Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1623

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.363.649/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vader tot vaststelling omgangsregeling met minderjarige wegens belang van het kind

De vader verzocht om een uitbreiding van de zorg- en omgangsregeling met zijn minderjarige kind, nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. De moeder en de Raad voor de Kinderbescherming waren tegen het verzoek en adviseerden om de huidige regeling te handhaven.

Het hof heeft het belang van het kind centraal gesteld en daarbij meegewogen dat het kind consequent en gemotiveerd heeft aangegeven geen contact te willen met de vader vanwege gevoelens van onveiligheid en spanning. De vader heeft gedragingen vertoond die als intimiderend en controlerend zijn ervaren, waaronder het sturen van bedreigende tekeningen en het opzoeken van het kind op school.

Het hof oordeelt dat het op dit moment niet in het belang van het kind is om een omgangsregeling af te dwingen en benadrukt dat contactherstel alleen mogelijk is als de vader hulpverlening accepteert en zijn gedrag verandert. De bestreden beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het verzoek van de vader wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de vader tot vaststelling van een opbouwende omgangsregeling met zijn minderjarige kind wordt afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.649/01
zaaknummer rechtbank: C/15/344498 / FA RK 23-4672
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. V.R.L. Berkhout te Heerhugowaard,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2011, hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling van de vader met [minderjarige] .
De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling afgewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat er een opbouwende zorgregeling wordt vastgelegd. De moeder is het wel eens met de beschikking van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 13 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 16 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank
Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 5 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de vader van 20 januari 2026, met als bijlagen producties B en C.
2.4
Het hof heeft op 24 april 2026 van de vader een ordner met stukken ontvangen. Het hof heeft de stukken ongeopend aan de vader retour gestuurd, omdat stukken door een advocaat dienen te worden ingediend volgens het Procesreglement verzoekschriftenprocedures familiezaken gerechtshoven.
2.5
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting op 4 mei 2026 met [minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter een samenvatting van dit gesprek gegeven en partijen hebben hierop mogen reageren.
2.6
De zitting heeft op 7 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw V.A.S. Regout.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben tot december 2013 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2011 in [plaats A] .
Bij beschikking van 2 maart 2016 zijn de ouders belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder.
3.2
De moeder is in 2023 getrouwd met haar huidige partner ( [partner] ) en woont met hem samen. De vader woont alleen.
3.3
De ouders zijn van 2014 tot 2018 verwikkeld geweest in procedures over de omgang en het gezag. In die periode heeft er begeleide omgang plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank van 14 oktober 2020 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken plaatsvindt overeenkomstig het aanvullende ouderschapsplan dat door de ouders is opgemaakt en ondertekend. In het (aanvullend) ouderschapsplan zijn de ouders de volgende zorgregeling overeengekomen:
- [minderjarige] blijft iedere woensdagmiddag uit school, dan wel vanaf 12:45 uur als er een studiedag is of een andere vrije dag, niet zijnde een vakantiedag, tot 19:00 uur bij de vader;
- [minderjarige] blijft in de weekenden van de oneven weken van vrijdagmiddag uit school, dan wel vanaf 14:45 uur als er een studiedag is of een andere vrije dag, niet zijnde een vakantiedag, tot zondagmiddag 15:00 uur bij de vader;
- de vader haalt en brengt [minderjarige] .
3.5
Bij vonnis in kort geding van 20 oktober 2023 is, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 14 oktober 2020, tot nader wordt beslist de volgende tijdelijke zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft iedere woensdagmiddag uit school, dan wel vanaf 12:45 uur als er een studiedag is of een andere vrije dag, niet zijnde een vakantiedag, tot 19:00 uur bij de vader;
- [minderjarige] verblijft in de weekenden van de oneven weken van vrijdagmiddag uit school, dan wel vanaf 14:45 uur in geval er een studiedag is, of een andere vrije dag niet zijnde een vakantiedag, tot zaterdag 19:00 uur bij de vader;
- de vader haalt en brengt [minderjarige] .
Verder zijn partijen door de voorzieningenrechter doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) van het wijkteam van de gemeente [plaats A] en is de raad verzocht onderzoek te doen naar de omgang en een eventuele kinderbeschermingsmaatregel.
3.6
De raad heeft op 18 maart 2025 een rapport uitgebracht en geadviseerd om geen omgang tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen. Een ondertoezichtstelling is volgens de raad op dit moment niet nodig.
3.7
De vader is het eens met de bij beschikking van 16 oktober 2025 door de rechtbank bepaalde door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 50, - per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover het de nog niet verstreken termijnen betreft. Het beroep richt zich daar dan ook niet tegen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om (met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 14 oktober 2020) een week-op-week-af-zorgregeling en een vakantieregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), een opbouwende zorg- en contactregeling vast te leggen waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
- gedurende twee maanden om de week op zaterdag;
- daarna gedurende een periode van twee maanden van vrijdag uit school tot zaterdagavond;
- vervolgens kan de regeling worden uitgebreid met een woensdagmiddag in de week dat [minderjarige] niet in het weekend bij de vader verblijft;
- de maand daarna kan uitvoering worden gegeven aan de oude regeling, waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag, en in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot zaterdagavond 19:00 uur bij de vader verblijft.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten van partijen
5.1
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen om een opbouwende zorgregeling met [minderjarige] te bepalen. Voorheen verliepen de omgangsmomenten van de vader met [minderjarige] goed, zoals [minderjarige] ook heeft bevestigd aan de raad. De moeder heeft echter plotseling de omgang stopgezet en zij schetst onterecht een negatief beeld van de vader richting [minderjarige] . Sinds het stoppen van de omgang heeft de vader geen mogelijkheid meer om het negatieve beeld dat [minderjarige] van hem heeft te veranderen. De vader betwist de zorgen over zijn psychisch welzijn en hij is in staat om op een positieve manier beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . De vader erkent dat hij dingen in het verleden niet had moeten doen, zoals het sturen van bepaalde berichten naar [minderjarige] . De overige verwijten van de moeder, zoals over vernielingen aan haar huis en drugsgebruik door de vader, worden door de vader betwist. Op dit moment gaat het goed met de vader. Hij heeft geleerd om zijn emoties te reguleren en hij heeft een goedlopende eigen onderneming. Individuele hulpverlening acht de vader dan ook niet nodig. Verder wil de vader zich inzetten voor een betere verstandhouding met de moeder, maar zij werkt daar niet aan mee. De vader ontvangt signalen dat [minderjarige] niet in een veilige omgeving opgroeit bij de moeder en hij maakt zich zorgen over [minderjarige] . Ook krijgt de vader geen informatie van de moeder over [minderjarige] en hij voelt zich als ouder buitenspel gezet. Het is de vader onduidelijk wat er nu concreet van hem wordt verwacht om de omgang weer te laten plaatsvinden. De spanning tussen de ouders kan geen reden zijn om geen omgang tussen [minderjarige] en de vader te laten plaatshebben.
5.2
De moeder verweert zich als volgt. Meerdere onafhankelijke instanties hebben zorgen geuit over het functioneren en het psychisch welzijn van de vader. De vader kan zijn eigen visie en beleving niet weghouden bij [minderjarige] en het lukt de vader niet om zijn strijd richting de moeder te staken. De vader bagatelliseert de situatie en hij onderkent zijn eigen aandeel niet. De vader bezoekt [minderjarige] op school, volgt hem en negeert de signalen van [minderjarige] dat hij dit niet wil. Dit bezorgt [minderjarige] een angstig, onveilig en verdrietig gevoel. De vader heeft intimiderend gedrag vertoond door graffiti aan te brengen rondom de woning van de moeder en hij heeft vernielingen aangebracht aan de auto van haar man. Sinds camera’s en bewegingssensoren zijn geïnstalleerd, zijn er geen vernielingen meer aangericht. Sindsdien ervaart [minderjarige] meer rust. Wel hebben de moeder, haar partner en [minderjarige] onlangs nog post van de vader ontvangen waarin onder andere intimiderende tekeningen stonden. [minderjarige] is inmiddels vijftien jaar oud en hij heeft expliciet aangegeven op dit moment geen contact met zijn vader te willen omdat hij zich daarbij onveilig voelt. [minderjarige] wil op termijn (gezond) contact met de vader, maar het gedrag van de vader en zijn gebrek aan zelfreflectie maken dit momenteel niet mogelijk. Ook de betrokken hulpverlening en de raad hebben geadviseerd om op dit moment geen zorgregeling vast te stellen, vanwege de spanning en angst die dit bij [minderjarige] teweeg zal brengen. Indien de vader bereid is te reflecteren op zijn gedrag en dit te veranderen kan in de toekomst het contact worden hersteld. Tot die tijd weegt het belang van [minderjarige] bij rust, veiligheid en een stabiele thuissituatie zwaarder dan het recht op omgang van de vader. Verder hebben de moeder en [minderjarige] goed contact met de familie vaderszijde en zij zien elkaar met enige regelmaat.
Het advies van de raad
5.3
De raad heeft geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad acht het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om een contactregeling met de vader vast te stellen. De raad constateert dat de vader zich nog onvoldoende kan verplaatsen in de gevolgen die zijn gedrag voor [minderjarige] heeft. De vader praat voornamelijk over wat het uitblijven van contact met hem doet, zoals slapeloze nachten en verdriet, maar de vader laat onvoldoende zien dat hij oog heeft voor de beleving en behoeften van [minderjarige] . De vader meent dat hij recht heeft op contact met [minderjarige] , ook wanneer [minderjarige] aangeeft dat hij daar op dit moment geen ruimte voor ervaart. De raad acht het zorgelijk dat [minderjarige] hierdoor nog steeds alert is en zich constant bewust is van wie zich in zijn omgeving bevindt. De raad adviseert de vader om hulpverlening te zoeken, gericht op emotieregulatie en op hoe hij kan aansluiten bij (de behoeften van) [minderjarige] .
De beoordeling
5.4
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
5.5
Het hof onderschrijft de motivering en beslissing van de rechtbank en maakt deze, na eigen beoordeling van de zaak, tot de zijne. De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet waarom het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht om een zorgregeling tussen hem en de vader vast te stellen. Het hof sluit zich hierbij aan en overweegt ter aanvulling als volgt.
5.6
Sinds de zomer van 2024 heeft geen omgang meer plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] . Op enkele toevallige ontmoetingen na hebben zij sindsdien ook geen contact meer met elkaar gehad. Voorafgaand aan de zitting in hoger beroep heeft de voorzitter met [minderjarige] een gesprek gehad, waarin [minderjarige] onder meer heeft verteld over zijn laatste contactmoment met de vader. Halverwege maart 2026 is [minderjarige] de vader tegengekomen toen [minderjarige] zijn (nog jonge) hondje aan het uitlaten was. [minderjarige] heeft hierover verteld dat de vader tijdens de ontmoeting op intimiderende wijze uitviel tegen het hondje (“dan trap ik zijn kop er af”) omdat het hondje tegen hem bleef opspringen. Volgens de moeder kwam [minderjarige] na deze ontmoeting overstuur en boos thuis. Daarnaast is gebleken dat de vader op de avond van het schoolfeest van [minderjarige] naar zijn school is gegaan om te controleren of [minderjarige] daar aanwezig was. Toen hij daar [minderjarige] niet aantrof, heeft hij bij [minderjarige] thuis aangebeld. Ook heeft de vader contact opgenomen met de ouders van vrienden van [minderjarige] , om te informeren of [minderjarige] nog contact met zijn vrienden onderhoudt.
5.7
Ter zitting in hoger beroep is verder gebleken dat de vader enkele weken voor de zitting drie brieven heeft gestuurd, gericht aan de moeder, haar echtgenoot en aan [minderjarige] . Op de enveloppen had de vader tekeningen gemaakt. De moeder heeft ter zitting verklaard dat op één van de tekeningen haar echtgenoot was afgebeeld terwijl hij werd onthoofd met een mes, voorzien van bloedsporen en huilende ogen. Ook was op de tekening een drone afgebeeld, wat volgens de moeder verwees naar het drone-bedrijf van haar echtgenoot. De moeder vermoedt dat [minderjarige] de enveloppen met de tekeningen heeft gezien op het moment dat de post werd bezorgd. De vader heeft tijdens de zitting erkend dat hij de tekeningen heeft gemaakt en verstuurd. Hij verklaarde hierover dat hij deze voor de grap had gestuurd en ludiek waren bedoeld.
Het hof volgt de vader hierin niet. Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de moeder en de raad dat de tekeningen, mede gelet op de context en de reeds langdurig bestaande spanningen tussen de ouders, intimiderend en zeker niet grappig zijn. Ter zitting heeft de vader naar oordeel van het hof geen blijk gegeven van inzicht in de impact die deze acties op [minderjarige] en de moeder hebben gehad. De vader heeft de reactie van de moeder afgedaan als een gebrek aan gevoel voor humor. Daarmee laat de vader onvoldoende zien dat hij zich kan verplaatsen in de gevoelens van onveiligheid en spanning die zijn handelen bij anderen oproepen.
5.8
Het hof laat verder in de beoordeling meewegen dat [minderjarige] zowel tegen de raad en de rechtbank, als tijdens het kindgesprek met de voorzitter van het hof, consequent en gemotiveerd heeft aangegeven dat hij op dit moment geen contact met zijn vader wil. Het hof acht [minderjarige] voldoende in staat om zijn (eigen) gevoelens en wensen kenbaar te maken. Mede gelet op zijn leeftijd dient er rekening te worden gehouden met de mening van [minderjarige] .
5.9
Tot slot is het hof niet gebleken dat de zorgen van de vader over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder gegrond zijn. Uit het dossier, de verklaringen ter zitting en het rapport van de raad van 18 maart 2025 volgt dat [minderjarige] bij de moeder in een veilige en stabiele omgeving opgroeit. De raad heeft ter zitting verklaard dat zij ten behoeve van het raadsonderzoek contact hebben gehad met de school van [minderjarige] en andere betrokken instanties. Daarbij is gebleken dat sprake is van een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] bij de moeder. De raad ziet dat [minderjarige] ondanks de belastende omstandigheden zich bij de moeder positief ontwikkelt. De schoolresultaten van [minderjarige] vielen vorig jaar enigszins tegen als gevolg van de stress en spanningen die hij ervaarde vanwege de vernielingen rondom zijn huis. Dit schooljaar behaalt [minderjarige] goede cijfers en hij is gemotiveerd om zijn koksopleiding af te ronden. Dit toont zijn veerkracht. Daarnaast spreekt [minderjarige] volgens de moeder vaak af met vrienden, sport hij veel en volgt hij skatelessen. [minderjarige] heeft verklaard dat hij zich bij de moeder prettig voelt en zich ‘nog nooit zo gezond’ heeft gevoeld. Ook is het hof gebleken dat de moeder het belang inziet van (goed) contact in de toekomst tussen [minderjarige] en de vader. Wanneer [minderjarige] openstaat voor contactherstel en het mentaal beter gaat met de vader, wil de moeder dit faciliteren.
5.1
Het hof begrijpt dat de vader verdrietig is over het gebrek aan contact met [minderjarige] . Zijn wens tot herstel van het contact is invoelbaar. Het hof dient echter een beslissing te nemen die in het belang van [minderjarige] is. Gelet op het voorgaande acht het hof het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om door het vaststellen van een (opbouwende) zorgregeling, [minderjarige] feitelijk te dwingen tot contact(herstel) met zijn vader. Net zoals de raad acht het hof het van belang dat de vader inzicht krijgt in de gevolgen die zijn handelen en uitlatingen voor [minderjarige] hebben en welke invloed dit heeft op het beeld dat [minderjarige] van hem heeft. Hierbij dient de vader zich op zijn functioneren en gezondheid te richten en het contact met [minderjarige] niet af te dwingen door hem bijvoorbeeld op te zoeken bij school of via derden informatie over hem proberen te verkrijgen. Hoewel het hof begrijpt dat de vader behoefte heeft aan informatie over [minderjarige] , handelt hij met deze gedragingen niet in het belang van [minderjarige] waardoor de afstand tussen hen juist groter wordt. [minderjarige] ervaart deze acties namelijk als controlerend en belastend.
Het hof geeft de vader verder mee dat [minderjarige] contactherstel in de toekomst niet uitsluit. [minderjarige] heeft namelijk ook positieve herinneringen aan zijn vader. Ten behoeve van contactherstel zal de vader hulpverlening moeten aanvaarden en zal de opbouw van de omgang onder begeleiding moeten plaatsvinden. Hierbij is het voor [minderjarige] belangrijk dat de vader laat zien dat hij in staat is goed voor zichzelf én voor [minderjarige] te zorgen.
5.11
Het voorgaande leidt tot de beslissing dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van een (opbouwende) zorgregeling wordt afgewezen. De bestreden beschikking wordt in zoverre bekrachtigd.

6.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de vader af;
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 16 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. M.T. Hoogland en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.