ECLI:NL:GHAMS:2026:1728

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.368.248/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 RvArt. 278 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vrouw in hoger beroep echtscheidingsbeschikking wegens ontbreken advocaat

De vrouw is op 15 april 2026 in hoger beroep gekomen tegen de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2026. Zij diende het beroepschrift zonder tussenkomst van een advocaat in, wat in strijd is met artikel 359 juncto Pro 278 Rv.

Het hof heeft de vrouw bij brief van 15 mei 2026 gewezen op dit verzuim en haar de mogelijkheid gegeven dit uiterlijk op 29 mei 2026 te herstellen. De vrouw heeft hier niet op gereageerd. Daarom verklaart het hof haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Ten overvloede merkt het hof op dat de rechtbank alleen de echtscheiding heeft uitgesproken en dat eventuele verzoeken over partner- of kinderalimentatie en zorgregeling via een verzoekschrift bij de rechtbank moeten worden ingediend.

De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het ontbreken van tussenkomst van een advocaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.368.248/01
zaaknummer rechtbank: C/13/775694/ FA RK 25-7039
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de vrouw,
en
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. B. Schoonewil te Velsen-Zuid.

1.De procedure in hoger beroep

1.1
De vrouw is op 15 april 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 28 januari 2026.
1.2
Het hof heeft verder de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de man van 28 mei 2026, met het verzoek een akte van non-appel af te geven;
- een bericht van de man van 3 juni 2026, inhoudende dat mr. Schoonewil zich voor hem stelt.

2.De beoordeling in hoger beroep

2.1
Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 359 juncto Pro 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een beroepschrift worden ondertekend en ingediend door een advocaat.
Het hof stelt vast dat de vrouw op 15 april 2026 zonder tussenkomst van een advocaat een brief aan de griffie van dit hof heeft gestuurd waarin zij te kennen geeft hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank van 28 januari 2026.
Bij brief van dit hof van 15 mei 2026 is de vrouw erop gewezen dat indiening van een beroepschrift uitsluitend kan geschieden door een advocaat. De vrouw is met die brief in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk op 29 mei 2026 te herstellen. Hierop is door de vrouw niet gereageerd.
2.2
Het hof is van oordeel dat aan de eis dat een beroepschrift door tussenkomst van een advocaat wordt ingediend niet is voldaan. Dit brengt met zich dat de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2.3
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. In de beschikking van de rechtbank is enkel de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In haar brief van 15 april 2026 heeft de vrouw aangevoerd dat in de echtscheidingsbeschikking geen afspraken zijn vastgelegd over partner- en/of kinderalimentatie en een zorgregeling. Voor zover de vrouw hierover een rechterlijke beslissing wenst, kan zij zich met een verzoekschrift tot de rechtbank wenden.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de in de beschikking van de rechtbank van 28 januari 2026 tussen partijen uitgesproken echtscheiding.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en
mr J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.