Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1596

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.368.103/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 RvHR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek gezagsbeëindiging en toekenning eenhoofdig gezag aan moeder

Deze zaak betreft een geschil over het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen. De rechtbank had het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend. De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzocht tevens om schorsing van de werking van deze beschikking.

Het hof heeft het schorsingsverzoek van de vader beoordeeld aan de hand van de maatstaven van de Hoge Raad, waarbij het uitgangspunt is dat een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, ook uitvoerbaar blijft tijdens het hoger beroep, tenzij zwaarwegende belangen anders vereisen. De belangen van de moeder en de kinderen bij het behoud van rust en stabiliteit in de situatie werden afgewogen tegen het belang van de vader om als juridisch ouder met gezag deel te nemen aan het hulpverleningstraject.

Het hof concludeerde dat het belang van de moeder en de kinderen bij het handhaven van het eenhoofdig gezag zwaarder weegt dan het belang van de vader bij schorsing. De vader blijft betrokken bij de ondertoezichtstelling en omgangsregeling, waardoor zijn positie niet achtergesteld is. Het schorsingsverzoek werd daarom afgewezen. De kosten van het incident worden ieder door de eigen partij gedragen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de beschikking die het gezamenlijk gezag beëindigt af en handhaaft het eenhoofdig gezag bij de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer gerechtshof: 200.368.103/02
zaaknummer rechtbank: C/13/770721 / FA RK 25-4406 (G&O)
beschikking van de meervoudige kamer van 28 mei 2026
in de zaak van
[de vader],
wonende in [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verzoeker in het incident (schorsing),
hierna: de vader,
advocaat: mr. O. Asscher, gevestigd in Amsterdam,
en
[de moeder],
wonende in [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verweerster in het incident (schorsing),
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.G.M. ter Avest, gevestigd in Utrecht.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt de minderjarigen:
- [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] .
Als informant is aanmerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats A] , gevestigd te [plaats A] (hierna: de GI).
In zijn adviserende taak is bij de procedure betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over het ouderlijk gezag over de kinderen. De rechtbank heeft de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen. De vader is het daar niet mee eens en wil het gezamenlijk gezag handhaven. Daarbij heeft hij ook een incidenteel verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingediend (artikel 360 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering). In deze uitspraak beslist het hof op dat incidentele verzoek.

2.Het verloop van de procedure in het incident tot schorsing

2.1
De vader is op 23 april 2026 in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.368.103/01) van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2026 (hierna de bestreden beschikking). Daarnaast heeft hij ook een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking ingediend (zaaknummer 200.368.103/02).
2.2
De moeder heeft op 26 mei 2026 een verweerschrift in het incident ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- twee berichten van de vader van 26 mei 2026 met producties;
- een bericht van de vader van 27 mei 2026 met productie.
2.4
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag met de voorzitter wil praten, maar is op de daarop gemaakte afspraak niet verschenen. [minderjarige 2] heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om haar mening te geven.
2.5
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd;
- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.
De advocaat van de moeder heeft voorafgaand aan de zitting het hof bericht dat zij niet ter zitting aanwezig zal zijn. Ter zitting heeft de advocaat van de vader een pleitnotitie overgelegd, die in verband met de omvang gedeeltelijk is voorgedragen.
Ter zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking is daarvan de schriftelijke uitwerking.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een relatie gehad tot februari 2022.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [plaats A] .

4.De omvang van het hoger beroep in het incident

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder alleen met de uitoefening van het gezag over de kinderen belast. Ook heeft de rechtbank op verzoek van de raad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 13 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
4.2
De vader verzoekt in het incident de schorsing van de werking van de bestreden beschikking te bevelen, voor zover het gezamenlijk gezag is beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder is toegekend.
4.3
De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer en vindt dat het hof het schorsingsverzoek van de vader moet afwijzen. Zij verzoekt de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5.De motivering van de beslissing

Toetsingskader
5.1
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking werking heeft, ondanks het hoger beroep van de vader. Het hof kan op grond van de wet - als uitzondering - toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd c.q. nog geen werking heeft zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Tussen partijen staat niet ter discussie dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing heeft genomen over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Met inachtneming van dat uitgangspunt gelden bij de beoordeling van het schorsingsverzoek van de vader de volgende maatstaven:
i) uitgangspunt is dat een uitgesproken beschikking als waarvan in deze zaak sprake is, hangende het hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn;
ii) afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de vader bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de moeder, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de afweging van de betrokken belangen ziet het hof aanleiding in dit geval ook de belangen van de kinderen te betrekken;
iii) bij de toepassing van de onder i) genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat het hof in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.
Standpunten
5.2
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot schorsing stelt de vader dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking voor zover daarbij het gezamenlijk gezag is beëindigd en eenhoofdig aan de moeder is toegekend. De voortzetting van de behandeling van de zaak bij de rechtbank met betrekking tot de omgang tussen de vader en de kinderen, alsmede de verlenging van de ondertoezichtstelling is bepaald op 4 juni 2026. De vader heeft er belang bij dat de werking van de bestreden beschikking voor die tijd wordt geschorst. Zolang deze beslissing uitvoerbaar blijft, kan de vader niet als volwaardig (juridisch) ouder met gezag deel nemen aan het traject rondom de uitbreiding van de omgang kinderen. Ook heeft de vader dan geen volwaardige stem waar het gaat om het al dan niet voortzetten van de ondertoezichtstelling. Immers zal de vader als hij geen gezag meer heeft in de procedure met betrekking tot de (verlenging van de) OTS niet langer als belanghebbende worden aangemerkt, maar slechts als informant. Daarmee is hij geen volwaardig procesdeelnemer (meer), terwijl de OTS wel direct zijn belangen raakt.
De beëindiging van het gezag is bovendien gebaseerd op een kwalificatie van het gedrag van de vader passend binnen het door de moeder gecreëerde frame van intieme terreur, welke kwalificatie door de vader gemotiveerd wordt bestreden in hoger beroep. Zolang deze kwalificatie voortduurt en de vader geen gezag heeft, is zijn juridische en feitelijke positie in het hulpverleningstraject ernstig verzwakt.
Uit de stukken blijkt verder niet van een situatie van acute of structurele onveiligheid die maakt dat het noodzakelijk is om de vader per direct uit het ouderlijk gezag te verwijderen zonder de uitkomst van het hoger beroep af te wachten. De belangenafweging dient naar mening van de vader dan ook uit te vallen in zijn voordeel.
5.3
De moeder betwist dat er sprake zou zijn van een spoedeisend belang. De moeder betoogt dat sinds de beslissing van de rechtbank de beoogde rust voor haar en de kinderen deels tot stand is gekomen. Indien de vader tijdens de procedure in hoger beroep het ouderlijk gezag weer zou gaan uitoefenen zal dit tot hernieuwde stress en angst bij moeder leiden, Dit heeft een negatieve invloed op de kinderen. Ook zal de vader beslissingen die samenhangen met het gezag gaan tegenwerken. De belangen van de kinderen en de moeder zijn daarmee niet gediend. Het schorsingsverzoek moet wat de moeder betreft dan ook worden afgewezen.
5.4
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de raad het hof geadviseerd het verzoek van de vader om de werking van de bestreden beschikking te schorsen, af te wijzen. De raad kan de redenering van de rechtbank goed volgen en is van mening dat de gezagsbeëindiging terecht uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
5.5
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat door de GI tijdens de zitting van de rechtbank op 4 juni aanstaande zal worden verzocht om een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van het resterende half jaar. De ondertoezichtstelling richt zich vooral op het monitoren van de begeleide omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Het feit dat de vader geen gezag meer heeft over de kinderen belemmert de GI niet in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI heeft bovendien aangegeven dat zij alle stukken voor de zitting van 4 juni aanstaande ook aan de vader zullen toesturen.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof is van oordeel dat de vader belang heeft bij het indienen van een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. De vader zal dan ook worden ontvangen in zijn verzoek daartoe.
Het hof zal vervolgens een belangenafweging moeten maken, waarbij de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende oordelen als uitgangspunt hebben te dienen. Aan de zijde van de moeder en de kinderen speelt het belang dat na een zeer langdurige conflictueuze en stressvolle situatie door de beslissing ten aanzien van het gezag er relatieve rust is gekomen en dat er (gezags)beslissingen kunnen worden genomen over bijvoorbeeld het inschakelen van noodzakelijke hulp voor de kinderen zonder dat dit tot conflict tussen de ouders leidt. Het belang van de moeder en de kinderen is dat die situatie van rust gehandhaafd blijft tijdens de lopende hoger beroepsprocedure.
Aan de kant van de vader speelt het belang dat hij als volwaardige ouder een juridisch volwaardige positie wil hebben, met name tijdens de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 bij de rechtbank, maar ook in de periode daarna ten aanzien van de uitvoering van de ondertoezichtstelling bij een mogelijke verlenging daarvan.
Het hof is van oordeel dat het belang van de moeder en de kinderen bij behoud van het eenhoofdig gezag zwaarder weegt dan het belang van de vader bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking op dit punt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vader een positie heeft in de uitvoering van de ondertoezichtstelling, hij de stukken van de GI ontvangt ten behoeve van de komende zitting en tijdens die zitting op 4 juni 2026 zal worden bijgestaan door zijn advocaat. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de rechtbank de doelen van de ondertoezichtstelling strak heeft omkaderd en dat deze zien op het monitoren van de begeleide omgangscontacten tussen de vader en de kinderen. Aan de doelen van de ondertoezichtstelling kan dus ook gewerkt worden als de vader het gezag niet heeft. De GI voert de ondertoezichtstelling thans ook uit met inachtneming van het door de rechtbank geformuleerde doel en de vader ziet de kinderen wekelijks gedurende twee uur onder begeleiding. In dat opzicht wordt de vader ten volle meegenomen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en wordt hij ook betrokken bij het overleg over het verloop van de omgangsregeling. Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van een achtergestelde positie van de vader.
De vraag of de bestreden beschikking al dan niet geheel juist is en of de beslissing in hoger beroep in stand zal blijven, vormt niet de maatstaf aan de hand waarvan in dit geschil moet worden beslist.
Het hof is voorts niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden van na de bestreden beschikking die op dit moment maken dat van die beslissing dient te worden afgeweken.
Het hof zal daarom het schorsingsverzoek van de vader afwijzen.
Proceskosten
5.7
Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de proceskostenveroordeling in het schorsingsverzoek dan ook afwijzen en bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
wijst af het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;
bepaalt dat iedere partij in het schorsingsverzoek de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. P.F.E Geerlings en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Deze beschikking vormt de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 28 mei 2026 en is op 9 juni 2026 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren en ondertekend door de voorzitter.