ECLI:NL:GHAMS:2026:1713

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.359.886/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 Rvartikel XIIa Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot inzage schikkingsdocument in civiele bouwgeschil

VLB, onderaannemer in een bouwproject, vordert inzage in het schikkingsdocument tussen hoofdaannemer Mace en AC PLC, vanwege mogelijke gevolgen voor haar verhaalsmogelijkheden en de juistheid van een derdenverklaring. Mace verzet zich tegen deze vordering.

Het hof overweegt dat het recht op inzage op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv alleen geldt bij voldoende belang. VLB heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het schikkingsdocument relevant is voor haar vorderingen, omdat de schikking tussen Mace en AC PLC is gesloten, terwijl de derdenverklaring betrekking heeft op AC PLC Netherlands, een andere entiteit.

De verwijzing naar het faillissementsverslag van AC PLC Netherlands en de mogelijke benadeling van VLB in haar verhaalspositie is onvoldoende om het gevraagde belang te onderbouwen. Daarom wijst het hof de vordering tot inzage af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen voor memorie van grieven.

Uitkomst: De vordering tot inzage in het schikkingsdocument wordt afgewezen wegens onvoldoende belang.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.886/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/758191 / HA ZA 24-1148
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
inzake
VL BOUWSERVICES B.V.,
gevestigd te Tilburg,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. L. Driegen te Den Dolder,
tegen:
MACE MANAGEMENT SERVICES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.J. Bakker te Amsterdam.
Partijen worden hierna VLB en Mace genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

VLB is bij dagvaarding van 29 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2025 dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen VLB als eiseres en Mace als gedaagde.
Bij memorie, met producties, heeft VLB een incidentele vordering ingesteld die kort gezegd strekt tot inzage in, althans afschrift van hierna te noemen bescheiden op grond van artikel 195 juncto Pro 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met veroordeling van Mace in de kosten van het incident, inclusief nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
Mace heeft bij antwoordconclusie in het incident, met producties, verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van VLB in de kosten van het incident, inclusief nakosten, met rente.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Samengevat en voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, gaat het in deze zaak om het volgende.
( i) Mace is hoofdaannemer bij de bouw van een datacentrum (hierna: het project). Voor het project heeft Mace onder andere de Engelse vennootschap AC PLC als onderaannemer ingeschakeld. AC PLC Netherlands B.V. (hierna: AC PLC Netherlands), een dochtermaatschappij van AC PLC, was ook betrokken bij het project en heeft op haar beurt VLB ingeschakeld als onder-onderaannemer.
(ii) Op of rond 9 augustus 2023 hebben AC PLC en AC PLC Netherlands hun werkzaamheden aan het project gestaakt vanwege financiële problemen. Mace en VLB hebben in de periode daarna contact gehad over de eventuele voortzetting door VLB van haar werkzaamheden aan het project.
(iii) Op 16 augustus 2023 heeft VLB ten laste van AC PLC Netherlands conservatoir derdenbeslag onder Mace gelegd, waarna Mace aan VLB heeft laten weten dat de samenwerking niet zal worden voortgezet. Mace heeft in haar derdenverklaring van 31 augustus 2023 (hierna: de derdenverklaring) vermeld dat zij niets verschuldigd is aan
AC PLC Netherlands.
(iv) Nadat AC PLC op 18 augustus 2023 in het Verenigd Koninkrijk onder ‘administration’ was geplaatst, hebben Mace en (de ‘administrators’ van) AC PLC op 4 september 2023 een schikking getroffen.
( v) AC PLC Netherlands is op 5 september 2023 failliet verklaard.
(vi) In eerste aanleg heeft VLB onder meer gevorderd voor recht te verklaren primair dat tussen haar en Mace een overeenkomst tot stand is gekomen over de voortzetting door VLB van haar werkzaamheden, subsidiair, indien geen overeenkomst tot stand is gekomen, dat Mace onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen hierover af te breken. Daarnaast heeft VLB gevorderd voor recht te verklaren dat Mace jegens VLB onrechtmatig heeft gehandeld door a) haar derdenverklaring onjuist in te vullen door daarin niet te vermelden dat zij een schuld had aan AC PLC en b) door na beslaglegging in strijd met het derdenbeslag afspraken te maken met AC PLC die haar verhaalspositie illusoir hebben gemaakt. Dit maakt volgens VLB dat Mace schadeplichtig is jegens haar.
(vii) Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van VLB afgewezen en VLB veroordeeld in de proceskosten, met nakosten en rente.
2.2.
VLB vordert samengevat dat het hof op grond van artikel 195 juncto Pro 194 Rv Mace zal bevelen binnen twee weken na dit arrest in incident inzage te geven in, althans afschrift te verstrekken van het document waarin de schikking die Mace en AC PLC op 4 september 2023 hebben getroffen is vastgelegd – integraal, onverkort en ongeschoond –, inclusief alle stukken die deel uitmaken van het document of waarnaar daarin uitdrukkelijk wordt verwezen (hierna: het schikkingsdocument), onder bepaling primair dat verstrekking plaatsvindt onder door het hof te stellen voorwaarden ex artikel 195 lid 2 Rv Pro, subsidiair dat Mace die stukken eerst aan het hof overlegt ter vertrouwelijke kennisneming, waarna het hof beslist op welke wijze en onder welke voorwaarden verstrekking aan VLB plaatsvindt.
2.3.
Kort gezegd stelt VLB ter onderbouwing van haar incidentele vordering dat het gaat om één concreet, gedateerd document met bijlagen, waarover Mace hoort te beschikken, dat het schikkingsdocument naar zijn aard raakt aan rechtsbetrekkingen waarbij VLB partij is en dat zij een zwaarwegend en actueel belang heeft bij inzage van dat document.
2.4.
Mace heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.5.
Het hoger beroep is aanhangig gemaakt op 29 augustus 2025. Dit betekent dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is (artikel XIIa van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).
2.6.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro komt aan een partij bij een rechtsbetrekking het recht toe op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aangaande die rechtsbetrekking, als zij daarbij voldoende belang heeft. In artikel 195 lid 1 Rv Pro is bepaald dat de rechter op verzoek van deze partij de wederpartij die over de betreffende gegevens beschikt kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel daarvan.
2.7.
VLB heeft toegelicht inzage in het schikkingsdocument te willen hebben, omdat zij anders niet kan beoordelen welke afspraken zijn gemaakt en welke financiële uitwerking daaraan is gegeven en dus ook niet wat dat betekent voor haar verhaalsmogelijkheden en de duiding van de derdenverklaring. Daarmee heeft VLB naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om te concluderen dat zij voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage. VLB heeft niet duidelijk gemaakt wat het belang van het schikkingsdocument is voor de onderbouwing van haar vorderingen in de hoofdzaak. De in dit document vastgelegde schikking is immers gesloten tussen Mace en AC PLC, terwijl de derdenverklaring van Mace ziet op het onder haar ten laste van AC PLC Netherlands gelegde derdenbeslag. Ook de door VLB gestelde (mogelijke) benadeling in haar verhaalsmogelijkheden betreft haar vordering op AC PLC Netherlands. De verwijzing door VLB naar het faillissementsverslag van AC PLC Netherlands, waarin volgens VLB als oorzaak van het faillissement wordt aangewezen het opschorten van de betalingen aan AC PLC door de hoofdaannemer (Mace) en waarin melding wordt gemaakt van een alomvattende schikking met Mace, is in dit verband onvoldoende. Ook overigens stelt VLB onvoldoende om te kunnen aannemen dat zij voldoende belang heeft bij inzage in het schikkingsdocument.
2.8.
Reeds op grond van het voorgaande zal de incidentele vordering van VLB worden afgewezen. Hetgeen partijen verder hebben aangevoerd behoeft dus geen bespreking meer.
2.9.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.10.
In de hoofdzaak zal de zaak voor memorie van grieven door VLB naar de rol worden verwezen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 28 juli 2026 voor memorie van grieven door VLB;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Bosch en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.