussen de vrouw en de kinderen niet in de weg zal staan. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de woning van de man ongeschikt is voor de kinderen nu hij op een kleine kamer bij zijn ouders woont, maar op grond van hetgeen partijen over de woning van de man ter zitting hebben meegedeeld, is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat de man beschikt over passende woonruimte voor hem en de kinderen. Er zijn geen aanwijzingen dat, zolang niet inhoudelijk is beslist op de ontruiming, de kinderen niet bij de man zouden kunnen verblijven. Uit de stukken komt naar voren dat de vader een goed contact heeft met zijn kinderen. De gestelde woede-aanvallen en tics van [minderjarige 2] en het door de vrouw genoemde beschermingsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, maken dit niet anders.
Vervolgens is aan de orde gekomen dat vanaf 4 juli 2026 de zomervakantie begint en de vrouw krachtens de zorgregeling de eerste drie weken van de zomervakantie de zorg voor de kinderen heeft, en de man de volgende drie weken. De man heeft aangegeven dat hij van plan is in die periode met de kinderen naar Texel te gaan, maar dat het ook goed is als de kinderen de eerste drie weken bij hem zijn en daarna naar de vrouw gaan. Ook heeft hij – desgevraagd – toegezegd bereid te zijn een accommodatie voor de vrouw te regelen en te betalen, waar zij gedurende ‘haar’ drie weken met de kinderen kan verblijven.
5.11.
In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin de kinderen van hun ouder(s) worden gescheiden dan wel (de vrouw en) de kinderen daadwerkelijk op straat komen te staan zonder alternatieve huisvesting. Daarbij acht het hof nog van belang dat de vrouw zich de afgelopen tijd enkel heeft gefocust op overname van de woning door NIISA, waarbij zij nog een jaar langer in de woning kan blijven. Dat de man niet akkoord is gegaan met het bod van NIISA dat ver onder de marktwaarde ligt, is naar het oordeel van het hof echter begrijpelijk. De vrouw heeft niet laten zien dat zij daarnaast enige poging heeft gedaan om alternatieve huisvesting te vinden, waartoe volgens de man wel voldoende mogelijkheden zijn binnen hun gemeenschap. Van de vrouw had dit wel mogen verwacht, eens te meer nu zij al bijna twee jaar weet dat de woning moet worden verkocht. Dat alternatieve huisvesting niet voorhanden is, heeft de vrouw dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.
5.12.
Op grond van een en ander oordeelt het hof dat het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep niet opweegt tegen het belang bij de man om het bestreden vonnis hangende het hoger beroep ten uitvoer te leggen. Dat betekent dat het hof de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de vrouw zal afwijzen.
Ex parte vordering
5.13.
In het licht van het vorengaande zal het hof eveneens de vordering van de vrouw om ex parte, bij wijze van onmiddellijke voorziening, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen tot de mondelinge behandeling op 29 juni 2026, afwijzen.
Proceskosten
5.14.
Het hof ziet in hetgeen partijen hebben aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal de vorderingen van partijen ten aanzien van de proceskostenveroordeling in het schorsingsverzoek dan ook afwijzen en bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
wijst af de vordering van de vrouw om ex parte, bij wijze van onmiddellijke voorziening, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen tot de mondelinge behandeling op 29 juni 2026;
6.2.
wijst af de vordering van de vrouw tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis;
6.3.
bepaalt dat iedere partij in het schorsingsverzoek de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Troost, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M. Overmars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Het bovenstaande bevat de schriftelijke uitwerking van het reeds op 25 juni 2026 uitgesproken arrest en is op 3 juli 2026 aldus vastgesteld en door de oudste raadsheer ondertekend.