Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1650

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.361.933/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats vader en vervangende toestemming onderwijs minderjarige

De rechtbank had de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader vastgesteld en vervangende toestemming verleend voor inschrijving op een school en GGZ-behandeling. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht onder meer om terugplaatsing bij haar en voortzetting van een therapeutisch traject gericht op contactherstel.

Het hof overwoog dat de langdurige strijd tussen de ouders en de daaruit voortvloeiende spanningen schadelijk zijn voor de kinderen. De minderjarige, inmiddels veertien jaar, heeft consequent aangegeven geen contact met de moeder te willen vanwege een diepgewortelde weerstand en boosheid. Het hof acht het niet in het belang van het kind om hem tegen zijn wil bij de moeder te plaatsen, gezien het risico op emotionele schade.

De vader wordt opgeroepen actief ruimte te houden voor toekomstig contactherstel en zich te onthouden van gedragingen die het negatieve beeld van de moeder versterken. De moeder blijft een belangrijke persoon voor het kind. Het hof bekrachtigt ook de vervangende toestemming voor de schoolkeuze en wijst het verzoek tot voortzetting van het therapeutisch traject bij iHub af, omdat het huidige traject bij Youth Care positieve resultaten laat zien.

Een zorgregeling of omgang onder begeleiding wordt niet vastgesteld omdat de minderjarige bij de vader blijft wonen. Ook het subsidiaire verzoek tot plaatsing op een neutrale plek wordt afgewezen vanwege het belang van continuïteit en stabiliteit voor het kind. De beschikking van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige blijft bij de vader en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.933/01
zaaknummer rechtbank: C/15/368515 / FA RK 25-4139
beschikking van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B. Bos te Hoorn ,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2011, hierna: [minderjarige 1] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader bepaald. Ook heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend voor inschrijving van [minderjarige 1] op een school in [plaats C] en voor het aanmelden van [minderjarige 1] voor onderzoek en behandeling bij GGZ [plaats D] .
1.2
De moeder is het daar niet mee eens en wil (onder andere) dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf weer bij haar krijgt in [plaats A] . De vader is het wel eens met de beschikking van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder heeft op 25 november 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 24 oktober 2025, gewezen onder bovenvermeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vader heeft op 22 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van [minderjarige 1] van 17 februari 2026, inhoudende dat hij met de rechter wil komen praten;
- een bericht van de vader van 14 april 2026, met als bijlage productie 8;
- een bericht van de vader van 14 april 2026, met als bijlage productie 9;
- een bericht van de moeder van 14 april 2026, met als bijlagen producties 14-39.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, op 21 april 2026, met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter een samenvatting van dit gesprek gegeven. Partijen hebben de mogelijkheid gekregen hierop te reageren.
2.5
De zitting heeft op 24 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben tot juli 2014 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 in [plaats E] , en
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2014 in [plaats F] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk ‘de kinderen’ genoemd.
De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. [minderjarige 2] woont bij de moeder.
3.2
De vader is [in] 2019 getrouwd en heeft met zijn vrouw een dochter, [minderjarige 3] , geboren [in] 2020.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 4 juni 2015 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (GI), tot 4 juni 2016. Bij beschikking van 2 juni 2016 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd. Bij beschikking van 10 mei 2017 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling nogmaals met een jaar verlengd. Op verzoek van de moeder in hoger beroep heeft dit hof bij beschikking van 17 oktober 2017 de beschikking van de kinderrechter van 10 mei 2017 vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling (alsnog) afgewezen.
3.4
Bij beschikking van dit hof van 26 maart 2019 is – voor zover hier van belang – op verzoek van de moeder de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Verder heeft het hof een zorgregeling bepaald waarin de kinderen eens in de twee weken een weekend bij de vader te [plaats B] verblijven van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17:00 uur, met inachtneming van een opbouwregeling. De vakanties en feestdagen zullen – kortgezegd - vanaf uiterlijk de voorjaarsvakantie 2020 door de ouders in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
3.5
Bij beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank van 24 november 2020 zijn de kinderen op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI, waarbij ook een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is verleend voor verblijf in een netwerkpleeggezin dan wel een voorziening voor pleegzorg tot 23 augustus 2021.
De ondertoezichtstelling is daarna door de kinderechter bij beschikking van 22 november 2021 verlengd tot 24 mei 2022.
3.6
Bij beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank van 13 juli 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd, tot 23 augustus 2021. Ook is, met wijziging van de beschikking van dit hof van 26 maart 2019, de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige 1] verblijft drie weekenden per vier weken bij de vader, van vrijdag uit school tot en met
zondag;
- [minderjarige 2] verblijft een weekend per twee weken bij de vader, van vrijdag uit school tot en met
zondag;
- in overleg en in samenspraak met de GI worden de vakanties bij helfte verdeeld;
- het halen en brengen van de kinderen gebeurt in onderling overleg en in samenspraak met de GI.
3.7
Bij beschikking van 25 november 2022 is door de rechtbank – voor zover hier van
belang - de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige 1] verblijft drie weekenden per vier weken bij de vader, van vrijdag uit school tot en met zondag;
- [minderjarige 2] verblijft een weekend per twee weken bij de vader, van vrijdag uit school tot en met zondag;
- het halen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verdeling van de zorg tijdens de feestdagen en de vakanties geschiedt conform de door de ouders daarover gemaakte afspraken.
3.8
[minderjarige 1] verblijft feitelijk sinds 2 juli 2025 bij de vader te [plaats B] ; sindsdien is er geen contact tussen [minderjarige 1] en de moeder.
3.9
[minderjarige 1] is na de zomervakantie 2025 gestart op [...] mavo in [plaats C] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging van de beschikking van het hof van 26 maart 2019, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader zal zijn. Verder is door de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend voor inschrijving van [minderjarige 1] op [...] mavo te [plaats C] . Ook is aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige 1] na verwijzing door de huisarts aan te melden voor onderzoek en behandeling bij de Jeugd GGZ [plaats D] en/of een andere passende GGZ instelling in de regio van de vader.
4.2
De moeder verzoekt in hoger beroep,
I. vernietiging van de bestreden beschikking;
primair te bepalen dat:
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder blijft en [minderjarige 1] weer kan worden aangemeld bij de onderwijsinstelling in [gemeente] ;
III. het therapeutisch traject bij iHub volledig en direct kan worden voortgezet;
IV. een zorgregeling wordt vastgesteld met de vader in overleg met iHub of een andere professionele instelling in de regio van de moeder;
V. zodra omgang met de vader weer tot stand kan komen, deze omgang plaatsvindt onder begeleiding van een deskundige en/of in een veilige, gecontroleerde omgeving;
subsidiair te bepalen dat:
VI. [minderjarige 1] op een neutrale plek wordt geplaatst om tot rust te komen, waarna kan worden beslist over zijn hoofdverblijfplaats.
4.3
De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten van partijen
5.1
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] naar de vader heeft gewijzigd en daarbij heeft nagelaten een zorgregeling voor de moeder vast te stellen. Indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] weer bij haar wordt bepaald, dient de door de rechtbank verleende vervangende toestemming met betrekking tot de middelbare school van [minderjarige 1] te worden vernietigd. De moeder stelt dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de structurele beïnvloeding van [minderjarige 1] door de vader, de emotionele onveiligheid waarin [minderjarige 1] verkeert en het gebrek aan verantwoordelijkheid van de vader voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] . Zowel Veilig Thuis als iHub hebben herhaaldelijk gesignaleerd dat bij [minderjarige 1] sprake is van een ernstig loyaliteitsconflict. Veilig Thuis heeft op 18 juli 2025, na een veiligheidsrisico-inschatting, geadviseerd om het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] te herstellen en om [minderjarige 1] terug te laten keren naar de moeder.
De moeder heeft altijd een goede band gehad met [minderjarige 1] en de huidige situatie, waarin zij [minderjarige 1] al ruim 10 maanden niet heeft gezien, doet haar veel verdriet. Door het niet hebben van contact met de moeder bestaat bij [minderjarige 1] een reëel risico op langdurige emotionele en psychische schade. De boosheid die [minderjarige 1] toont is invoelbaar, nu hij de moeder mist. De vader weigert echter structureel om mee te werken aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] . Zo is het op 7 juli 2025 geplande herstelgesprek onder leiding van Veilig Thuis en iHub niet doorgegaan omdat de vader [minderjarige 1] niet heeft gebracht. Het is van belang dat de vader aan [minderjarige 1] emotionele toestemming geeft om bij de moeder te verblijven. De moeder probeert het contact te onderhouden door [minderjarige 1] regelmatig een bericht te sturen, maar hij reageert daar niet op of de moeder ontvangt agressieve en beledigende berichten terug, die volgens haar niet van [minderjarige 1] afkomstig kunnen zijn.
De moeder ontvangt op dit moment hulpverlening waarbij zij baat heeft. Voor [minderjarige 2] is iHub ingezet. Dit traject wordt binnenkort echter beëindigd omdat de hulpverlening aangeeft dat op dit moment teveel druk op [minderjarige 2] ligt. Na een incident bij de vader thuis in december 2025 is [minderjarige 2] nog enige tijd volgens de zorgregeling naar de vader gegaan, maar sinds enkele weken weigert zij naar hem te gaan, aldus de moeder.
5.2
De vader is van mening dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist om, overeenkomstig de wens van [minderjarige 1] , zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen naar de vader. Gelet op de incidenten in het verleden, is het ondenkbaar om [minderjarige 1] tegen zijn wil bij de vader weg te halen om hem weer bij de moeder te laten wonen. [minderjarige 1] ervaart stress door de procedure(s) en het onderhavige hoger beroep is niet de juiste manier om het contact tussen [minderjarige 1] en zijn moeder te herstellen. Sinds [minderjarige 1] bij de vader verblijft, ervaart hij rust en stabiliteit. [minderjarige 1] behaalt goede schoolresultaten, hij voetbalt bij [XX] en hij is inmiddels gescout voor Excelsior. De vader houdt de moeder op de hoogte van belangrijke ontwikkelingen in het leven van [minderjarige 1] . Ook hebben de ouders volgens de vader regelmatig overleg met elkaar over de kinderen en hebben zij ook gezamenlijk een vakantieschema opgesteld voor 2026.
De vader betwist dat hij in het verleden niet heeft meegewerkt aan hulpverleningstrajecten en staat nog steeds open voor verdere hulpverlening. Ook betwist de vader dat hij het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] belemmert. In gezamenlijk overleg tussen de ouders is [minderjarige 1] op
27 november 2025 aangemeld bij Youth Care Rotterdam (hierna: Youth Care) voor het contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder. [minderjarige 1] heeft daar inmiddels meerdere gesprekken gevoerd en ook de ouders hebben afzonderlijk van elkaar met Youth Care gesproken. De vader gunt [minderjarige 1] goed en vrij contact met de moeder, maar [minderjarige 1] staat daarvoor op dit moment niet open en zijn mening dient te worden gerespecteerd.
Ten aanzien van [minderjarige 2] voert de vader aan dat zij op de vastgestelde omgangsmomenten niet meer bij hem verblijft, hetgeen hem veel verdriet doet. [minderjarige 2] lijkt door de moeder te worden beïnvloed en krijgt geen emotionele toestemming om bij de vader te verblijven. Het wekelijkse videobelmoment van de vader met [minderjarige 2] op woensdag vindt wel doorgang.
5.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De kinderen zijn beschadigd geraakt door de jarenlange strijd tussen de ouders. Gedurende de ondertoezichtstelling van de kinderen is veel hulpverlening ingezet voor het gezin, maar de hulpverlening is onvoldoende van de grond gekomen, doordat de ouders hun eigen aandeel in de voor de kinderen belastende situatie niet kunnen inzien. Indien de ouders hun gedrag niet veranderen en de adviezen van de hulpverlening onvoldoende opvolgen, zal de situatie niet verbeteren. Dit belemmert de kinderen in hun ontwikkeling en de verwerking van de gebeurtenissen in het verleden. Het afwijzen van het contact met de moeder door [minderjarige 1] is schadelijk voor zijn ontwikkeling. Desondanks constateert de raad dat [minderjarige 1] op dit moment meer rust ervaart. Wel krijgt [minderjarige 1] teveel mee van de procedures tussen zijn ouders. De raad acht het dan ook van belang dat [minderjarige 1] met een neutrale derde kan spreken, bij wie hij zich vrij voelt om te delen wat er in zijn leven gebeurt.
De beoordeling door het hof
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1]
Het wettelijk kader
5.4
Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem te bepalen is gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid twee, sub b, kan op verzoek van de ouders of een van hen de rechter beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.5
Het hof overweegt als volgt. In 2014 zijn de ouders uit elkaar gegaan. Sindsdien zijn zij verwikkeld in een langdurige strijd met elkaar, die heeft geleid tot vele juridische procedures en zorgmeldingen bij hulpverleningsinstanties. Dit heeft alleen al bij de rechtbank tot ruim twintig zittingen geleid. Daarnaast hebben de ouders in de afgelopen jaren over en weer aangifte gedaan tegen elkaar. De raad is vanaf 2015 meermaals betrokken geraakt bij het gezin en heeft in de jaren 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2022 verschillende onderzoeken rondom het gezin verricht, waaronder gezags- en omgangsonderzoeken en jeugdbeschermingsonderzoeken. Vanaf 2015 zijn er meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis over het gezin, zo meldde de politie in 2015 bij Veilig Thuis dat de kinderen meermaals getuige waren van ruzies tussen de ouders. In januari en september 2020 meldde de school van [minderjarige 1] bij Veilig Thuis dat [minderjarige 1] door beide ouders onder druk werd gezet om negatieve uitspraken over de andere ouder te doen. De school maakte zich zorgen over de thuissituatie.
In november 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een pleeggezin. De rechtbank overwoog destijds dat sprake was van een situatie die kon worden gekwalificeerd als emotionele kindermishandeling en dat de situatie niet langer kon voortduren. In het pleeggezin werd gesignaleerd dat de loyaliteit van de kinderen richting de ouders ernstig onder druk stond en dat met name [minderjarige 1] heftige kindsignalen vertoonde.
In augustus 2021 is de uithuisplaatsing geëindigd en zijn de kinderen bij de moeder teruggeplaatst. In de periode na de terugplaatsing is de situatie enigszins gestabiliseerd, tot de vader in 2023 signalen van [minderjarige 1] ontving dat het niet goed ging tussen [minderjarige 1] en de moeder. Op 7 juni 2025 heeft de politie melding gedaan bij Veilig Thuis omdat de vader de kinderen had meegenomen terwijl het volgens de zorgregeling niet zijn weekend was. Een aantal dagen later heeft [minderjarige 1] zelf contact opgenomen met de politie. Daarbij heeft hij verklaard dat hij ‘niet beter weet dan dat mijn ouders ruzie hebben’. In juli 2025 heeft [minderjarige 1] opnieuw de politie gebeld omdat hij na een incident met de moeder is weggelopen naar de buren. Sindsdien wijst [minderjarige 1] ieder contact met de moeder af.
5.6
Uit het voorgaande blijkt dat de kinderen gedurende lange tijd zijn blootgesteld aan spanningen die voortkomen uit het conflict tussen de ouders. Zowel diverse hulpverleningsinstanties, als de rechtbank en dit hof, hebben de ouders de afgelopen jaren gewezen op de schadelijke gevolgen van hun strijd voor de kinderen. In de afgelopen jaren is meermaals hulpverlening ingezet om de situatie te verbeteren. Ondanks de reeds ingezette hulpverlening zijn de ouders echter niet in geslaagd de onderlinge strijd te beëindigen of hun onderlinge communicatie (duurzaam) te verbeteren. De strijd tussen de ouders leidt ertoe dat zij de belangen van de kinderen uit het oog verliezen en dat de ontwikkeling van de kinderen structureel onder druk is komen te staan.
Het hof acht het bijzonder zorgelijk dat inmiddels een situatie is ontstaan waarin beide ouders feitelijk één van de kinderen missen in het dagelijks leven, en de kinderen ieder een ouder missen en ook elkaar. [minderjarige 1] verblijft sinds juli 2025 bij de vader en heeft sindsdien geen fysiek contact meer gehad met de moeder. [minderjarige 2] verblijft sinds een aantal weken niet meer om het weekend bij de vader. De raad heeft hierover verklaard dat de kinderen zich in een dusdanig loyaliteitsconflict bevinden dat zij het gevoel hebben te moeten kiezen voor één ouder, omdat contact met beide ouders voor hen emotioneel onvoldoende veilig voelt zolang de strijd voortduurt. Het hof acht deze situatie zeer verdrietig voor alle betrokkenen. Tegelijkertijd constateert het hof dat deze situatie niet op zichzelf staat, maar het gevolg is van een jarenlang patroon van strijd, escalaties en wantrouwen tussen de ouders. Het hof onderschrijft de visie van de raad dat de sleutel tot verbetering van de huidige situatie, waarin een patstelling is ontstaan, bij de ouders ligt.
5.7
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] overweegt het hof dat [minderjarige 1] inmiddels een jongen van veertien jaar oud is. Deze leeftijd brengt mee dat [minderjarige 1] – tot op zekere hoogte – zijn eigen keuzes maakt en dat aan zijn mening gewicht toegekend dient te worden. [minderjarige 1] heeft tegenover verschillende hulpverleners, de raad en laatstelijk tijdens het kindgesprek bij het hof, consequent en gemotiveerd aangegeven dat hij geen contact met de moeder wil. Het hof is gebleken dat [minderjarige 1] momenteel een diepgewortelde weerstand ervaart tegen contact met de moeder en een negatief beeld van haar heeft. [minderjarige 1] is erg boos op de moeder. Het hof kan de precieze oorzaak van de boosheid van [minderjarige 1] niet achterhalen, maar constateert dat deze ertoe leidt dat [minderjarige 1] op dit moment een zeer ernstige blokkade ervaart in het contact met de moeder. Het hof acht het zorgelijk dat [minderjarige 1] een dermate negatief beeld van de moeder heeft ontwikkeld, nu dit schadelijk kan zijn voor zijn (identiteits)ontwikkeling. Zowel de raad als Youth Care hebben geadviseerd op dit moment niet in te zetten op contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder. Gelet op de ernst van de ervaren problematiek en de huidige emotionele belasting wordt dit niet in het belang van [minderjarige 1] geacht. Hoewel [minderjarige 1] zich momenteel naar vermogen ontwikkelt, bestaat een reëel risico dat hij ontregeld raakt indien nu wordt ingezet op contactherstel.
5.8
Onder deze omstandigheden acht het hof het niet in het belang van [minderjarige 1] om zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen. Een dergelijke beslissing zou ertoe leiden dat [minderjarige 1] feitelijk wordt gedwongen tot contact met en verblijf bij de moeder. Dat is, gelet op het hiervoor overwogene, niet in zijn belang. Het hof acht het risico op verdere emotionele schade voor [minderjarige 1] op dit moment te groot. Bij dit alles neemt het hof in aanmerking dat ook aan de mening van [minderjarige 1] , mede gelet op zijn leeftijd, belang gehecht moet worden.
Hoewel het hof zich terdege realiseert hoe verdrietig en pijnlijk deze beslissing voor de moeder is, ziet het hof op dit moment geen andere mogelijkheid dan de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader te handhaven. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
5.9
Het voorgaande neemt niet weg dat de moeder een belangrijk persoon in het leven van [minderjarige 1] is en blijft. Het hof benadrukt dat de huidige afwijzende houding van [minderjarige 1] ten opzichte van contact met de moeder niet zonder meer betekent dat in de toekomst geen ruimte meer kan ontstaan voor herstel van hun contact. Het hof acht daarom van belang dat de vader, die thans de hoofdverzorger van [minderjarige 1] is, actief bijdraagt aan het behoud van ruimte voor de moeder in het leven van [minderjarige 1] . De vader dient zich te onthouden van gedragingen of uitlatingen die het negatieve beeld van [minderjarige 1] over de moeder versterken. Van de vader mag worden verwacht dat hij, binnen de grenzen van wat op dit moment voor [minderjarige 1] haalbaar is, de weg naar toekomstig contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder openhoudt.
Het hof benadrukt dat het voorgaande ook geldt voor de kennelijk nu ook geblokkeerde omgang tussen de vader en [minderjarige 2] . Ook bij de moeder ligt een verantwoordelijkheid om het contact tussen [minderjarige 2] en de vader positief te stimuleren en zich te onthouden van negatieve uitlatingen over de vader richting [minderjarige 2] .
Verder is het hof gebleken dat er op dit moment (bijna) geen contact is tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het hof acht het niet in het belang van de kinderen dat de verstoorde verstandhouding van de ouders ook leidt tot vervreemding tussen broer en zus. Uit het kindgesprek is gebleken dat [minderjarige 1] zijn zusje mist en dat hij hoopt dat [minderjarige 2] binnenkort weer om het weekend bij de vader verblijft. Het hof geeft de ouders daarom nadrukkelijk mee dat zij beiden de verantwoordelijkheid (dienen te) dragen voor het faciliteren van (fysiek) contact tussen de kinderen.
Vervangende toestemming onderwijsinstelling [minderjarige 1]
5.1
Ten aanzien van het verzoek van de moeder betreffende de school van [minderjarige 1] overweegt het hof als volgt. [minderjarige 1] volgt sinds de bestreden beschikking onderwijs aan [...] mavo in [plaats C] en zowel de vader als [minderjarige 1] geven aan dat hij het daar naar zijn zin heeft en goed functioneert op school. Uit de overgelegde rapporten blijkt dat [minderjarige 1] goed presteert op school. Het hof meent dat dit, mede gelet op de complexe thuissituatie en de langdurige belasting die [minderjarige 1] heeft ervaren, positief en bewonderenswaardig is te noemen. Ook de raad geeft aan dat de goede schoolresultaten van [minderjarige 1] zijn veerkracht tonen.
Nu de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader in stand blijft en [...] mavo zich in de directe woonomgeving van de vader ( [plaats B] ) bevindt, acht het hof het in het belang van [minderjarige 1] dat hij daar onderwijs blijft volgen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Voortzetting traject bij iHub
5.11
De moeder verzoekt te bepalen dat het traject bij iHub per direct wordt voortgezet om toe te werken naar het contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] . De moeder staat open voor een gezamenlijk hulpverleningstraject met het gezin, maar zij heeft geen vertrouwen (meer) in het huidige traject dat [minderjarige 1] volgt bij Youth Care (onder meer) omdat volgens haar onvoldoende wordt ingezet op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] . Ook een traject bij GGZ- [plaats D] acht zij niet geschikt, gelet op de lange wachtlijsten en omdat GGZ- [plaats D] niet gericht is op het begeleiden van contactherstel.
Het hof zal het verzoek van de moeder op dit punt afwijzen en overweegt daartoe als volgt. [minderjarige 1] ontvangt sinds december 2025 begeleiding van Youth Care. Uit het verslag van Youth Care van april 2026 blijkt dat [minderjarige 1] een positieve ontwikkeling laat zien in het opbouwen van zijn vertrouwen in de hulpverlening. Ook lukt het [minderjarige 1] in toenemende mate zijn gevoelens en ervaringen bespreekbaar te maken. Deze positieve ontwikkeling heeft [minderjarige 1] bevestigd tijdens het gesprek op het hof. [minderjarige 1] heeft een goede klik met zijn begeleidster, [naam] , en hij ervaart de gesprekken als helpend bij het uiten van zijn boosheid.
Daarnaast is [minderjarige 1] op 7 november 2025 door de huisarts in [plaats B] aangemeld voor onderzoek en behandeling binnen de GGZ. De verwachting is dat hij na de zomer van 2026 kan starten met een behandeltraject. De vader heeft ter zitting aangegeven dat na de intakegesprekken bij GGZ [plaats D] een behandelplan zal worden gemaakt, waarna een hulpverleningstraject zoals systeemtherapie, Ouderschap Blijft en/of Kinderen uit de Knel zal worden ingezet.
Het hof acht, mede gelet op de behoefte van [minderjarige 1] aan stabiliteit en voorspelbaarheid, van belang dat de huidige hulpverlening zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige 1] om het traject bij Youth Care, waar hij kennelijk baat bij heeft, te stoppen en een traject bij iHub (weer) te starten. Het verzoek van de moeder wordt dan ook afgewezen.
5.12
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat het voor de moeder moeilijk te accepteren is dat de huidige hulpverlening op dit moment niet inzet op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] . De moeder heeft haar vertrouwen in Youth Care opgezegd en op 13 april 2026 een klacht ingediend bij deze organisatie. Dat de moeder zich niet kan vinden in de huidige koers van de hulpverlening betekent niet dat geconcludeerd moet worden dat de ingezette hulpverlening onvoldoende of ongeschikt is. Uit de beschikbare informatie blijkt immers dat de betrokken hulpverlening momenteel bewust terughoudend is ten aanzien van contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] om de situatie tot rust te brengen en van daaruit weer op te bouwen. Youth Care sluit contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] niet volledig uit. Volgens Youth Care is contactherstel mogelijk indien sprake is van voldoende traumaverwerking en emotionele stabiliteit voor [minderjarige 1] . Het hof spreekt dan ook de hoop uit dat de moeder het belang van [minderjarige 1] kan inzien bij voortzetting van zijn traject bij Youth Care.
5.13
Verder overweegt het hof dat in de complexe situatie waarin de ouders en de kinderen zich bevinden, hulpverlening slechts kans van slagen heeft wanneer deze, waar mogelijk, systeemgericht plaatsvindt waarbij beide ouders worden betrokken. Zo heeft Veilig Thuis bij rapport van augustus 2025 aangegeven systeemgerichte hulp noodzakelijk te achten, waarbij de hulpverlening gericht is op alle gezinsleden, zodat kan worden meegewogen waarom ieder gezinslid doet wat hij/zij doet en reageert zoals hij/zij reageert. Ter zitting is gebleken dat de vader om de week een gesprek heeft bij Youth Care en dat hij op de hoogte wordt gehouden van de gesprekken van [minderjarige 1] bij Youth Care. De moeder heeft meegedeeld dat zij op dit moment niet betrokken wordt bij het traject. Zij heeft eenmalig een gesprek bij Youth Care gehad en sindsdien heeft zij niets meer vernomen.
Het hof kan niet achterhalen wat hiervan de reden en/of oorzaak is. Ter zitting heeft de vader toegezegd contact op te nemen met Youth Care om de betrokkenheid van de moeder bij het traject te bevorderen. Het hof gaat ervan uit dat de vader deze toezegging zal nakomen, gelet op zijn verantwoordelijkheid om (toekomstig) contactherstel met de moeder positief te stimuleren.
Zorgregeling en omgang met de vader
5.14
De moeder heeft verzocht om – kort gezegd - een zorgregeling van de vader met [minderjarige 1] te bepalen waarbij omgang onder begeleiding plaatsvindt.
Zoals in rechtsoverweging 5.8 is overwogen, bekrachtigt het hof de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader. Omdat [minderjarige 1] bij de vader blijft wonen, bestaat geen aanleiding om een afzonderlijke zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de vader vast te stellen, dan wel te bepalen dat de omgang onder begeleiding plaatsvindt. Het hof wijst de verzoeken van de moeder af.
Plaatsing van [minderjarige 1] op een neutrale plek
5.15
Nu de primaire verzoeken van de moeder worden afgewezen, komt het hof toe aan haar subsidiaire verzoek om [minderjarige 1] op een neutrale plek te plaatsen.
Net zoals de raad ziet het hof geen contra-indicaties voor verblijf van [minderjarige 1] bij de vader. Het hof overweegt dat een plaatsing op een neutrale plek voor [minderjarige 1] (opnieuw) een ingrijpende wijziging van zijn leefomgeving zal betekenen. Hierbij bestaat een reëel risico dat de plaatsing zal zorgen voor onrust, onzekerheid en ontregeling bij [minderjarige 1] , hetgeen niet in zijn belang is. [minderjarige 1] is juist nu gebaat bij continuïteit, stabiliteit en duidelijkheid ten aanzien van zijn woonomgeving. Bovendien geeft [minderjarige 1] aan dat hij het goed heeft bij de vader. Hij heeft vriendjes en vriendinnetjes in [plaats C] en voetbalt daar regelmatig.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor plaatsing van [minderjarige 1] op een neutrale plek. Het subsidiaire verzoek van de moeder zal daarom eveneens worden afgewezen.
5.16
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, F. Kleefmann en J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.