Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1620

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.361.935/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 6 EVRMArt. 8 EVRMArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging wijziging zorgregeling ondertoezichtstelling minderjarige kinderen

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de kinderrechter die de zorgregeling voor zijn twee minderjarige kinderen heeft gewijzigd. De moeder en de gecertificeerde instelling (GI) zijn het eens met de wijziging. De vader verzet zich tegen de wijziging en verzoekt om afwijzing van het verzoek van de GI.

De procedure omvatte diverse schriftelijke stukken en een zitting waarbij de vader, moeder, GI en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren. De vader wilde een vakantieregeling in plaats van een weekendregeling, maar dit verzoek werd niet toegelaten omdat het voor het eerst in hoger beroep werd gedaan.

Feitelijk is vastgesteld dat de zorgregeling niet goed werd nageleefd door de vader, dat de kinderen angstig en gespannen waren rondom omgangsmomenten bij de vader, en dat de vader niet openstond voor opvoedondersteuning. De communicatie tussen vader en GI verliep moeizaam en er was een escalatie op het schoolplein.

Het hof oordeelt dat de gewijzigde omstandigheden rechtvaardigen dat de zorgregeling wordt aangepast en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter. De omgang wordt beperkt tot een weekend in de woonplaats van de moeder, wat het beste is voor het belang van de kinderen. Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM Pro wordt verworpen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter die de zorgregeling wijzigt en beperkt de omgang van de vader tot een weekendregeling in de woonplaats van de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.935/01
zaaknummer rechtbank: C/15/366039 / JU RK 25-793
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Almere,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [de moeder] , hierna: de moeder.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) ten aanzien van [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (8 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft op het verzoek van de GI de zorgregeling gewijzigd.
De vader is het daarmee niet eens en wil dat het verzoek van de GI om de zorgregeling te wijzigen alsnog wordt afgewezen.
De GI en de moeder zijn het eens met de beslissing van de kinderrechter.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 26 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
27 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 30 december 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vader van 7 januari 2026, met bijlage (productie 3),
- een bericht met enveloppe, houdende twee usb-sticks van 9 april 2026,
- een bericht van de zijde van de vader van 10 april 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 21 april 2026, met bijlage
- een bericht van de zijde van de vader van 22 april 2026 met bijlagen.
2.4
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daarvan geen gebruikt gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.361.084/01. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.J. ten Seldam, advocaat te Limmen, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
2.6
Ter zitting in hoger beroep heeft het hof het door de vader bij bericht van 22 april 2026 ingediende verzoek om de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling te wijzigen naar een vakantieregeling en een dwangsom te verbinden aan de nakoming daarvan, niet toegelaten. Het verzoek om uitsluitend een vakantieregeling te bepalen doet de vader voor het eerst in hoger beroep. De man heeft bij de rechtbank geen verzoek gedaan. Zowel de GI als de vrouw hebben tegen het verzoek van 22 april 2026 bezwaar gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 362 Rv Pro kan in hoger beroep geen zelfstandig verzoek worden gedaan.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn [in] 2013 met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op 14 januari 2016 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 23 december 2015.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2012 te [plaats A] ;
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats A] .
De vader heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 2] erkend. Zij wonen bij de moeder.
Sinds de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 19 december 2025 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De vader is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen. Deze procedure loopt nog.
3.3
Bij de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het door de ouders op 30 september 2015 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan is ten aanzien van de zorgregeling opgenomen dat partijen telkens de zorgregeling in onderling overleg met elkaar zullen afstemmen.
3.4
Bij beschikking van 18 augustus 2021 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 augustus 2025. Tegen die beslissing heeft de vader eveneens hoger beroep ingesteld. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.361.084/01. Het hof doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.
3.5
Bij beschikking van 19 april 2021 heeft de kinderrechter, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 23 december 2015 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan, een zorgverdeling vastgesteld ten aanzien van [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij zij bij de vader verblijven:
- in de oneven weken in het weekend van zaterdag 10:30 uur tot zondag 16:30 uur, waarbij de moeder op zaterdagmiddag om 16:00 uur met [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belt;
- gedurende één, in onderling overleg af te spreken, woensdagmiddag per maand, waarbij de vader [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ophaalt van school c.q. de moeder en ze voor het avondeten terugbrengt naar de moeder;
- tijdens het Suikerfeest, het Offerfeest, Vaderdag en de verjaardag van de vader van 10:00 uur tot 19:00 uur;
- in de oneven jaren op eerste kerstdag en in de even jaren op tweede kerstdag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
- om het jaar met oud & nieuw, voor het eerst in het jaar 2022/2023, van 10:00 uur op oudejaarsdag tot 16:00 op nieuwjaarsdag;
- gedurende de vakanties: het weekend waarin [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens de reguliere zorgregeling bij de vader verblijven wordt met een dag verlengd, in die zin dat als [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het laatste weekend van de vakantie bij de vader zijn, zij vanaf de vrijdag voorafgaand aan dat weekend om 10:30 uur bij de vader verblijven en in de andere weekenden verblijven ze tot de eerstvolgende maandag 16:30 uur bij de vader, dit met inachtneming van hetgeen onder 3.1.7. is overwogen, waarbij de vader [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] haalt en terugbrengt.
3.6
Bij beschikking van 1 februari 2022 heeft dit hof de hiervoor genoemde beschikking van de kinderrechter van 19 april 2021 vernietigd voor wat betreft de zorgregeling, met dien verstande dat:
- ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder regie van de GI zal worden toegewerkt naar de bij beschikking van 19 april 2021 vastgestelde zorgregeling waarbij de GI beziet wat in het belang van de kinderen concreet haalbaar is;
- ten aanzien van [minderjarige 3] door de GI wordt toegewerkt naar contactherstel tussen [minderjarige 3] en de vader, in het tempo en de vorm die de GI daartoe aangewezen acht.
3.7
Bij beschikking van 21 november 2023 heeft de kinderrechter een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader verblijven, waarbij geldt dat:
- het aan de GI is om voornoemde zorgregeling, in lijn met wat onder 6.2 is overwogen uit te breiden indien dit naar het oordeel van de GI in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is;
- de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal halen en terugbrengen.
3.8
Bij beschikking van 16 juli 2024 heeft dit hof de hiervoor genoemde beschikking vernietigd voor zover daarin een zorgregeling is vastgesteld en heeft de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven om de week bij de vader van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen zal halen en brengen;
- onder regie van de GI zal een verdere regeling voor de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen worden vastgesteld waarbij het belang van de kinderen leidend is.
3.9
Tussen de vader en [minderjarige 3] geldt geen zorgregeling. [minderjarige 3] kan aangeven wanneer zij contact met de vader wil.
3.1
Ter zitting is door de GI toegelicht dat door de GI een nieuwe procedure is gestart om de zorgregeling tussen de vader en de kinderen verder te beperken. De inhoudelijke behandeling daarvan is aangehouden in afwachting van de beschikking van het hof in dit hoger beroep en zal plaatsvinden op 24 juni 2026.
3.11
De vader staat ingeschreven in de gemeente [plaats A] , maar verblijft feitelijk in [plaats C] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de zorgregeling, zoals neergelegd in de beschikking van het hof van 16 juli 2024, gewijzigd en als volgt bepaald:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben omgang met hun vader in hun woonplaats [plaats A] ;
- De omgang vindt plaats in de oneven weken op zaterdag of zondag, van 11:00 uur tot 17:00 uur. De vader haalt de kinderen bij de moeder op en brengt de kinderen bij de moeder thuis.
- De verdere verdeling voor de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen zal worden vastgesteld onder regie van de GI waarbij het belang van de kinderen leidend is.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de GI tot wijziging van de door het hof op 16 juli 2024 bepaalde zorgregeling af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie meent te moeten bepalen.
4.3
De GI verzoekt het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een zorgregeling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, kan de kinderrechter op het verzoek van de GI en een met het gezag belaste ouder de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De standpunten
5.2
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader toegelicht dat hij wil dat het hof alleen een vakantieregeling vaststelt. Hiertoe voert hij aan dat een weekendregeling onmogelijk is gemaakt en dat hij wil dat er een stabiele, rustige en haalbare regeling komt. De vader blijft wel bij zijn standpunt dat de kinderrechter ten onrechte de zorgregeling tussen hem en de kinderen heeft geminimaliseerd. Er is geen onafhankelijk onderzoek gedaan en geen hoor en wederhoor toegepast en dit is in strijd met 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De moeder leefde de zorgregeling niet na en werd hierin gesteund door de GI. De moeder verscheen met toestemming van de GI op het schoolplein tijdens overdrachtsmomenten, waardoor de kinderen in een loyaliteitsconflict kwamen. De kinderen hebben het leuk bij de vader. De zorgen over de kinderen zijn ongefundeerd en gebaseerd op wat de moeder vertelt. Verder wordt de band tussen de vader en de kinderen ondergeschikt gemaakt aan de activiteiten van de kinderen. Er is sprake van oudervervreemding door het stelselmatig beperken van contact van de vader met de kinderen. Ook informeert de moeder de vader niet over de kinderen. De in de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling is niet uitvoerbaar voor de vader. Verder waren er geen gewijzigde omstandigheden waardoor de door het hof bepaalde zorgregeling aangepast moest worden.
5.3
De GI vindt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd en voert aan dat uit gesprekken met de kinderen en andere betrokkenen is gebleken dat de vader volwassenenzaken met de kinderen bespreekt, negatief over de moeder praat en hen filmt. De kinderen gaven steeds vaker aan dat zij niet bij de vader wilden overnachten. Zij zijn gespannen en hebben last van angst en paniek. De GI is van mening dat de vader opvoedondersteuning nodig heeft en dat de omgang begeleid moet plaatsvinden. Het lukt echter niet om hierover met hem in contact te komen. Daarnaast is er al ruim een halfjaar geen omgang tussen de vader en de kinderen omdat hij de zorgregeling niet nakomt. Dit zorgt voor onduidelijkheid voor de kinderen en is ook een van de redenen dat de moeder aanwezig was op het schoolplein als de vader de kinderen kwam halen. Eerdere schriftelijke aanwijzingen over opvoedondersteuning en het nakomen van de zorgregeling zijn door de vader niet opgevolgd. De GI betwist dat de vader en de kinderen geen contact (kunnen) hebben door de geplande activiteiten. De vader heeft sinds de regeling van toepassing is geen enkele keer gevraagd wanneer hij de kinderen kan zien. De kinderen missen hun vader en halfbroertje en de GI hoopt dat de kinderen en de vader in de toekomst (begeleide) omgang kunnen hebben.
5.4
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met de GI en vindt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.
De raad
5.5
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad het volgende naar voren gebracht. Het is heel verdrietig voor de kinderen dat de vader niet samenwerkt met de GI en dat zij geen contact met hun vader en zijn gezin hebben. Iedereen wil dat de kinderen fijn en veilig contact met hun vader kunnen hebben. De huidige situatie en de houding van de vader naar de moeder en de kinderen toe maken dat een ondertoezichtstelling nodig is. De kinderen moeten door de vader gezien en begrepen worden. Dat is nu niet het geval, [minderjarige 1] geeft bijvoorbeeld aan dat zij haar vader mist, maar ook dat zij bang is. De hulp en begeleiding maar ook de regie en het toezicht van de GI zijn nodig. De vader zal de eerste stap richting de GI moeten zetten, zodat de kinderen tijd met hem en zijn gezin kunnen doorbrengen.
De beoordeling door het hof
De zorgregeling
5.6
Het hof stelt allereerst vast dat de zorgregeling niet op juiste wijze werd uitgevoerd, hetgeen op zichzelf al een wijziging van omstandigheden is. De kinderrechter kon dus toekomen aan de beoordeling van het verzoek van de GI en de zorgregeling wijzigen, zodat deze grief van de vader faalt.
5.7
Het hof onderschrijft de beslissing van de kinderrechter en hetgeen daartoe in de bestreden beschikking is overwogen.
In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de aanleiding voor het inleidende verzoek van de GI is gelegen in de zorgen over de omgangsmomenten bij de vader in [plaats C] . Gebleken is dat de kinderen bij de vader werden belast met volwassenenproblemen en dat zij zowel voorafgaand aan als na afloop van de omgang angstig en gespannen waren. Ook hadden zij rondom de omgang last van woedeaanvallen, huilbuien en buik- en hoofdpijn. De kinderen hebben aangegeven hun vader graag te willen zien, maar ook dat zij de weekenden liever in [plaats A] willen zijn. De GI heeft de vader opvoedondersteuning willen aanbieden, maar de vader stond hiervoor niet open. Daarnaast is gebleken dat het de vader zowel nu als in het verleden niet is gelukt om uitvoering te geven aan de in eerdere beschikkingen vastgelegde zorgregelingen. Hierdoor zijn de kinderen herhaaldelijk teleurgesteld geraakt en in hun vertrouwen geschaad. De communicatie tussen de vader en de GI verliep al langere tijd moeizaam. De vader weigerde de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening rondom de kinderen en het lukte de GI niet om met hem in contact te komen. Ook heeft zich een escalatie op het schoolplein voorgedaan, waarvan de kinderen veel hinder hebben ondervonden. Onder deze omstandigheden heeft de kinderrechter terecht aanleiding gezien de zorgregeling terug te brengen naar een weekendregeling, zoals door de GI verzocht.
5.8
Het hof stelt voorts vast dat de vader en de kinderen elkaar sinds de escalatie op het schoolplein in juni 2025 niet meer hebben gezien. De vader komt de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling niet na. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader opnieuw verklaard niet met de GI te willen samenwerken en afstand te hebben genomen van de betrokken hulpverleners, omdat deze volgens hem niet objectief zijn. De GI heeft ter zitting verklaard inmiddels een nieuw verzoek te hebben ingediend bij de kinderrechter, inhoudende dat de vader de kinderen alleen mag zien als hij instemt met begeleide omgang, omdat de bestaande zorgen begeleide omgang noodzakelijk maken. Hoewel de kinderen hebben aangegeven hun vader te missen, acht het hof, alles afwegende en gelet op de actuele situatie, de door de rechtbank beperkte regeling van eenmaal per twee weken gedurende één weekenddag in [plaats A] het meest in hun belang. De door de vader in zijn hoger beroepschrift voorgestane regeling behoort vanwege de bestaande zorgen nu niet tot te mogelijkheden. Het verzoek van de vader om de in de beschikking van het hof van 16 juli 2024 vastgestelde zorgregeling te herstellen, stuit bovendien af op het ter zitting in hoger beroep door de vader ingenomen standpunt dat hij een weekendregeling gelet op de activiteiten van de kinderen en de afstand tussen [plaats A] en [plaats C] niet uitvoerbaar vindt. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de kinderrechter en zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.9
Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM Pro stuit af op het vooroverwogene.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking van 27 augustus 2025 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.F. Miedema en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.