ECLI:NL:GHAMS:2026:1730

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.362.393/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder tot verhuizing met minderjarige kinderen naar andere plaats

De moeder verzocht om vervangende toestemming om met haar drie minderjarige kinderen naar een andere plaats te verhuizen en hen daar in te schrijven in de Basisregistratie Personen, op een school en een kinderdagverblijf. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de moeder in hoger beroep ging.

Het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank. Het belang van de kinderen staat voorop, waarbij het hof oordeelde dat de kinderen hun hele leven in de huidige woonplaats hebben gewoond, daar naar school gaan en een sociaal netwerk hebben. Een verhuizing zou het contact met de vader en zijn familie aanzienlijk verminderen en de kinderen uit hun vertrouwde omgeving halen zonder zicht op een stabiele woonsituatie.

Hoewel de moeder een sociaal netwerk in de nieuwe plaats heeft en zich onveilig voelt in de huidige woonplaats, vond het hof dat dit onvoldoende was onderbouwd tegenover de betwisting door de vader. De echtscheidingsprocedure loopt nog en beslissingen over hoofdverblijfplaats en zorgregeling moeten nog worden genomen. Het hof benadrukte het belang van rust en duidelijkheid voor de kinderen en adviseerde de ouders hulpverlening te zoeken om hun communicatie te verbeteren.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot verhuizing met de kinderen af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.393/01
zaaknummer rechtbank: C/15/358697 / FA RK 24-5668
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N.D. Groenewoud te Nieuw-Vennep.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verzoeken van de moeder om met [minderjarige 1] (12 jaar), [minderjarige 2] (10 jaar) en [minderjarige 3] (3 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen) naar [plaats C] te verhuizen en hen daar in te schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP), op een school en op een kinderdagverblijf. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder afgewezen. De moeder is het daar niet mee eens.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 7 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
9 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 10 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 1 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 5 mei 2026 met bijlagen.
2.4
Op 6 mei 2026 heeft een raadsheer, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. De inhoud van dit gesprek is op verzoek van de kinderen niet op de zitting besproken.
2.5
De zitting heeft op 11 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door Z. Karem, een tolk in de Koerdische taal,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw R. Planting.
De advocaten van de moeder en de vader hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [gemeente] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [gemeente] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2022 te [plaats B] .
De vader heeft de kinderen erkend. Partijen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk het gezag aangevraagd en gekregen. Hiervan is aantekening gemaakt in het gezagsregister.
De ouders zijn [in] 2022 in [plaats A] met elkaar getrouwd. Als gevolg van het huwelijk oefenen partijen ook over [minderjarige 3] samen het gezag uit.
Op 12 september 2024 heeft de moeder een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank, welk verzoek nog in behandeling is.
3.2
Bij de beschikking van 9 september 2025 heeft de rechtbank in het kader van een procedure voorlopige voorzieningen bepaald dat gedurende de echtscheidingsprocedure:
de ouders uitvoering zullen geven aan birdnesting en in dat kader om beurten bij uitsluiting gerechtigd zullen zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan het adres [A-straat] te [plaats B] met het bevel dat de ouders die woning moeten verlaten en deze verder niet mogen betreden wanneer de andere ouder in de woning verblijft, waarbij de moeder van maandag 08.30 uur tot woensdag 18.30 uur en in de even weekenden in de woning verblijft en de vader van woensdag 18.30 uur tot vrijdag 18.30 uur en in de oneven weekenden in de woning verblijft.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verzoeken van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats C] te verhuizen en hen daar in te schrijven in de BRP, op een school en op een kinderdagverblijf, afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en uitvoerbaar bij voorraad, haar alsnog vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats C] te verhuizen, de kinderen daar in de BRP in te schrijven op het adres [B-straat] te [plaats C] alsmede om de kinderen op een basisschool/kinderdagverblijf in de buurt van voornoemde woning in te schrijven.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Aan de orde is het verzoek van de moeder om haar toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats C] te verhuizen, de kinderen daar in de BRP in te schrijven op het adres [B-straat] te [plaats C] en om de kinderen op een basisschool/kinderdagverblijf in de buurt van deze woning in te schrijven.
Standpunten partijen
De moeder
5.2
De moeder is van mening dat de rechtbank haar ten onrechte geen vervangende toestemming heeft verleend om te verhuizen. Zij voert daartoe kort samengevat het volgende aan. Volgens de moeder is haar wens om te verhuizen niet alleen ingegeven door de wens om dichter bij haar familie te wonen, maar bestaat er een dringende noodzaak voor haar om zich samen met de kinderen te vestigen in een omgeving waar zij wel over een sociaal netwerk en vangnet beschikt. Dit is ook in het belang van de kinderen. In voorkomende gevallen kunnen de kinderen worden opgevangen door opa en oma of door andere familieleden. Zij merkt daarbij op dat de vader in eerste aanleg onwaarheden over haar familie heeft verkondigd, die zij met klem betwist. Zij heeft in verband met deze onwaarheden ook een tuchtklacht ingediend tegen de advocaat van de vader, waarbij zij in het gelijk is gesteld.
De moeder heeft bij de verhuizing ook oog gehad voor de belangen van de vader. Zo wil zij naar een plaats verhuizen die op een half uur rijden van [plaats A] ligt. Daaruit blijkt dat zij goed heeft nagedacht over hoe het contact tussen de vader en de kinderen kan plaatsvinden in het geval van de verhuizing. De kinderen kunnen om het weekend bij de vader zijn. De vader werkt vijf dagen per week en kan doordeweeks niet voor de kinderen zorgen. In voorkomende gevallen doet hij een beroep op zijn moeder en in dat geval maakt het niet uit dat de kinderen in [plaats C] zijn. Ook werkt de vader soms in het weekend en gaat hij vaak naar Irak, waardoor hij dan lang weg is. Voor de vakanties en feestdagen kunnen partijen een regeling treffen.
De moeder heeft daarnaast zorgen dat de vader de kinderen mee wil nemen naar Irak, hij zegt ook tegen de kinderen dat ze in Irak thuishoren. Aan de stelling van de vader dat de kinderen geworteld zijn in [plaats A] kan gelet hierop geen waarde gehecht worden. Hij voert dit slechts aan omdat het hem goed uitkomt.
Daarbij komt dat de moeder zich niet veilig voelt in [plaats A] . Tussen de ouders hebben (gewelds)incidenten plaatsgevonden, waardoor de politie en Veilig Thuis betrokken zijn. De moeder heeft verschillende aangiftes/meldingen overgelegd. Ook achtervolgt de vader de moeder op de dagen dat hij de kinderen heeft.
Verder is de moeder van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de verhuizing op geen enkele wijze heeft voorbereid of doordacht. Zij heeft in eerste aanleg toegelicht dat zij (nog) geen huurcontract heeft getekend omdat zij niet wist of zij vervangende toestemming zou krijgen. Zij kan met de kinderen tijdelijk bij haar broer en zijn echtgenote in [plaats C] intrekken, zoals ook blijkt uit de instemmingsverklaring van de broer. Ondertussen is zij op zoek naar een woning in de regio [plaats C] -Voorburg. Zij heeft een basisschool en kinderdagverblijf voor [minderjarige 3] gevonden en [minderjarige 2] staat op de wachtlijst voor een basisschool. De moeder heeft nog geen bevestiging van de mogelijkheid tot inschrijving van [minderjarige 1] op een school in [plaats C] , omdat dat door het ontbreken van toestemming van de vader niet mogelijk is.
Tenslotte stelt de moeder dat de echtelijke woning binnen afzienbare tijd verkocht moet worden, waarna er geen sprake meer is van een vertrouwde woning/omgeving waar de kinderen geworteld zijn. Beide ouders zullen dan een huurwoning moeten betrekken. Van de moeder kan dan niet gevergd worden dat zij ondanks haar gevoel van onveiligheid in [plaats A] blijft wonen. Zij merkt hierbij nog op dat de vader een kort geding heeft gevoerd om de echtelijke woning te verkopen. Dat is niet in het belang van de kinderen geweest, omdat dat het risico met zich meebracht dat de bestaande birdnesting-regeling tot een einde kwam en de moeder en de kinderen op straat kwamen te staan.
De moeder heeft hier ter zitting nog aan toegevoegd dat de huidige situatie schadelijk is voor de kinderen. Deze onwenselijke situatie wordt in stand gehouden door de birdnestingregeling die de rechtbank heeft vastgelegd. De moeder heeft het recht om na de scheiding haar leven in te richten op een plek waar zij met de kinderen rust ervaart.
De vader
5.3
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank. Hij is van mening dat er voor de moeder geen enkele noodzaak bestaat om met de kinderen te verhuizen naar [plaats C] . Zij wil dit alleen maar vanwege haar sociale netwerk daar. De moeder wil in [plaats A] blijven werken.
De vader benadrukt dat de kinderen al hun hele leven in [plaats A] wonen, daar naar school gaan en hun sociale netwerk hebben. Ook zijn de kinderen daar in omgeving van familie van de vader. Al sinds de kinderen klein zijn, past zijn moeder geregeld op hen. Dat de echtelijke woning verkocht zal moeten worden in verband met de lopende echtscheidingsprocedure betekent niet dat de ouders [plaats A] moeten verlaten. De huizenmarkt in [plaats A] en [plaats C] is vergelijkbaar. De vader wil in [plaats A] blijven wonen en kan zo nodig bij zijn familie terecht. Ook oriënteert hij zich actief op zowel koop- als huurwoningen. Het is echter niet mogelijk om definitieve stappen te zetten zolang er geen duidelijkheid bestaat over de financiële afwikkeling van de echtscheiding en de echtelijke woning nog niet te koop is aangeboden. In de kort geding procedure is het verzoek van de vader tot verkoop van de woning afgewezen.
De vader wijst erop dat in de bestreden beschikking op advies van de raad is bepaald dat de ouders zich moeten wenden tot het wijkteam van de gemeente [plaats A] . De advocaat van de vader heeft daarover contact opgenomen met de advocaat van de moeder, maar daarop heeft de moeder geen concrete vervolgstap genomen. Als de moeder naar een andere gemeente verhuist zal de hulpverlening niet voortgezet kunnen worden.
De vader betwist dat er tussen de ouders sprake is geweest van geweld. Hij heeft de moeder ook nooit gevolgd. Hij is toevallig tegelijk met haar op school geweest omdat hij moest langskomen voor de installatie van de schoolapp. Voor zover bekend bij de vader hebben aangiftes niet geleid tot nader politieonderzoek of vervolgstappen jegens hem. Hij meent dat er geen sprake is van onveiligheid van de moeder.
Volgens de vader heeft de moeder de verhuizing niet voorbereid en doordacht. Zij heeft de kinderen pas na de bestreden beschikking ingeschreven op scholen. De moeder overlegt hierbij niet met de vader, hetgeen ook niet in het belang van de kinderen is.
De stelling van de moeder dat de vader de kinderen zou ontvoeren naar Irak is ongegrond en speculatief. De vader heeft niet de intentie om de kinderen aan het gezag van de moeder te onttrekken. Ook de vader heeft zijn leven in Nederland opgebouwd en heeft zijn sociale leven en familie hier.
In de bestreden beschikking is bepaald dat partijen uitvoering zullen geven aan de birdnestingregeling. Als de moeder verhuist, kan deze regeling niet worden voorgezet. Dat is niet in het belang van de kinderen. De huidige regeling biedt juist rust en stabiliteit en de kinderen ervaren dat als positief. Een verhuizing vergroot de afstand aanzienlijk en maakt frequente en laagdrempelige omgang minder goed mogelijk. De vader is van mening dat het in het belang van de kinderen is dat er een gelijke verdeling van de omgang tussen de ouders blijft. De moeder heeft geen enkele compensatie geboden voor het geval zij zou gaan verhuizen.
De vader heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat de verhouding tussen partijen inmiddels zeer slecht is. De vader ervaart dat de moeder hem zwartmaakt en dat zij probeert een beeld van onveiligheid neer te zetten. Bij een verhuizing van de moeder bestaat een groot risico dat het contact van de vader met de kinderen, evenals het contact tussen de familie van de vader en de kinderen aanzienlijk zal verminderen en dat dit zijn positie als ouder zal verzwakken.
Advies raad
5.4.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft daarbij – kort samengevat- het volgende opgemerkt. De wens van de moeder om te verhuizen is invoelbaar, maar vanuit de kinderen gezien is een verhuizing niet wenselijk. Zij hebben hun leven in [plaats A] . Het is voor kinderen belangrijk dat zij in een onzekere tijd behouden wat voor hen vertrouwd is. School, sport en vrienden vormen voor de kinderen een veilige basis, waaruit zij zekerheid kunnen halen. Dat wordt bedreigd door een verhuizing. De raad kan niet beoordelen of de veiligheid van de moeder in het geding is. De belevening van de ouders ligt ver uit elkaar. De raad merkt daarbij op dat de moeder wel wil blijven werken in [plaats A] . Verder is van belang dat de verdeling van de zorg tussen de ouders nu bij helfte is. De moeder heeft geen voorstel gedaan om het verlies aan contact tussen de vader en de kinderen na de verhuizing te compenseren. De verhuizing zou de mogelijkheid dat de kinderen beide ouders in hun leven hebben, ondermijnen. De raad ziet dat tussen de ouders sprake is van veel conflict en verwijten. Dit moet stoppen, de kinderen hebben hier last van. De raad adviseert de ouders opnieuw met klem zich tot het wijkteam te wenden en actief hulp te vragen. Het is belangrijk dat de ouders toewerken naar een afronding van de scheiding zonder de kinderen daarmee te belasten.
Beoordeling
5.5.
Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
5.6.
Het hof overweegt als volgt.
De moeder heeft een duidelijk belang om met de kinderen te verhuizen naar [plaats C] , waar zij een netwerk heeft (haar familie). Daar tegenover staat het volgende.
De kinderen wonen al hun hele leven in [plaats A] , zij gaan daar naar school en hebben daar hun sociale contacten. Er geldt een voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen in de echtelijke woning verblijven en de ouders om de beurt bij de kinderen in de woning verblijven (birdnesting). De echtscheidingsprocedure loopt nog en er is nog geen beslissing genomen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en een (definitieve) zorg- en opvoedregeling.
De kinderen hebben op dit moment met beide ouders evenveel contact. Als de moeder zou verhuizen met de kinderen zou dit betekenen dat het contact tussen de vader en de kinderen aanzienlijk zal verminderen. De moeder stelt dat zij hier oog voor heeft gehad en dat de kinderen dan om het weekend bij de vader kunnen zijn. Daarbij miskent zij dat dit betekent dat de vader veel minder betrokken zal zijn bij het dagelijks leven van de kinderen dan nu het geval is. Ook de familie van de vader, bij wie de kinderen vaak zijn, zal op afstand van hen raken.
Daarnaast heeft de moeder geen huis in [plaats C] , alleen (inmiddels) een tijdelijk onderkomen bij haar broer. Dit betekent dat als de verzoeken van de moeder zouden worden toegewezen, de kinderen uit hun vertrouwde sociale omgeving worden gehaald en van school moeten wisselen zonder dat er zicht is op een stabiele (woon)situatie. Dat acht het hof niet in het belang van de kinderen. Daarbij komt dat de moeder vooralsnog in [plaats A] blijft werken, zodat zij ook om die reden niet aan [plaats C] gebonden is.
De moeder heeft aangevoerd dat de echtelijke woning toch verkocht zal moeten worden en dat van haar niet gevraagd kan worden in [plaats A] te blijven omdat zij zich daar niet veilig voelt. Het hof overweegt dat gebleken is dat de verhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en dat er veel spanningen zijn. De ouders hebben geen vertrouwen in elkaar en zij beschuldigen elkaar over en weer. Duidelijk is dan ook dat sprake is van een problematische situatie tussen de ouders. Dat de moeder onveilig zou zijn in [plaats A] heeft zij echter naar het oordeel van het hof, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat, alle betrokken belangen, waaronder die van de kinderen, in aanmerking genomen, het belang van de moeder om met de kinderen naar [plaats C] te verhuizen niet de doorslag kan geven. Hierbij neemt het hof ook in aanmerking dat de echtscheidingsprocedure nog loopt en daarin nog beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zullen worden genomen.
Het hof zal de verzoeken van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Het hof merkt hierbij nog wel het volgende op. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat de huidige situatie, waarbij de ouders niet in staat zijn constructief met elkaar te overleggen, zeer belastend is voor de kinderen. De kinderen bevinden zich in een onzekere en conflictueuze situatie en zij hebben belang bij rust en duidelijkheid. De birdnestregeling kan niet veel langer doorlopen want de echtelijke woning zal verkocht moeten worden. Het hof acht het van groot belang dat de ouders contact opnemen met de hulpverlening zodat zij onder begeleiding van de hulpverlening een plan voor de toekomst (voor na de verkoop van de echtelijke woning) kunnen maken. Daarbij is het van groot belang dat zij ervoor zorgen dat hun onderlinge verstandhouding en communicatie beter wordt, zodat de kinderen hier minder spanningen door ervaren.
5.7.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.