Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1602

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.352.608/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 lid 1 BWArt. 7:262 lid 2 BWArt. 7:246 BWArt. 7:265 BWUitvoeringswet huurprijzen woonruimte
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling appelverbod en ontvankelijkheid in hoger beroep bij huurprijsgeschil

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de kantonrechter inzake een huurprijsgeschil over een woning die appellant huurt van geïntimeerde. De kantonrechter had geoordeeld dat de dagvaarding van geïntimeerde een dag te laat was betekend, maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een fout bij de deurwaarder. Tevens stelde de kantonrechter vast dat partijen een kale huurprijs van € 1.300,- waren overeengekomen en dat de woning ernstige gebreken had, waardoor geïntimeerde werd veroordeeld tot terugbetaling van huur.

In hoger beroep stelde appellant dat de kantonrechter fundamentele procesbeginselen had geschonden door de termijnoverschrijding te accepteren, maar het hof oordeelde dat appellant wel ontvankelijk was in hoger beroep omdat hij een doorbrekingsgrond stelde, maar dat de kantonrechter geen schending van fundamentele beginselen had begaan. Het hof benadrukte het belang van strikte naleving van termijnen en het beginsel van hoor en wederhoor, dat was gerespecteerd.

Het hof concludeerde dat het appelverbod van artikel 7:262 lid 2 BW Pro niet werd doorbroken en dat appellant daarom niet met succes tegen de vonnissen kon opkomen. Het hoger beroep werd verworpen en appellant werd veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verwerpt het hoger beroep wegens het appelverbod en bevestigt de vonnissen van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.352.608/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10801862 CV EXPL 23-14701
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.H.J. van Riessen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 10 maart 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 24 mei 2024 en 13 december 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie (hierna: de bestreden vonnissen). De dagvaarding bevat de grieven en een productie.
[appellant] heeft geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding en voormelde productie in het geding gebracht.
[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord ingediend.
Op 24 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. [geïntimeerde] heeft nog een productie in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd. Het hof heeft medegedeeld dat eerst slechts de beslissing wordt uitgesproken en dat de motivering daarvan zo spoedig mogelijk daarna wordt gegeven. Het onderstaande bevat die motivering.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden vonnissen de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Die feiten zijn, voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, de volgende.
2.1.
[appellant] huurt sinds 1 december 2021 een woning van [geïntimeerde] (hierna: de woning). Partijen zijn een huurprijs van € 1.300,- overeengekomen.
2.2.
Op 21 april 2023 heeft [appellant] bij de Huurcommissie een verzoek ingediend de aanvangshuur te toetsen. De Huurcommissie heeft bij uitspraak van 27 juli 2023 beslist dat partijen een all-in huurprijs zijn overeengekomen en heeft de aanvangshuurprijs vastgesteld op € 715,- en daarnaast het voorschotbedrag voor bijkomende kosten op € 325,- vastgesteld. Ook is de huurprijs per 1 december 2021 tijdelijk verlaagd tot € 286,- vanwege ernstige gebreken.
2.3.
De uitspraak van de Huurcommissie is op donderdag 31 augustus 2023 naar partijen verzonden.
2.4.
De dagvaarding waarmee [geïntimeerde] de zaak aan de kantonrechter heeft voorgelegd, is op vrijdag 27 oktober 2023 aan [appellant] betekend.

3.Procedure bij de kantonrechter

3.1.
[geïntimeerde] heeft, samengevat, in eerste aanleg primair gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de Huurcommissie niet bevoegd was en, subsidiair, voor recht verklaart dat partijen per 1 december 2021 een kale huur van € 1.300,- per maand zijn overeengekomen en dat de woning geen ernstige gebreken had.
3.2.
[appellant] heeft in zijn verweer aangevoerd dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij zich niet binnen acht weken na de uitspraak van de Huurcommissie heeft gewend tot de kantonrechter. De dagvaarding is een dag te laat betekend. [appellant] heeft daarnaast een vordering in reconventie ingesteld inzake terugbetaling van te veel betaalde huur.
3.3.
In het bestreden vonnis van 24 mei 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de dagvaarding van [geïntimeerde] een dag te laat is uitgebracht, maar dat deze termijnoverschrijding niet aan [geïntimeerde] kan worden tegengeworpen omdat, samengevat, ondanks tijdige instructie door [geïntimeerde] de deurwaarder door een fout binnen diens kantoororganisatie de dagvaarding een dag te laat heeft uitgebracht. Bij het bestreden vonnis van 13 december 2024 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat partijen per 1 december 2021 een kale huurprijs van € 1.300,- zijn overeengekomen. Ook heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de woning op 12 juni 2023 ernstige gebreken had en [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 7.200,- (terug) te betalen in verband met huurkorting.

4.Vordering in hoger beroep

4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd. Die wijziging betreft de hoogte van het gevorderde bedrag aan te veel betaalde huur. [appellant] vordert in hoger beroep, samengevat, dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans die vorderingen zal afwijzen en de gewijzigde vordering van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten.
4.2.
[geïntimeerde] concludeert, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de in hoger beroep vermeerderde eis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

5.Beoordeling

5.1.
Het hof oordeelt dat [appellant] niet met succes van de bestreden vonnissen in hoger beroep kan komen vanwege het rechtsmiddelenverbod uit artikel 7:262 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Hieronder legt het hof uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.
Appelverbod
5.2.
Op grond van artikel 7:262 lid 2 BW Pro staat tegen een vonnis van de kantonrechter krachtens dat artikel geen hogere voorziening open. Dit appelverbod kan alleen worden doorbroken als de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van de artikelen 7:246 tot en met 7:265 BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW) is getreden of deze artikelen ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of als in de procedure bij de kantonrechter fundamentele beginselen van een goede procesorde zodanig zijn geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Voor de ontvankelijkheid in hoger beroep is het voldoende dat een doorbrekingsgrond is gesteld.
Ontvankelijkheid van [appellant] in het hoger beroep
5.3.
[appellant] heeft gesteld dat de kantonrechter [geïntimeerde] in haar op artikel 7:262 lid 1 BW Pro gebaseerde vorderingen niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij de in die bepaling genoemde dagvaardingstermijn van acht weken heeft overschreden. De deurwaarder heeft de inleidende dagvaarding van [geïntimeerde] immers één dag te laat uitgebracht. Volgens [appellant] rechtvaardigen interne problemen op het kantoor van de deurwaarder, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, geen uitzondering op deze termijn, die van openbare orde is. Het hof begrijpt dit standpunt zo, dat [appellant] daarmee aan de orde stelt dat de kantonrechter fundamentele beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. Dat betekent dat [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Er is geen doorbrekingsgrond
5.4.
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of de kantonrechter fundamentele beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. Alleen als dat het geval is komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. [appellant] heeft immers geen andere doorbrekingsgronden gesteld.
5.5.
Uitgangspunt is dat termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel (zoals de termijn van artikel 7:262 lid 1 BW Pro die in de procedure bij de kantonrechter aan de orde was) van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel begint en eindigt en aan rechtsmiddelentermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Daarop kan alleen onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt.
5.6.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 24 mei 2024 geoordeeld dat dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig waren (zie 0. hierboven). Niet in geschil is dat [appellant] zich, voorafgaand aan dat oordeel, zowel in zijn conclusie van antwoord als ter zitting van de kantonrechter over de termijnoverschrijding heeft kunnen uitlaten. Daarmee is aan het beginsel van hoor en wederhoor voldaan. In het bestreden vonnis van 24 mei 2024 heeft de kantonrechter de standpunten van partijen besproken en uitvoerig gemotiveerd op grond waarvan zij tot haar oordeel is gekomen. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch is daarvan gebleken, waaruit volgt dat de kantonrechter in strijd heeft gehandeld met fundamentele beginselen van een goede procesorde, laat staan dat daardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Dat [appellant] het niet eens is met het oordeel van de kantonrechter en meent dat dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maakt dat niet anders.
Slotsom en kosten
5.7.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het rechtsmiddelenverbod niet wordt doorbroken. Dat betekent dat [appellant] in hoger beroep niet met succes kan opkomen tegen de bestreden vonnissen. Het hof zal het hoger beroep daarom verwerpen. Aan een inhoudelijke behandeling van de grieven komt het hof niet toe.
5.8.
[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten worden begroot op € 827,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.580,- aan advocatenkosten (twee punten maal € 1.290,-).

6.Beslissing

Het hof:
verwerpt het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,- aan verschotten en € 2.580,- voor salaris;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, J.C.W. Rang en G.J.W. Pulles en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Het bovenstaande bevat de vastlegging van de motivering van het reeds op 7 april 2026 uitgesproken arrest en is op 13 april 2026 aldus vastgesteld en door de voorzitter ondertekend.