Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1659

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.358.048/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 RvArt. 362 RvArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling in proceskosten na intrekking hoger beroep tegen gemeente Amsterdam

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter Amsterdam, maar heeft het hoger beroep ingetrokken voordat de mondelinge behandeling plaatsvond. De advocaat van appellant had zich eerder onttrokken, waarna appellant werd gewezen op zijn mogelijkheid zelf het woord te voeren of een nieuwe advocaat te zoeken.

De gemeente Amsterdam heeft na de intrekking van het hoger beroep verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Appellant heeft verzocht deze kosten te matigen, compenseren of op nihil te stellen, wat het hof heeft afgewezen.

Het hof oordeelt dat appellant niet-ontvankelijk is in het hoger beroep en veroordeelt hem in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. De omstandigheden van appellant, zoals het ontbreken van een nieuwe baan of WW-uitkering, geven geen aanleiding tot matiging. De kosten van de procedure in eerste aanleg zijn reeds toegewezen en worden niet opnieuw toegekend.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.358.048/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11517470 EA VERZ 25-91
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: voorheen mr. G.J. Mulder te Amsterdam,
thans zonder advocaat,
tegen
DE GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.T.M. van Doesum te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
[appellant] is bij beroepschrift (met producties), ontvangen op de griffie van het hof op
13 augustus 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 27 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
1.2.
Middels een V2-formulier van 14 april 2026 heeft de advocaat van [appellant] , mr. Mulder voornoemd, zich onttrokken.
1.3.
Op 16 april 2026 heeft de griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van de gemeente ontvangen.
1.4.
Bij e-mail van 22 april 2026 heeft mr. Mulder het hof onder meer verzocht de zaak aan te houden, voor het geval dat [appellant] extra tijd nodig heeft om een nieuwe advocaat te zoeken.
1.5.
Op 12 mei 2026 heeft het hof [appellant] in het kader van een geplande mondelinge behandeling verzocht om aan het hof te berichten of een nieuwe advocaat zich voor hem zou stellen. Ook is [appellant] erop gewezen dat hij op de mondelinge behandeling zelf het woord mag voeren.
1.6.
Bij e-mail van 19 mei 2026 heeft mr. Mulder namens [appellant] meegedeeld dat het hoger beroep wordt ingetrokken. In reactie daarop heeft de gemeente bij e-mail van 20 mei 2026 het hof verzocht [appellant] te veroordelen in de proceskosten. Bij e-mail van 21 mei 2026 heeft mr. Mulder namens [appellant] verzocht de proceskosten op nihil te stellen, te compenseren of te matigen. De mondelinge behandeling is niet gehouden.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De intrekking van het hoger beroep heeft tot gevolg dat [appellant] in het hoger beroep niet kan worden ontvangen.
2.2.
Op grond van artikel 289 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv Pro kan de rechter een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep uitspreken. Ook een partij die niet in het ongelijk wordt gesteld, maar niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het intrekken van het hoger beroep, kan in deze kosten worden veroordeeld. Het hof ziet aanleiding om [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. De omstandigheden dat de advocaat van de gemeente
in houseis en dat het verweerschrift in grote lijnen overeenkomt met het in de procedure bij de kantonrechter gevoerde verweer, geven geen aanleiding om de proceskosten te matigen, te compenseren of op nihil te stellen. De gemeente heeft daadwerkelijk kosten – in de vorm van het betalen van griffierecht en ter zake van het opstellen van een verweerschrift – moeten maken. Bovendien heeft de gemeente haar verweer aangevuld, althans heeft zij volgens de advocaat van [appellant] in verband daarmee aangifte van valsheid in geschrift gedaan. De omstandigheden dat [appellant] nog geen nieuwe baan heeft en geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering geven evenmin aanleiding tot matiging, compensatie of nihilstelling van de proceskosten. Van nodeloos gemaakte kosten door de gemeente (de uitzonderingssituatie uit artikel 237 lid 1 Rv Pro) is derhalve geen sprake. Overigens worden de proceskosten in hoger beroep vastgesteld conform het toepasselijke liquidatietarief dat over het algemeen de daadwerkelijk gemaakte kosten al niet dekt. Het verzoek van de gemeente [appellant] tevens te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, wordt daarentegen afgewezen aangezien dit - blijkens de bestreden beschikking - al is geschied.
2.3.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van de gemeente gevallen, op € 851,- aan griffierecht en € 1.290,- voor salaris advocaat (1 punt x appeltarief II), te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Bervoets, M.L.D. Akkaya en R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.