Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1615

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.359.058/01 en 200.359.058/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:165 lid 1 BWArt. 1:253a BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling, hoofdverblijf, kinderbijdrage, gebruik echtelijke woning en verdeling gouden sieraden

Deze zaak betreft een hoger beroep over diverse familiezaken na ontbinding van het huwelijk van partijen, waaronder de zorgregeling en hoofdverblijf van twee minderjarige kinderen, de vaststelling van de kinderbijdrage, het gebruik van de echtelijke woning en de verdeling van gouden sieraden.

De rechtbank had de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vastgesteld en een zorgregeling bepaald. De man verzocht om wijziging van deze regeling en het hoofdverblijf bij hem vast te stellen. Ook waren er geschillen over de hoogte van de kinderbijdrage, het gebruik van de woning en de eigendom van gouden sieraden.

Het hof oordeelde dat de zorgregeling gewijzigd wordt conform het gewijzigde verzoek van de man, maar bevestigde dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw blijft, gelet op het zwaartepunt van de zorg. De kinderbijdrage werd bekrachtigd zoals vastgesteld door de rechtbank. De vrouw kreeg het recht om de echtelijke woning nog zes maanden te gebruiken. De geschillen over de gouden sieraden konden niet worden opgelost omdat niet vast te stellen was waar de sieraden zich bevinden.

De verzoeken van partijen over de sieraden en gebruiksvergoeding werden afgewezen, en de bestreden beschikking werd voor het overige bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling, bevestigt het hoofdverblijf bij de vrouw, bekrachtigt de kinderbijdrage, staat de vrouw toe de woning zes maanden te gebruiken en wijst de verzoeken over gouden sieraden af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.359.058/01 en 200.359.058/02
zaaknummers rechtbank: C/13/750572 / FA RK 24-3098 en C/13/763158 / FA RK 25-548
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende op een bij het gerechtshof bekend adres,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verzoeker in het incident tot schorsing,
verzoeker in het incident houdende voorlopige voorzieningen,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. D.B. den Hartog te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verweerster in het incident tot schorsing,
verweerster in het incident houdende voorlopige voorzieningen,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. B. Mor-Yazir te Utrecht.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (5 jaar) en over hun hoofdverblijf, de kinderbijdrage, over de verdeling van sieraden en over het gebruik van de echtelijke woning.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 11 september 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking), hersteld bij beschikking van 10 oktober 2025, van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). De man heeft daarnaast schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en een voorlopige voorziening verzocht.
2.2
De vrouw heeft op 8 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 16 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend tevens houdende een wijziging van de verzoeken in hoger beroep.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 23 maart 2026 met bijlagen.
2.5
De mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft op 2 april 2026 plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing en het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en S. Gultekin, tolk in de Turkse taal, en
- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.
2.6
Ter zitting in hoger beroep heeft het hof, gehoord het bezwaar van de vrouw, het verweerschrift in incidenteel hoger beroep deels buiten beschouwing gelaten, vanwege strijd met de twee-conclusieregel.
2.7
Na de zitting heeft het hof een bericht van de zijde van de vrouw ontvangen van 16 april 2026, waarin zij het verzoek ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld intrekt.
2.8
Na de zitting heeft het hof ook nog een bericht van de zijde van de man ontvangen van 3 juni 2026, waarin het verzoek ten aanzien van de nietigheid van het huwelijk wordt ingetrokken. Als bijlage bij het bericht heeft de man de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 1 juni 2026 aan het hof gestuurd, waaruit blijkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] wordt gelast de huwelijksakte betreffende partijen door te halen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn (rechtsgeldig) gehuwd [in] 2018 te [plaats B] (Turkije). De man heeft op 8 mei 2024 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Het huwelijk van partijen is op 13 februari 2026 ontbonden door inschrijving van de, in zoverre niet bestreden, echtscheidingsbeschikking van 23 juni 2025 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben voorafgaand aan hun huwelijk ten overstaan van een notaris te Turkije huwelijkse voorwaarden opgesteld en notarieel vastgelegd.
3.2
Partijen zijn daarnaast [in] december 2020 te [plaats C] (Nederland) – niet rechtsgeldig - met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 1 juni 2026 is de ambtenaar van de burgerlijke stand van gemeente [gemeente] gelast de huwelijksakte van het jaar 2020 betreffende partijen door te halen.
3.3
Tijdens het huwelijk zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2019 te [plaats D] ;
- [minderjarige 2] , [in] 2020 te [plaats D] .
3.4
De man heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.5
Tussen partijen staat niet ter discussie dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat zij bij overeenkomst een algehele scheiding van goederen zijn overeengekomen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang:
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn vanaf het moment dat zij eigen woonruimte heeft;
- bepaald dat een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen in de oneven weken op maandagmiddag tot en met woensdagochtend bij de vrouw zijn, op woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend bij de man en van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de vrouw en in de even weken op maandagmiddag tot en met woensdagochtend bij de man, op woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend bij de vrouw en vrijdagochtend tot maandagochtend bij de man.
- ten aanzien van de vakanties bepaald dat partijen de vakanties bij helfte delen, waarbij de vrouw het eerste deel van de vakanties (eerste weken van de vakantie) voor de kinderen zorgt en de man het tweede deel van de vakanties (de laatste weken van de vakantie) voor de kinderen zorgt
- bepaald dat de man vanaf het moment dat de vrouw eigen woonruimte heeft aan de vrouw een kinderbijdrage van € 320,- per kind per maand dient te betalen;
- de man gelast om de bank binnen drie maanden te verzoeken de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
In principaal hoger beroep
4.2
De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoek en met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;
- te bepalen dat een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen in de oneven weken van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen die dag vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven, van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven, van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven.
In de even weken zal een zorgregeling gelden waarbij de kinderen van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven, van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven en van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven.
De man verzoekt daarnaast primair te bepalen dat hij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van zijn woning en de daarbij behorende inboedel, en met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet meer mag betreden zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of ieder gedeelte daarvan dat de vrouw nalaat aan dit gebod te voldoen;
- voor recht te verklaren dat de vrouw het goud ter waarde van circa € 20.000,- in haar bezit heeft;
- de vrouw te veroordelen om binnen vier weken na betekening van de beschikking een bedrag van € 40.000,- aan de man te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- dat de kinderbijdrage wordt vastgesteld op € 29,- per kind per maand, met ingang van de datum van de feitelijke scheiding en jaarlijks te indexeren overeenkomstig artikel 1:402a BW.
4.3
De vrouw verzoekt de grieven van de man af te wijzen met uitzondering van de grief over de vaststelling van de zorgregeling, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In incidenteel hoger beroep
4.4
De vrouw verzoekt, na aanvulling en gedeeltelijke intrekking van haar verzoeken:
- te bepalen dat zij gerechtigd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- te bepalen dat de gouden sieraden en munten die tijdens de huwelijksceremonie zijn geschonken tot het persoonlijk vermogen van de vrouw behoren en de man te veroordelen tot afgifte daarvan, dan wel tot betaling van een vergoeding van € 40.000,-;
- subsidiair voor recht te verklaren dat de man het goud ter waarde van circa € 40.000,- in zijn bezit heeft en hem te veroordelen om binnen vier weken na betekening van de beschikking de waarde van € 40.000,- aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- voorwaardelijk, in het geval de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bepaald, dat een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen bij de vrouw verblijven:
om het weekend van vrijdag na schooltijd tot maandag 8.30 uur;
- één vaste doordeweekse dag per week, nader in onderling overleg te bepalen;
- de helft van alle schoolvakanties, bij gebreke van overeenstemming de even vakanties bij de vrouw;
- op Moederdag en de verjaardag van de vrouw;
- verjaardag van de kinderen, dezelfde dag of de dag erna.
4.5
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans vast te stellen dat geen incidenteel appel aanhangig is gemaakt en de rechtsstrijd te beperken tot de door de man aangevoerde grieven; dan wel, voor zover wel sprake zou zijn van een incidenteel appel, dit af te wijzen en de verzoeken van de man alsnog toe te wijzen.
In het incident
4.6
De man heeft zijn verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen ten aanzien van de kinderbijdrage, het verblijf van de vrouw in de echtelijke woning en een gebruiksvergoeding tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat het hof deze verzoeken niet meer hoeft te beoordelen.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Het hof stelt allereerst vast wat nog voorligt in hoger beroep. Als onder 4.6 weergegeven liggen de verzoeken in de incidenten niet meer voor. Verder heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de partneralimentatie en de nietigverklaring van het in Nederland gesloten huwelijk ingetrokken. De vrouw heeft na de zitting in hoger beroep haar verzoek ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld ingetrokken. Dat betekent dat in hoger beroep aan het hof de volgende onderwerpen voorliggen: het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling, de kinderbijdrage, het gebruik van de echtelijke woning en de verzoeken ten aanzien van de sieraden. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.2
Nu de man ook de Turkse nationaliteit heeft, heeft deze procedure een internationaal karakter. Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de zorgregeling van de kinderen. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wettelijk kader
5.3
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
Standpunten
5.4
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de overeengekomen zorgregeling niet correct heeft weergegeven. De overeengekomen regeling komt overeen met de feitelijke beschikbaarheid van beide ouders. De vrouw stemt in met het (gewijzigde) verzoek in hoger beroep van de man ten aanzien van de zorgregeling.
Beoordeling door het hof
5.5
Nu tussen partijen overeenstemming bestaat over de zorgregeling zal het hof de bestreden beschikking wijzigen en het gewijzigde verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling toewijzen. Het betreft een nadere invulling van de zorgregeling die de rechtbank al heeft vastgesteld. Het hof zal de tijdstippen van de zorgregeling vermelden, zodat tussen partijen daarover meer duidelijkheid bestaat.
Dit houdt in dat het hof de volgende regeling zal vastleggen:
in de oneven wekenzal een zorgregeling gelden waarbij de kinderen:
- van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen die dag vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
- van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven;
- van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
in de even wekenzal een zorgregeling gelden waarbij de kinderen:
- van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven;
- van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
- van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven.
Partijen hebben geen bezwaar tegen de vakantieregeling zoals vastgesteld door de rechtbank. Het hof zal niettemin ook de vakantieregeling in het dictum van deze beschikking weergeven, zodat er geen onduidelijkheid ontstaat over dit onderdeel van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.6
Nu de man ook de Turkse nationaliteit heeft, heeft deze procedure een internationaal karakter. Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wettelijk kader
5.7
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Standpunten
5.8
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen. De vrouw is van mening dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen terecht bij haar is vastgesteld. Zowel de man als de vrouw hebben verklaard over hoe de verdeling van de zorg voor de kinderen eruit zag tijdens het huwelijk, over hoe zij de zorg nu verdelen en welke rol zij spelen in het leven van de kinderen. Partijen hebben aangegeven dat zij allebei goed in staat zijn om een groot deel van de zorgtaken op zich te nemen. Partijen wonen op dit moment nog gezamenlijk in de (voormalig) echtelijke woning waarbij de vrouw heeft opgemerkt dat zij het grootste deel van de zorg van de kinderen op zich neemt, hetgeen door de man wordt betwist.
Het advies van de raad
5.9
De raad heeft ter zitting geadviseerd om het hoofdverblijf van de kinderen op te splitsen zodat bijvoorbeeld [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft en [minderjarige 2] bij de man. Het is goed om te zien dat beide ouders vinden dat de andere ouder net zo belangrijk is, maar toch ontstaat er discussie over waar de kinderen hun hoofdverblijf moeten hebben. Het splitsen van het hoofdverblijf moedigt de ouders aan om gezamenlijk beslissingen te nemen. De vrouw heeft, wanneer één van de kinderen het hoofdverblijf bij haar heeft en dus bij haar staat ingeschreven, ook wat meer financiële armslag en punten om mogelijk (sneller) een woning te kunnen bemachtigen. Het is niet relevant op wiens naam de verzekeringen staan.
Beoordeling door het hof
5.1
Het hof oordeelt als volgt. De ouders hebben tijdens de zitting in hoger beroep allebei aangegeven dat zij de andere ouder net zo belangrijk vinden en dat de kinderen goed contact moeten hebben met hun beide ouders. Op het voorstel, en advies, van de raad om het hoofdverblijf van beide kinderen te splitsen gaf de man direct aan dat hij hier niet voor open staat. De vrouw stond hier wel voor open. De zorg voor de kinderen is met de overeengekomen zorgregeling gelijkelijk verdeeld tussen de ouders. De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw dienen te hebben en het hof is van oordeel dat deze beslissing juist is. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw tijdens het huwelijk de zorg van de kinderen op zich nam en de man fulltime werkte. Het hof sluit zich aan bij deze overweging van de rechtbank. Tijdens de zitting in hoger beroep is door de vrouw aangegeven wat zij qua verzorging op zich neemt en dat de man de kinderen enkel brengt en haalt. Dit is door de man niet betwist. Hoewel de omstandigheid dat de ouders nog gezamenlijk in de woning moeten wonen zeker van invloed is op de mate waarin de man op dit moment de zorgtaken kan invullen, geldt dat het verzorgen van kinderen meer met zich meebrengt dan het naar school brengen en weer ophalen, de taken waartoe de man zich beperkt. De overige zorgtaken neemt de vrouw nog altijd geheel op zich en hoe dan ook ligt het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij haar. Het hof is daarom, net als de rechtbank, van oordeel dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw moet zijn. Dat de man alle verzekeringen op zijn naam heeft, doet daar niet aan af. Dat zijn praktische zaken die aangepast kunnen worden, zoals de raad de man heeft voorgehouden tijdens de zitting in hoger beroep. Ook het argument van de man dat de vrouw de Nederlandse taal niet machtig is maakt het oordeel van het hof niet anders. De vrouw woont een aantal jaren in Nederland en is drukdoende om de Nederlandse taal (nog) beter onder de knie te krijgen. Dit is in deze situatie geen relevant punt voor de vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen. De vrouw heeft daar onbetwist over gesteld dat zij ook contact heeft met de huisarts en de school van de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dus bekrachtigen.
5.11
Het hof geeft partijen mee dat aan deze beslissing gekoppeld is dat de kinderen bij de vrouw worden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Dat betekent dat in het geval de vrouw een andere woning vindt, de kinderen op het nieuwe adres van de vrouw worden ingeschreven.
Kinderbijdrage
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.12
Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de kinderbijdrage. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Ingangsdatum
5.13
De rechtbank heeft ten aanzien van de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage beslist dat de kinderbijdrage zal ingaan op het moment dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en daarmee ruimte voor haarzelf en de kinderen heeft gevonden om te wonen. Deze ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil en was ten tijde van de mondelinge behandeling nog in de toekomst gelegen. Ook het hof neemt deze ingangsdatum als uitgangspunt.
Behoefte
5.14
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 1.199,- per maand in 2025 is niet in geschil en staat daarmee vast.
Draagkracht
5.15
In geschil is van welke draagkracht aan de zijde van de man en aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan. Het hof zal eerst ingaan op de draagkracht van de man.
5.16
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij inkomsten genereert uit zijn werkzaamheden bij de politie en [X] . De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een werkweek van 30 uur. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten en loonstroken blijkt dat hij tijdens het huwelijk 23 uur per week werkte. Er is geen sprake van een verwijtbaar inkomensverlies. De uren zijn inmiddels verlaagd naar 18 uur per week. Het jaarinkomen waarmee gerekend moet worden over 2025 is € 28.598,- bruto. De gezamenlijke vaste lasten van partijen bedragen € 38.522,- per jaar. Bij een gelijke draagkracht dient ieder van de partijen de helft daarvan op zich te nemen.
De werkzaamheden bij [X] zijn per 30 juni 2025 beëindigd. Deze waren niet langer te combineren met zijn zorgtaken. Het wegvallen van dit inkomen kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Daar komt bij dat [dochter] , de oudere dochter van de man, bij hem komt wonen zodra de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. Er is dus onterecht rekening gehouden met inkomen uit werkzaamheden bij [X] . Bovendien dient in de draagkrachtberekening rekening te worden gehouden met het feit dat de kinderen feitelijk hun hoofdverblijf bij de man hebben.
De rechtbank heeft daarnaast onterecht rekening gehouden met een bedrag van € 650,- per maand aan huurinkomsten. De woning aan het [A-straat] wordt verhuurd voor € 1.495,27 per maand, maar daartegenover staan ook lasten. Na aftrek van de lasten bedraagt de netto huuropbrengst € - 38,18,-. De draagkracht van de man bedraagt € 673,- per maand.
Ter zitting heeft de man aanvullend verklaard dat hij in 2015 een incident met dodelijke afloop heeft meegemaakt en dat als gevolg van deze gebeurtenis beroepsgerelateerde PTSS is vastgesteld. Hij was voor 80% afgekeurd maar wilde niet afgekeurd worden en is daarom blijven werken. Door de spanning rondom de echtscheiding is de man opnieuw in behandeling voor PTSS en heeft hij eens in de twee weken gesprekken met een psycholoog. Hij staat op de wachtlijst bij Centrum’45. Op dit moment werkt hij 23 uur per week, aldus de man.
5.17
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een 30-urige werkweek redelijk is. De man is politieagent van beroep en heeft tijdens het huwelijk fulltime gewerkt. De man stelt dat hij vanwege de zorg voor de kinderen slechts 23 uur werkt. Dat is onjuist en ook verwijtbaar. Zelf geïnitieerd inkomensverlies is vermijdbaar en verwijtbaar. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij niet fulltime of 30 uur kan werken. Bovendien is het dan de vraag waarom de man nauwelijks thuis is. Dat de man 23 uur per week werkt wordt dan ook betwist. Op basis van het inkomen van de man gaat het hem nooit lukken om de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
De rechtbank heeft terecht gerekend met inkomsten uit [X] . De man is bewust gestopt, om onder zijn alimentatieverplichting uit te komen. Hij zorgt nu al feitelijk niet voor de kinderen en na de scheiding zal hij veel een beroep doen op zijn moeder en zus.
De door de rechtbank meegenomen huurinkomsten zijn met juistheid vastgesteld. De man heeft tijdens de zitting bij de rechtbank geen onderbouwde berekening overgelegd. Het pand van de man wordt aan twee bedrijven verhuurd. De man heeft tot op heden geen volledige inzage gegeven. Daar komt bij dat de huurprijs die de man zegt te krijgen, normaal gesproken vele malen hoger ligt.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de draagkrachtvergelijking door de rechtbank juist is. Zij betaalt weliswaar niet mee aan de hypotheekschuld, maar zorgt er wel voor dat er voldoende boodschappen in huis zijn, waar de man ook van eet. Alle overige lasten draagt de vrouw. Zij draagt dan ook voldoende bij. De man misbruikt de situatie. Nu de man vaker en langer weg is kan de vrouw niet anders dan concluderen dat hij waarschijnlijk weer neveninkomsten genereert.
5.18
Het hof overweegt als volgt. Artikel 2.1.2 van het bijzonder deel van het procesreglement gerechtshoven dat geldig was van juli 2025 tot en met december 2025 geeft een opsomming van de financiële informatie die moet worden overgelegd als de draagkracht van (één van) de belanghebbenden wordt betwist.
5.19
Het hof overweegt dat partijen zich niet hebben gehouden aan deze instructie. Het hof beschikt in deze procedure alleen over beperkte en verouderde gegevens en kan daaraan de gevolgen verbinden die het geraden acht.
5.2
Met betrekking tot het inkomen van de man uit loondienst bij de politie overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met een 30-urige werkweek bij de politie. Door de man is onvoldoende onderbouwd waarom hij nu niet in staat is 30 uur per week te werken. Hij heeft daarover ter zitting aangegeven dat zijn PTSS klachten opnieuw de boventoon voeren, maar heeft met geen enkel stuk onderbouwd dat hij op dit moment onder behandeling is voor zijn PTSS en daardoor niet in staat is 30 uur per week te werken. De enige stukken die door de man zijn overgelegd zijn een brief van 11 december 2017 van de politie waarin staat dat de man kampt met PTSS en dat dit wordt gekwalificeerd als beroepsziekte en een brief van het UWV van 13 december 2019 waarin de aanvraag van de man om een WIA-uitkering te ontvangen, wordt afgewezen. Uit deze brief blijkt overigens dat de man 21,05% arbeidsongeschikt is verklaard, en niet 80%, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven. Deze brief van het UWV strookt ook niet met de verklaring van de man dat hij geen WIA-uitkering wilde. Hij heeft die uitkering namelijk zelf aangevraagd, maar zijn aanvraag is afgewezen. Dat de advocaat van de man ter zitting in hoger beroep heeft aangeboden de aanmelding bij Centrum’45 alsnog in te dienen doet daar niets aan af. De man is degene die hoger beroep heeft ingesteld en zijn draagkracht aan de orde stelt. Het ligt dan op zijn weg om, bij de indiening van het beroepschrift, de gegevens beschreven in het procesreglement genoemd in rechtsoverweging 5.18 te overleggen en niet pas nadat daar op zitting in hoger beroep vragen over worden gesteld, te opperen om deze stukken alsnog in te dienen. Het hof sluit voor het inkomen van de man uit loondienst bij de politie dan ook aan bij het bedrag zoals dat is berekend door de rechtbank, namelijk € 3.551,49 bruto per maand, te vermeerderen met een toeslag van € 268,80 per maand en een vakantietoeslag van 8%. Door de man is immers geen grief gericht tegen de wijze waarop de rechtbank dit bedrag heeft berekend.
5.21
De rechtbank heeft vervolgens nog rekening gehouden met inkomsten van € 364,- bruto per maand uit de werkzaamheden bij [X] . Na de bestreden beschikking heeft de man zijn dienstverband bij [X] opgezegd per 1 juli 2025. De man heeft naar eigen zeggen opgezegd omdat de werkzaamheden niet langer te combineren zijn met de zorg voor de kinderen en dat zijn gezondheid het niet toelaat. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met inkomsten uit [X] . Ten tijde van de bestreden beschikking werkte de man daar nog en de rechtbank heeft rekening gehouden met de zorgtaken van de man door de helft van het bedrag in aanmerking te nemen omdat de man om de week op vrijdag voor de kinderen zorgt. De man heeft verder, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd waarom hij niet om de week op vrijdag deze werkzaamheden zou kunnen verrichten en het hof verwijst naar het bovenstaande waarin al aan de orde kwam dat de man geen stukken heeft overgelegd. Het hof zal dus, net als de rechtbank, rekening houden met een inkomen van € 364,- bruto per maand.
5.22
Daarnaast staan de huurinkomsten van de man ter discussie. De man verhuurt een pand aan het [A-straat] te [gemeente] . De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 650,- per maand aan huurinkomsten omdat beide partijen, dus ook de man, daarvan uit gingen. Pas tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de man aangegeven dat hij slechts € 31,- per maand aan netto huuropbrengst ontvangt en dat hij een berekening wil overleggen. De rechtbank heeft de man hier geen gelegenheid (meer) voor gegeven. In hoger beroep stelt de man dat zijn huuropbrengst niet een positief bedrag van € 31,- per maand is, maar een negatief bedrag van € 38,18 per maand. Door de man zijn, gelet ook op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, te weinig stukken overgelegd op basis waarvan het inkomen uit verhuur kan worden berekend. Zo is het hof niet duidelijk of er sprake is van een of twee huurders. Door de man is ook niet verklaard waarom het door hem opgevoerde bedrag aan (negatieve) opbrengst verschilt van het bedrag dat hij tijdens de zitting bij de rechtbank heeft genoemd. De man heeft wel afschriften van betalingen van een hypotheek overgelegd, maar de onderliggende hypotheekakte ontbreekt en ook is geen verdere eigendomsinformatie verstrekt. Het hof kan daarom bijvoorbeeld niet vaststellen of de betalingen op de afschriften zien op aflossing van het pand aan het [A-straat] en meer in het algemeen, hoe deze betalingen zijn opgebouwd. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de man hier wisselend over verklaard. Zo heeft hij aangegeven dat het bedrag dat hij aan de hypotheekverstrekker betaalt rente en aflossing is, maar hij geeft ook aan dat de hypotheek op het pand aan het [A-straat] aflossingsvrij is. Gelet hierop sluit het hof aan bij de door de rechtbank gehanteerde € 650,- per maand aan inkomsten vanwege verhuur.
5.23
De man heeft tot slot aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de kinderbijdrage van € 225,- voor zijn oudere dochter [dochter] . Het hof zal hier geen rekening mee houden omdat door de man niet is onderbouwd dat hij een kinderbijdrage voor [dochter] betaalt. De man heeft verzuimd betalingsbewijzen te overleggen. Het door de man getekende ouderschapsplan ten aanzien van [dochter] uit 2017 is onvoldoende.
5.24
Op basis van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de draagkracht van de man zoals door de rechtbank berekend, nu verder geen grieven zijn gericht tegen de overige onderdelen van de berekening van de rechtbank. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, uitgaan van een draagkracht van € 1.184,- per maand aan de zijde van de man op basis van een netto besteedbaar inkomen van € 4.288,- per maand.
5.25
Het hof zal nu de draagkracht van de vrouw bespreken. De rechtbank is aan de zijde van de vrouw uitgegaan van een draagkracht van € 154,- per maand op basis van een inkomen van € 1.375,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%.
5.26
De man is van mening dat de draagkracht van de vrouw onjuist is vastgesteld. Uit het door de belastingdienst verstrekte inkomensoverzicht blijkt dat het bruto maandinkomen van de vrouw € 1.605,- bedraagt, inclusief vakantietoeslag van 8%. De vrouw heeft een jaaroverzicht overgelegd waaruit blijkt dat haar bruto jaarinkomen € 28.600,- bedraagt en de man verzoekt dan ook hiervan uit te gaan.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man aangegeven dat het inkomen van € 28.600,- de grondslag is waarop de voorlopige toeslagen worden gebaseerd. De vrouw kan makkelijk sjoemelen met haar salarisstroken omdat zij bij haar broer werkt. Als de vrouw als wiskundelerares gaat werken dan kan zij een hoger salaris ontvangen, aldus de man.
5.27
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank van een correct inkomen is uitgegaan. Tijdens de procedure bij de rechtbank zijn per abuis salarisstroken van haar zus, die dezelfde initialen heeft, ingediend. De vrouw heeft nooit een dergelijk hoog salaris ontvangen. De vrouw werkt als kapper in de kapperszaak van haar broer en doet vrijwilligerswerk op een school als docent wiskunde om het Nederlandse schoolsysteem te leren kennen, zodat zij in de toekomst hopelijk aan de slag kan als wiskundelerares.
5.28
Het hof overweegt als volgt. Het door de man genoemde jaarinkomen van € 28.600,- is, zoals de man zelf ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven, het inkomen dat bij de belastingdienst is ingevoerd om de voorlopige toeslagen te berekenen. Dit is een bedrag dat men zelf kan invoeren en dus niet per definitie juist is.
Uit de in eerste aanleg overgelegde salarisstroken blijkt inderdaad dat een deel van de salarisstroken ziet op iemand anders dan de vrouw (de vrouw is geboren [in] 1987 en de salarisstroken die ook zijn ingediend staan op naam van [naam] , geboren [in] 1978). Op de salarisstroken van de vrouw is te zien dat de vrouw in 2025 een bruto maandinkomen van € 1.375,- ontving. Uit de jaaropgave 2025 blijkt een inkomen van € 16.994,- bruto. Uit niets blijkt dat de vrouw een jaarinkomen van € 28.600,- bruto ontving/ontvangt. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank de draagkracht van de vrouw terecht heeft gebaseerd op het bruto inkomen van € 1.375,- per maand. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, uitgaan van een draagkracht van € 154,- per maand op basis van een netto besteedbaar inkomen van € 2.186,- per maand. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om rekening te houden met een mogelijk hoger salaris in de toekomst. De vrouw werkt nu niet als wiskundelerares en is daar nu ook niet toe bevoegd.
5.29
Op basis van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde kinderbijdrage juist is. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
Echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.3
Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Wettelijk kader
5.31
Op grond van art. 1:165 lid 1 BW Pro kan de rechter op daartoe strekkend verzoek van een echtgenoot bepalen dat als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een woning bewoont die aan een andere echtgenoot in (mede)eigendom toebehoort, hij of zij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.
Standpunten
5.32
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zijn verzoek omtrent de echtelijke woning ten onrechte heeft afgewezen. Aan het oordeel van de rechtbank dat de vrouw de echtelijke woning dient te verlaten, is geen dwangsom verbonden en ook is niet bepaald dat de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen. De vrouw weigert de woning te verlaten en draagt niet bij in de kosten. De man verzoekt dan ook een dwangsom te bepalen voor iedere dag dat de vrouw nalaat de woning te verlaten, alsmede een gebruiksvergoeding zolang zij de woning blijft gebruiken. De man wil dan ook dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 472,22 per maand dient te betalen zolang zij gebruik maakt van de woning en geen bijdrage levert aan de kosten.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man aanvullend verklaard dat hij, in verband met zijn PTSS, rust en een veilige omgeving nodig heeft. Hij kan niet accepteren dat de vrouw (nog) langer in de echtelijke woning verblijft. De vrouw kan bij haar broer of een van haar zussen verblijven. De man heeft een zus en zijn ouders in de buurt wonen, maar daar kan hij niet terecht.
5.33
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij er belang bij heeft om de woning nog zes maanden te mogen blijven gebruiken. De man heeft een netwerk waar hij op terug kan vallen en spaargeld, de vrouw niet. Het verzoek van de man dat de vrouw binnen zes weken moet vertrekken mist wettelijke grondslag.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aangegeven dat zij soms één dag, zonder de kinderen, bij haar broer of één van haar zussen verblijft om de spanningen thuis te ontlopen. Dat betekent niet dat zij daar altijd kan wonen met de kinderen. De man heeft een moeder en vier zussen dichtbij wonen. Zijn moeder woont alleen en heeft vier kamers. De vader van de man is er nooit omdat hij een hotel heeft in Turkije. Birdnesting zou een goede (tijdelijke) oplossing zijn tot zij een eigen woning gevonden heeft, aldus de vrouw.
Beoordeling door het hof
5.34
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft het voortgezet gebruik van de woning zoals is verzocht door de vrouw, afgewezen. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat zowel de vrouw als de man nog in de woning verblijven. Beide partijen hebben daarover verklaard dat dit spanningen met zich meebrengt. De man geeft aan dat hij de woning niet kan verlaten omdat hij nergens anders kan verblijven. De vrouw geeft aan dat zij, op de dagen dat zij niet voor de kinderen zorgt, bij haar broer of een van haar zussen kan verblijven. Zij kan daar niet samen met de kinderen verblijven. Tijdens de zitting in hoger beroep is in dat kader door de raad aan partijen gevraagd of zij hebben nagedacht over het principe van birdnesting, zodat de kinderen in de woning kunnen blijven en de op dat moment niet verzorgende ouder elders verblijft. De vrouw stond en staat hiervoor open, tot zij een eigen woning heeft gevonden, maar deze optie was voor de man onbespreekbaar omdat hij aangeeft rust nodig te hebben.
5.35
De vrouw heeft aangegeven dat zij druk doende is om een woning te vinden, maar dat dit tot op heden nog niet is gelukt. Het hof is van oordeel dat de verzoeken van de man in hoger beroep ten aanzien van de echtelijke woning moeten worden afgewezen en dat het verzoek van de vrouw in hoger beroep moet worden toegewezen. Met andere woorden, het hof oordeelt dat de vrouw gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de woning mag verblijven. Dat de woning alleen van de man is doet hier niets aan af. Het hof komt tot dit oordeel omdat het zwaartepunt van de zorg bij de vrouw ligt. Gelet daarop heeft zij een woning nodig om die zorg te kunnen voortzetten. De wet biedt de vrouw de mogelijkheid om de woning nog zes maanden te kunnen gebruiken. Daar komt bij dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de vader van de man in Turkije woont, wat maakt dat zijn moeder alleen woont en er dus in die woning plek zou moeten zijn voor de man om te verblijven. De echtscheiding is op 13 februari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw mag dus tot 13 augustus 2026 in de woning verblijven. Het staat de vrouw vrij om de bestaande praktijk, dat zij op de dagen dat zij niet de zorg heeft voor de kinderen bij familie logeert, voort te zetten.
5.36
Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen en alsnog de vrouw het hiervoor beschreven verblijf in de voormalig echtelijke woning zal toestaan.
5.37
Ten aanzien van de door de man verzochte gebruiksvergoeding overweegt het hof als volgt. De man verzoekt een gebruiksvergoeding te bepalen van € 472,22 per maand en heeft daar, in productie 11 bij het beroepschrift, een berekening bij gevoegd. De man heeft daarin de kosten voor elektra, het Hoogheemraadschap, stadsverwarming, PWN, levensverzekering, schadeverzekering en de kosten voor Ziggo opgenomen. Het hof is van oordeel dat het in dit geval niet redelijk is een gebruiksvergoeding te bepalen. De man betaalt op dit moment geen kinderbijdrage. De kinderbijdrage moet de man namelijk betalen vanaf het moment dat de vrouw een andere woning heeft. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de man voldoende wordt gecompenseerd voor de gebruikskosten van de woning. Het hof zal dit verzoek van de man dus afwijzen.
Gouden sieraden
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.38
Het hof stelt vast dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek ten aanzien van de gouden sieraden. Het oordeel dat op het verzoek Nederlands recht van toepassing is, is niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Standpunten
5.39
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sieraden aan de vrouw toebehoren. De sieraden zijn tijdens de huwelijksvoltrekking door de familie van de man aan hem geschonken. Deze schenkingen hadden tot doel hem en zijn gezin financiële zekerheid te bieden in tijden van nood. Het is in de Turkse gemeenschap gebruikelijk dat tijdens bruiloften waardevolle geschenken aan het bruidspaar worden overhandigd. Deze schenkingen zijn doorgaans bestemd als gemeenschappelijk vermogen of worden expliciet aan de bruidegom geschonken door diens familie. De sieraden zijn niet aan de vrouw geschonken en dit is ook niet onderbouwd door de vrouw. De vrouw heeft de sieraden op 31 mei 2023 uit de kluis gehaald. De man verzoekt vast te stellen dat de vrouw de sieraden onrechtmatig onder zich houdt en haar te veroordelen tot betaling van de waarde daarvan, zijnde € 40.000,-. Als wordt geoordeeld dat het goud aan de vrouw toebehoort stelt de man dat ten minste een substantieel deel aan hem persoonlijk is geschonken. De vrouw dient deze sieraden af te geven dan wel de tegenwaarde te vergoeden.
Ter zitting in hoger beroep heeft de man het standpunt ingenomen dat uit alles blijkt dat de gouden sieraden voor partijen samen bedoeld waren.
5.4
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de sieraden haar als bruidsgave zijn geschonken. Naar Turks recht en naar Turkse traditie behoren de sieraden tot het persoonlijk vermogen van de vrouw en de man kan hier geen aanspraak op maken. De man heeft de sieraden bewust aan het zicht van de vrouw onttrokken door de sieraden aan een vriend te geven om te bewaren. Op het moment dat de man onroerend goed wilde aankopen en in geldnood zat vroeg hij naar de kluis met sieraden. De vrouw wil dat de man de sieraden afgeeft of haar de waarde van € 40.000,- vergoedt. De door de man overgelegde verklaringen van familieleden en vrienden die het goud zouden hebben geschonken zijn onbruikbaar. De verklaringen zijn allemaal op dezelfde datum opgemaakt en hebben allemaal exact dezelfde inhoud. De man had destijds geld nodig omdat hij schulden had, aldus de vrouw.
Beoordeling door het hof
5.41
Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben uiteenlopende verklaringen gegeven over wat er met het goud dat is geschonken op de bruiloft is gebeurd. De vrouw heeft verklaard dat zij de sieraden uit de kluis moest halen van de man en dat zij vervolgens gezamenlijk naar een juwelier aan het [adres] zijn gegaan ( [juwelier] ). Hier zou een bedrag van € 33.500,- zijn geboden voor de sieraden maar de man vond dit te weinig en heeft toen buiten op de stoep een vriend gebeld die € 35.000,- heeft geboden. De sieraden zijn toen mee naar huis gegaan en de man heeft een aantal dagen later foto’s gemaakt van alle sieraden met een krant erbij voor de dagkoers van het goud. Daarna heeft de vrouw de sieraden nooit meer gezien. De man heeft aangegeven dat hij niet de opdracht heeft gegeven om de sieraden uit de kluis te halen maar dat partijen wel samen bij [juwelier] zijn geweest en dat hij daar op de stoep een vriend heeft gebeld om te vragen wat hij voor de sieraden bood. De man heeft aangegeven dat zowel de vrouw als hij van plan waren de sieraden te verkopen. Nadat partijen thuis kwamen van hun afspraak bij [juwelier] zijn de sieraden verdwenen volgens de man.
5.42
Het hof stelt vast dat beide partijen aangeven dat zij niet precies weten wat er met de sieraden is gebeurd. Zij spreken allebei hun vermoedens uit en wijzen daarbij naar elkaar, maar het hof kan niet vaststellen waar de sieraden gebleven zijn nadat partijen bij [juwelier] zijn geweest. Wie de sieraden uit de kluis heeft gehaald is daarom niet relevant. Partijen zijn daarna namelijk met de sieraden bij [juwelier] geweest. Nu het hof niet kan vaststellen waar de sieraden nu zijn kan het hof de vorderingen van beide partijen ten aanzien van de gouden sieraden niet toewijzen. Het hof komt daarom ook niet toe aan vergoeding van de waarde van de sieraden.
5.43
Het voorgaande betekent dat het hof de verzoeken van partijen in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen.
5.44
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.359.058.01:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover de bestreden beschikking ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het gebruik van de echtelijke woning, en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de kinderen en hun ouders als volgt:
in de oneven wekenzal een zorgregeling gelden waarbij de kinderen:
- van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen die dag vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
- van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven;
- van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
in de even wekenzal een zorgregeling gelden waarbij de kinderen:
- van maandagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met woensdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven;
- van woensdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met vrijdagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de vrouw verblijven;
- van vrijdagmiddag vanaf 14:00 uur (of, indien de kinderen vrij zijn, vanaf 14:00 uur) tot en met maandagochtend (of, indien de kinderen vrij zijn, tot 14:00 uur) bij de man verblijven;
in de vakanties zal een zorgregeling gelden, waarbij:
partijen de vakantie bij helfte zullen delen, waarbij de vrouw het eerste deel van de vakanties (eerste weken van de vakantie) voor de kinderen zorgt en de man het tweede deel van de vakanties (de laatste weken van de vakantie) voor de kinderen zorgt;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is tot bewoning van de woning aan de [B-straat] [plaats A] , en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten voor een periode van zes maanden na 13 februari 2026, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;
in de zaak met nummer 200.359.058.02:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. H.A. van den Berg en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.