ECLI:NL:GHAMS:2026:1699

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
23-002221-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 11.39 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 1 VogelrichtlijnArt. 1a WEDArt. 2 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens illegaal bezit en vervoer van beschermde vogeleieren zonder vergunning

Op 16 juni 2025 werden verdachte en zijn familieleden op Schiphol aangehouden met in totaal 79 eieren van beschermde vogelsoorten, waaronder papegaaiduiker, kuifeend en ijseend, zonder de vereiste omgevingsvergunning. De eieren waren ver bebroed en werden vervoerd zonder commerciële doeleinden. De verdachte stelde dat de eieren legaal in IJsland waren verkregen en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het transport naar Duitsland rechtmatig was.

Het hof oordeelde dat het verkrijgen van de eieren in IJsland geen vrijstelling biedt van de Nederlandse vergunningplicht en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zonder vergunning handelde. Het hof verwierp het verweer van de verdediging en verklaarde het primair tenlastegelegde feit bewezen: het opzettelijk zonder vergunning verrichten van een flora- en fauna-activiteit door het onder zich hebben en vervoeren van de eieren.

De rechtbank Noord-Holland had een geldboete van €7.500 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand opgelegd. Het hof stelde de boete lager op €6.500 vanwege de beperkte draagkracht van de verdachte, handhaafde de voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar en rekende de tijd in voorarrest in mindering. De verdachte werd veroordeeld voor het economisch delict van het overtreden van de Omgevingswet en Wet op de economische delicten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van €6.500 wegens het zonder vergunning bezitten en vervoeren van beschermde vogeleieren.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002221-25
datum uitspraak: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 81-184850-25 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 2003,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) om een andere reden dan verkoop één of meer eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en/of één of meer eieren (29 stuks) van één of meer eendensoorten (kuifeenden en/of ijseenden),
althans producten en/of eieren uit die vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de vogelrichtlijn verkregen onder zich gehad en/ of vervoerd;
subsidiair
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) één of meer eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en/of één of meer eieren (29 stuks) van één of meer eendensoorten (kuifeenden en/of ijseenden),
althans producten en/of eieren uit die vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de vogelrichtlijn verkregen vervoerd voor verkoop en/of onder zich gehad voor verkoop.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Standpunten van partijen

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de eieren, zoals deze zijn aangetroffen tijdens de controle van 16 juni 2025, legaal in IJsland zijn aangekocht en – zo verstaat het hof het verweer – dat deze daarom legaal, via Nederland, naar Duitsland mochten worden getransporteerd. Het dossier bevat geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat de aangetroffen papegaaiduikereieren niet afkomstig waren van een landeigenaar die gerechtigd was deze eieren aan de verdachte en/of zijn medereizigers te verkopen. Het ontbreken van een aankoopbewijs maakt die mogelijkheid niet ongedaan. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de eendeneieren onder dezelfde voorwaarden als de papegaaiduikereieren in IJsland verkocht mochten worden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte van het opzettelijk handelen moet worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat zijn handelen in strijd was met de regelgeving noch heeft hij hierop bewust de aanmerkelijke kans aanvaard. De verdachte was ervan overtuigd dat hij rechtmatig handelde en het dossier bevat ook geen concrete aanwijzingen voor het tegendeel. Hooguit kan worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zodat, zo begrijpt het hof, enkel een bewezenverklaring voor de overtredingsvariant kan volgen.

Bewijsoverweging

Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en
omstandigheden vast. [1]
Op maandag 16 juni 2025 zijn drie passagiers staande gehouden door de Douane op de luchthaven van Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Zij waren net aangekomen vanuit IJsland. Het ging om de passagiers [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en zijn twee zonen, te weten: [verdachte] (hierna: [verdachte] , de verdachte) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ). In de handbagage van de drie verdachten zijn dozen met in totaal 79 eieren aangetroffen. [2] Deze dozen waren verspreid over twee rugtassen: een zwarte rugtas en een groene rugtas met wit/gele print. In de zwarte rugtas – die [persoon 2] bij zich droeg – zaten 6 dozen met daarin in totaal 55 eieren. In de groene rugtas met wit/gele print – die [verdachte] bij zich droeg – zaten 2 dozen met daarin in totaal 24 eieren. Tijdens de controle van de ruimbagage is er ook een broedmachine onder [persoon 1] in beslag genomen. [3] De eieren waren ver bebroed tot bijna uitkomen. [4] Medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben de aangetroffen eieren gedetermineerd en het bleek te gaan om 51 eieren van de papegaaiduiker (
Fratercula arctica) en 27 eieren van de eend, meer specifiek: 12 eieren van de kuifeend (
Aythya fuligula) en 15 eieren van de ijseend (
Clangunla hyemalis). [5] In zowel de rugtas van [persoon 2] als de rugtas van [verdachte] bleek het te gaan om (ook) eieren van de papegaaiduiker. [6] [persoon 1] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat de eieren van hem zijn en dat zijn zonen (
het hof begrijpt: [verdachte] en [persoon 2]) alleen de rugtassen voor hem droegen. [7] Voornoemde drie passagiers beschikten niet over een vergunning om de eieren onder zich te hebben. [8]
Beoordeling van het hof
Economisch delict
Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Besluit). Ingevolge artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit geldt dit verbod – om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten – voor het om andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van onder meer vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Richtlijn 2009/147/EG (hierna: de Vogelrichtlijn) en uit die vogels verkregen producten. In artikel 1, eerste lid, van de Vogelrichtlijn staat dat deze betrekking heeft op de instandhouding van “
alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is” en in het tweede lid staat dat deze richtlijn (ook) van toepassing is op de eieren van deze vogels. De eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend zijn eieren van vogels die vallen binnen de reikwijdte van de Vogelrichtlijn. [9] Dit betekent dat het onder zich hebben en/of vervoeren van de eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend verboden is zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Een overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens dit artikel van de Omgevingswet levert een economisch delict op ingevolge artikel 1a onder 1̊ van de Wet op de economische delicten (WED).
Bewezen kan worden dat de verdachte op 16 juni 2025 op de luchthaven van Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht door, om een andere reden dan verkoop, de tenlastegelegde 50 eieren van de papegaaiduiker en 27 eieren van de eend (zijnde kuifeenden en ijseenden) onder zich te hebben en te vervoeren. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte hiermee een economisch delict heeft begaan.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eieren, zoals deze zijn aangetroffen tijdens de controle op
16 juni 2025, legaal in IJsland zijn aangekocht en dus op geoorloofde wijze zijn verkregen. Voor zover de raadsvrouw hiermee bedoelt dat het op een geoorloofde wijze verkrijgen van de eieren in IJsland in de weg staat aan een bewezenverklaring van het (primair) tenlastegelegde feit, volgt het hof dat standpunt niet. Het op geoorloofde (legale) wijze verkrijgen van de eieren in een ander land (in dit geval IJsland) vormt niet één van de in artikel 11.39, tweede lid, van het Besluit neergelegde uitzonderingen op het verbod om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Het primaire tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Opzet
De vraag die vervolgens voorligt, is of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld en daarmee een misdrijf heeft gepleegd, of een (onopzettelijke) overtreding heeft begaan.
In de onderhavige zaak houdt de tenlastelegging in dat de verdachte “
(…) opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht (…)” door eieren van de papegaaiduiker, kuifeenden en ijseenden om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben gehad en/of vervoerd. In deze formulering van het verwijt ligt besloten dat het opzet zich mede uitstrekt tot het verrichten van een flora- en fauna-activiteit zonder omgevingsvergunning. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk in strijd met de regelgeving heeft gehandeld. Volgens haar verkeerde hij in de veronderstelling dat de eieren in IJsland op legale wijze waren verkregen en dat hij deze daarom legaal onder zich had en vervoerde. Wat daarvan ook zij, dit ontsloeg de verdachte niet van de verplichting zich te vergewissen van de toepasselijke Nederlandse wet- en regelgeving. Door dat na te laten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zonder de vereiste omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit verrichtte.
Dit betekent dat het hof ook het subsidiaire verweer van de raadsvrouw verwerpt en van oordeel is dat
bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers hebben hij en zijn mededaders om een andere reden dan verkoop eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en eieren (27 stuks) van eendensoorten (kuifeenden en ijseenden) onder zich gehad en vervoerd.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder g, van de Omgevingswet.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 7.500,00, subsidiair 72 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete op te leggen. Bij de hoogte van een dergelijke geldboete dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte een minimaal inkomen heeft. Verder heeft zij aangevoerd dat de verdachte
first offenderis, heeft gehandeld zonder commercieel motief – de waarde van de eieren wordt volgens het dossier geschat op nihil – en geen financieel voordeel heeft behaald met het onder zich hebben en vervoeren van de eieren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de
omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het
hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, tezamen en in vereniging met zijn vader en broer, schuldig gemaakt aan het opzettelijk onder zich hebben en vervoeren van een groot aantal eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend – om andere reden dan verkoop – zonder dat hij de beschikking had over de hiervoor benodigde omgevingsvergunning. De vogels die deze eieren leggen, zijn beschermde diersoorten. Voor het voortbestaan van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend is het van groot belang dat zij hun eigen jongen uitbroeden en in het wild kunnen grootbrengen. Het wegnemen van hun (bebroede) eieren verstoort het natuurlijke proces. Dit is een ernstig strafbaar feit en het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een geldboete de meest passende sanctie is, maar zal – rekening houdend met de beperkte draagkracht van de verdachte – een lagere geldboete opleggen dan de economische politierechter heeft opgelegd. Teneinde ook voldoende recht te doen aan de ernst van het feit én de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een (dergelijk) strafbaar feit, zal het hof tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te melden duur danwel hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de WED, artikel 5.1 van de Omgevingswet en artikel 11.39 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is
bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht
gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel
27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de
uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de volgende voetnoten. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn deze telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
2.Een proces-verbaal van 1 augustus 2025 (doorgenummerde pagina’s 1-12).
3.Een proces-verbaal van 1 augustus 2025 (doorgenummerde pagina 9) en een proces-verbaal van 16 juni 2025 (doorgenummerde pagina’s 38-39).
4.Een proces-verbaal van 1 augustus 2025 (doorgenummerde pagina 3).
5.Een proces-verbaal van bevindingen nr. 183223 van 8 juni 2026 (los in dossier). Eén van de 28 eendeneieren is niet uitgekomen, daarom konden (slechts) 27 eendeneieren worden gedetermineerd (PV van bevindingen van 1 augustus 2025, pagina 3). In totaal zijn van de aangetroffen 79 eieren dus (51 + 27 =) 78 eieren gedetermineerd.
6.Een proces-verbaal van 17 juni 2025 (doorgenummerde pagina’s 76-77, inzake [persoon 2] ) en een proces-verbaal van
7.Een proces-verbaal van 1 augustus 2025 (doorgenummerde pagina 7).
8.Geschrift, zijnde een bewijsmatrix verdachte [verdachte] (doorgenummerde pagina 13).
9.Een proces-verbaal van 1 augustus 2025 (doorgenummerde pagina 4).