ECLI:NL:GHAMS:2026:1658
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.C.W. Rang
- H.T. van der Meer
- A.W. Jongbloed
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet tegen beslissing gerechtsdeurwaarderskamer
Klager heeft bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de voorzitter van de kamer als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager stelde buiten de wettelijke termijn verzet in tegen deze beslissing, waarna de kamer het verzet niet-ontvankelijk verklaarde. Klager ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet doorbroken kan worden. Klager voerde aan dat de voorzitter van de kamer tijdens de zitting had medegedeeld dat hoger beroep mogelijk was, wat volgens klager het rechtszekerheidsbeginsel schond en tot doorbreking van het verbod zou moeten leiden.
Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de voorzitter deze mededeling heeft gedaan en dat zelfs indien dit het geval zou zijn, de schriftelijke beslissing waarin expliciet staat vermeld dat geen rechtsmiddel openstaat, leidend is. Het hof concludeert dat het rechtsmiddelenverbod niet is doorbroken en wijst het hoger beroep af.
De uitspraak bevestigt het belang van het rechtsmiddelenverbod bij ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard verzet en benadrukt dat alleen onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals schending van fundamentele rechtsbeginselen, hiervan kan worden afgeweken. De procedure vond plaats via videoverbinding en het vonnis is openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wordt afgewezen vanwege het geldende rechtsmiddelenverbod.