ECLI:NL:GHAMS:2026:1676

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.360.189/01 GDW
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 GerechtsdeurwaarderswetArt. 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken doorbrekingsgrond tegen ongegrond verklaard verzet tegen klacht gerechtsdeurwaarder

Klager diende een klacht in tegen een toegevoegd gerechtsdeurwaarder, welke door de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard door de kamer. Klager ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet staat tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard geen hoger beroep open, tenzij sprake is van bijzondere doorbrekingsgronden. Klager stelde geen dergelijke doorbrekingsgrond aan het hof voor, maar betwistte slechts inhoudelijk de beslissing.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een doorbrekingsgrond betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Er was geen sprake van schending van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijke en onpartijdige behandeling in het geding zouden brengen. Het verzoek van de gerechtsdeurwaarder om klager in de proceskosten te veroordelen kon niet worden ingewilligd omdat de Gerechtsdeurwaarderswet dit niet toestaat.

Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis werd in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.

Uitkomst: Het hoger beroep van klager is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond tegen het rechtsmiddelenverbod.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.360.189/01 GDW
nummers eerste aanleg : C/13/760423 / DW RK 24/413
C/13/765658 / DW RK 25/68 (verzet)
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 juni 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: [naam] .
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.

1.De zaak in het kort

Klager is in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klager ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts op een beperkt aantal gronden worden doorbroken. Klager is het met name niet eens met de beslissing van de kamer. Het hof stelt vast dat klager geen beroep heeft gedaan op een doorbrekingsgrond. Het hoger beroep van klager is daarom niet-ontvankelijk.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 13 oktober 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer van 24 september 2025 onder nummer C/13/765658 / DW RK 25/68 (ECLI:NL:TGDKG:2025:93). Op 10 december 2025 heeft klager een aanvulling op zijn beroepschrift (over de ontvankelijkheid van het hoger beroep) – met bijlagen – ingediend.
2.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 6 januari 2026 een verweerschrift over de ontvankelijkheid bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. Het hof heeft partijen vooraf laten weten tijdens deze zitting alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep te zullen behandelen. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager (met voorafgaande berichtgeving aan het hof) en de gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Klager heeft op 1 december 2024 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft op 24 december 2024 een verweerschrift ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 18 februari 2025 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw Pro staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw Pro bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager stelt dat hij het niet eens is met de beslissing van (de voorzitter van) de kamer. De gerechtsdeurwaarder had geen actie mogen ondernemen richting klager, omdat er geen rechterlijke uitspraak is.
3.4.
Het hof stelt vast dat klager in zijn beroepschrift geen doorbrekingsgrond(en) heeft gesteld waarom hij, ondanks de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen in artikel 39 lid 4 Gdw Pro, toch ontvankelijk zou zijn in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer. Dat klager het inhoudelijk niet eens is met de beslissing van de kamer is niet voldoende. De aangevoerde bezwaren van klager zien niet op schending van fundamentele rechtsbeginselen die een doorbrekingsgrond opleveren. Het hof zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en de uitsluiting van de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen moet worden doorbroken.
3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
3.6.
In het verweerschrift in hoger beroep en ter zitting heeft (de gemachtigde van) de gerechtsdeurwaarder nog verzocht klager te veroordelen in de proceskosten van de gerechtsdeurwaarder, omdat klager misbruik van recht zou maken door op voorhand kansloze procedures aanhangig te maken. Het hof kan een dergelijk verzoek niet in behandeling nemen, omdat de Gerechtsdeurwaarderswet niet de mogelijkheid kent om aan een klager een proceskostenveroordeling op te leggen.

4.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door de rolraadsheer.