Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1637

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
23-001421-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c SrArt. 63 SrArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis afpersing met aanpassing proeftijd en taakstraf in hoger beroep

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake afpersing gepleegd door meerdere personen. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken voor een van de zaken, maar het hof verklaarde het hoger beroep tegen die vrijspraak niet-ontvankelijk vanwege wettelijke beperkingen.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank voor zover het oordeel aan het hof was voorgelegd, maar vernietigde het vonnis met betrekking tot de duur van de proeftijd die verbonden was aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf. De proeftijd werd vastgesteld op één jaar.

Het openbaar ministerie had de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand gevorderd, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt. Het hof besloot in plaats van gevangenisstraf een taakstraf van 120 uur op te leggen.

De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 juni 2026.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis behalve de proeftijd die wordt vastgesteld op één jaar en vervangt de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf door een taakstraf van 120 uur.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001421-25
datum uitspraak: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-319417-24 (zaak A) en 15-272835-24 (zaak B) , alsmede 13-225978-24 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2005,
adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van wat hem in zaak B is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op het artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dus niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak voor zaak B.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van
- de duur van de opgelegde proeftijd; gelet op het feit dat in eerste aanleg de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, zal de proeftijd op 1 jaar worden vastgesteld, en
- de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.
In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarnaast houdt het hof rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr Pro en vult de toepasselijke wettelijke voorschriften daarmee aan.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van Noord-Holland van 22 juli 2024 met parketnummer 13.225978.24 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd de proeftijd met een periode van 1 jaar te verlengen.
De raadsman heeft ter terechtzitting primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair de proeftijd te verlengen.
Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof ziet, op grond van hetgeen over de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een taakstraf van hierna te melden duur te gelasten.
In wat de raadsman heeft betoogd, ziet het hof geen aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-272835-24 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 15-319417-24 ten aanzien van de proeftijd die aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf is verbonden en doet in zoverre opnieuw recht.
Verbindt aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van Noord-Holland van met parketnummer 13-225978-24, voorwaardelijk opgelegde, een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
1 (één) maand hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. H.A. van Eijk en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]