ECLI:NL:GHAMS:2026:1756

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
23-000877-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor overtreding Wet dieren met houdverbod en geldboete

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het overtreden van de Wet dieren door het houden van een grote hoeveelheid katten en een hond zonder de benodigde zorg en ruimte, waardoor het welzijn en de gezondheid van de dieren in gevaar kwamen. De politierechter legde een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000,- op, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een houdverbod van tien jaar met uitzondering van twee katten.

In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve ten aanzien van de voorwaardelijke geldboete, die werd verlaagd naar € 500,- met een subsidiaire hechtenisstraf van vijf dagen en een proeftijd van twee jaar. Het houdverbod van tien jaar werd gehandhaafd, waarbij het hof oordeelde dat de verdachte niet meer dan twee katten mag houden vanwege haar persoonlijke en financiële situatie.

Het hof motiveerde de straf op basis van de ernst van de overtreding, de verantwoordelijkheid van de verdachte als houder van dieren die niet voor zichzelf kunnen opkomen, en het feit dat zij meewerkt aan controles en de twee katten die zij nu verzorgt goed behandelt. De vordering van de advocaat-generaal tot een langer houdverbod werd afgewezen, evenals het verzoek van de raadsman om een korter verbod en een uitzondering voor vijf dieren.

De opgelegde straf is gebaseerd op diverse artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Wet dieren. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het vonnis behalve de geldboete, die wordt verlaagd naar € 500,- met een proeftijd, en handhaaft het houdverbod van tien jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000877-25
datum uitspraak: 30 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer
15-357298-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde geldboete – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de op te leggen straf en het ongewijzigd in stand laten van het door de politierechter opgelegde houdverbod zal motiveren.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Daarnaast is een maatregel opgelegd, te weten een verbod tot het houden van dieren voor de duur van 10 jaren, met uitzondering van twee katten, en het meewerken aan de controles op het houdverbod. Verder is een aantal katten en een hond verbeurdverklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk, en dat aan haar een verbod op het houden van dieren voor de duur van 30 jaren, met uitzondering van twee katten, zoals bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren zal worden opgelegd en dat de in beslag genomen dieren verbeurd worden verklaard.
De raadsman heeft verzocht het houdverbod voor een kortere periode op te leggen, en daarnaast een uitzondering op dat houdverbod voor vijf dieren te maken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overtreding van de Wet dieren. Zij had een grote hoeveelheid katten en een hond in haar huis die zij niet de benodigde ruimte en zorg heeft gegeven. Daarmee heeft ze het welzijn van de dieren benadeeld en de gezondheid van de dieren in gevaar gebracht. Dieren kunnen niet voor zichzelf opkomen en de verdachte was als houder verantwoordelijk voor de dieren. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof weegt in het voordeel van de verdachte mee dat zij de twee katten die zij nu in huis heeft, goed verzorgt en dat zij meewerkt aan de controles op het houdverbod. Het hof acht daarom een lagere voorwaardelijke geldboete dan de politierechter heeft opgelegd, van na te melden hoogte, passend en geboden.
Het hof ziet geen redenen om de duur van het door de rechtbank opgelegde houdverbod van 10 jaren te wijzigen of de daaraan verbonden voorwaarden aan te passen. De twee katten die de verdachte nu in haar huis heeft, worden goed door haar verzorgd.
Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of de verdachte meer dan twee huisdieren kan houden, gelet op de persoon van de verdachte en haar financiële situatie. De vrees bestaat dat bij het houden van meer dieren, de zorg die daaraan moet worden gegeven, te veel wordt voor de verdachte. Ook de kosten (waaronder de kosten voor een dierenarts) voor het houden van een groter aantal dieren zouden toenemen en het hof staat daarom niet toe dat de verdachte meer dieren houdt dan twee katten.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.2 en 8.11a van de Wet dieren.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde geldboete en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juni 2026.
mr. A. Dantuma-Hieronymus en mr. M. Boelens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.