Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1591

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.602/01 en 200.360.886/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.22 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven 2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling en kinderalimentatie, geen wijziging verdeling woning

De zaak betreft een hoger beroep over de zorgregeling en kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen en de verdeling van de voormalig echtelijke woning. De rechtbank had bepaald dat de kinderen iedere zondag en eens per vier weken ook op zaterdag bij de vader verblijven, met een kinderalimentatie van €445 per kind per maand. Tevens was bepaald dat de overwaarde van de woning bij verkoop gelijkelijk wordt verdeeld.

De vader verzocht om flexibiliteit in de zaterdagregeling vanwege zijn werk, verlaging van de kinderalimentatie naar €257 per kind en een andere verdeling van de overwaarde waarbij eerst zijn lasten worden vergoed. De moeder steunde de bestreden beschikking. Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen en de moeder vraagt om een vaste zaterdagregeling en dat de vader zijn werk zo moet organiseren dat hij één zaterdag per vier weken vanaf 10.00 uur beschikbaar is.

Met betrekking tot de kinderalimentatie volgde het hof de rechtbank in het hanteren van de gemiddelde privéonttrekkingen als indicatie van de behoefte en de gemiddelde winst uit onderneming als draagkracht. De vader had onvoldoende onderbouwing voor een lagere draagkracht. De stelling dat het appartement in Turkije was verkocht werd niet bewezen vanwege het ontbreken van een vertaling van Turkse documenten. De vader kon ook niet aantonen dat hij alle lasten van de woning betaalde. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling en kinderalimentatie en wijst het verzoek tot wijziging van de woningverdeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.360.602/01 en 200.360.886/01
zaaknummer rechtbank: C/15/347564 / FA RK 23-6259 en C/15/354444 / FA RK 24-
3477
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E. Cekic te Uitgeest.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige 1] (8) en [minderjarige 2] (3) met de vader, de kinderalimentatie die de vader moet betalen en een onderdeel van de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen.
De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen iedere zondag bij de vader zijn en eens per vier weken ook op de zaterdag (met overnachting). Verder heeft de rechtbank een door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald van € 445,- per kind per maand en, voor het geval de voormalig echtelijke woning dient te worden verkocht, bepaald dat partijen de overwaarde bij helfte moeten delen.
De vader stelt dat hij de kinderen, in verband met zijn werk, niet gegarandeerd op zaterdagen bij zich kan hebben. Verder stelt hij onvoldoende draagkracht te hebben om een kinderalimentatie hoger dan € 257,- per kind per maand te betalen en meent hij dat hij na verkoop van de woning eerst de door hem betaalde helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten dient terug te krijgen voordat het restant bij helfte wordt gedeeld.
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 20 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 21 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar) (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 12 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 10 april 2026 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vader van 14 april 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 17 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2018 en [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 (hierna gezamenlijk: de kinderen).
De ouders zijn gehuwd [in] 2014. Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 september 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
Partijen zijn in 2023 feitelijk uiteen gegaan.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
- de kinderen verblijven iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader;
- eenmaal per vier weken verblijven de kinderen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader.
Daarnaast heeft de rechtbank een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 445,- per kind per maand. Deze beslissing is gegeven op het - gewijzigde - verzoek van de moeder om een bijdrage te bepalen van € 551,25 per kind per maand.
Verder is de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [A-straat] te [plaats A] en de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij BLG Wonen gelast overeenkomstig hetgeen in rechtsoverwegingen 2.7.6. tot en met 2.7.13 is overwogen. Daarin is overwogen, samengevat en voor zover hier van belang, dat de woning aan de vader wordt toebedeeld. Indien de vader niet de mogelijkheid heeft om het aandeel van de moeder in de woning over te nemen, dient de woning te worden verkocht. Bepaald is dat na verkoop en overdracht van de woning de verkoopopbrengst, na aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire lening, gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld zal dragen en voldoen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
- te bepalen dat de kinderen bij hem verblijven iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en, indien werk dit toelaat, eenmaal per vier weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur,
- een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen van € 257,- per kind per maand met ingang van datum 21 juli 2025,
- de verdeling van de woning te gelasten in die zin dat na verkoop eerst de helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten aan de vader worden voldaan waarna het restant bij helfte zal worden verdeeld.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
5.1
De vader stelt dat hij in het weekend vaak werk heeft als bestrater en dat hij die inkomsten nodig heeft om schulden af te lossen. Om die reden wil hij zich niet vastleggen op een zorgregeling waarbij de kinderen eens per vier weken (ook al) op zaterdag bij hem zijn vanaf 10.00 uur. Hij kan er op zijn vroegst om 14.00 uur voor hen zijn. Als hij geen werk heeft, kunnen de kinderen wel om 10.00 uur komen. Het gaat de vader erom dat de vierwekelijkse zaterdag niet vastligt, maar dat partijen flexibel om kunnen gaan met deze dag.
De moeder wil graag dat de kinderen eens per vier weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond bij de vader zijn. Dat geeft haar de gelegenheid wat te plannen op die zaterdag en het zorgt voor een ritme voor de kinderen.
5.2
De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het voor de kinderen van belang is dat de vader eens per vier weken een heel weekend met hen kan doorbrengen. Ook voor de moeder, die de hoofdzorg draagt, is dat prettig.
5.3
Naar het oordeel van het hof is het in belang van de kinderen dat zij eens in de vier weken ook op zaterdag bij de vader zijn en dat het voor hen duidelijk is wanneer dat is en vanaf welk tijdstip. Van de vader mag in dat verband worden verwacht dat hij met zijn werk regelt dat hij één zaterdag per vier weken vrij houdt om de kinderen vanaf 10.00 uur bij zich te hebben. De moeder heeft de zorg voor de kinderen doordeweeks en drie weekenden per maand tot en met zondagochtend. Ook de moeder moet één keer in de vier weken ruimte hebben om op zaterdag tijd zonder de kinderen door te brengen. Daarbij is het niet in het belang van de kinderen en de moeder dat dit telkens weer ter discussie kan worden gesteld. Daarom is het hof van oordeel dat de ene zaterdag per vier weken bij beschikking vastgelegd dient te worden en dat daarbij ook het tijdstip van 10.00 uur wordt vastgelegd. Vervolgens staat het partijen vrij om daar in onderling overleg alsnog van af te wijken, maar
alleenals de moeder met afwijking expliciet en van tevoren akkoord is gegaan, dus na een tijdig verzoek van de vader waarop het antwoord ‘ja’, maar dus ook ‘nee’ kan zijn. Het hof zal de bestreden beschikking op het punt van de vierwekelijkse zaterdag dan ook bekrachtigen.
Kinderalimentatie
5.4
De vader heeft een eenmanszaak, genaamd [X] . Gezien de fiscale rapporten van 2021 tot en met 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de eenmanszaak achtereenvolgens € 75.972,-, € 64.680,- en € 47.496,-. Uit de aangifte IB 2025 blijkt een winst in dat jaar van € 31.056,-.
De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen niet gebaseerd op de winst, maar op de onttrekkingen over de jaren 2021 tot en met 2023 van gemiddeld € 99.223,- per jaar. Daarnaast heeft de rechtbank de huurinkomsten in aanmerking genomen die partijen ontvingen voor hun appartementen in Turkije.
Met deze berekening is de vader het oneens. Hij stelt dat de behoefte van de kinderen € 421,- per kind per maand bedraagt, gebaseerd op de inkomsten in 2023.
Behoefte
5.5
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat privéonttrekkingen in beginsel een goed beeld geven van wat partijen werkelijk te besteden hadden en daarmee een goede indicatie vormen van de toenmalige levensstandaard van de kinderen. Nu zowel de winst als de onttrekkingen per jaar fluctueren, kan het hof voorts volgen dat de rechtbank ter vaststelling van de behoefte van de kinderen de gemiddelde onttrekkingen over 2021 tot en met 2023 heeft genomen.
De vader heeft gesteld noch onderbouwd waarom de (gemiddelde) onttrekkingen geen goede indicatie zouden zijn voor de mate van welstand van partijen en de kinderen tijdens het huwelijk. Hij heeft bovendien de hoogte van de door hem gestelde behoefte niet toegelicht en niet van een berekening voorzien. Voor zover de vader heeft bedoeld te stellen dat de huurinkomsten niet in aanmerking moeten worden genomen in het kader van de berekening van de behoefte, heeft hij die stelling evenmin voldoende onderbouwd.
Draagkracht
5.6
De rechtbank heeft de draagkracht van de vader gebaseerd op de gemiddelde winst uit onderneming over de periode 2022 tot en met 2024 ter hoogte van € 52.578,-. Volgens de vader bedroeg de gemiddelde winst echter afgerond € 39.904,-. Daarbij heeft hij voor de winst van 2024 verwezen naar twee pagina’s van het fiscaal rapport aangifte IB 2024. Daarop staat echter alleen de
belastbarewinst van € 36.242,- vermeld, derhalve de winst waarop de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling al in mindering zijn gebracht. Ook over de jaren 2021 tot en met 2023 gaat de vader uit van zijn belastbaar inkomen en dus niet van zijn winst uit onderneming zoals die volgt uit de jaarrekeningen van zijn onderneming (zie r.o. 5.4 hiervoor). Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het om het inkomen dat hij redelijkerwijs kan genereren. Daarbij dient de winst uit onderneming vóór belastingen als uitgangspunt te worden genomen. Vervolgens dient zijn draagkracht te worden vastgesteld, mede op basis van de belastingdruk die op dat inkomen rust. Vast staat dat de winst uit onderneming van de vader aan fluctuatie onderhevig is. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank voor de vaststelling van de draagkracht van de vader dan ook terecht uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024. De vader heeft in hoger beroep niet nader toegelicht waarom dit uitgangspunt niet juist is en ook voor het overige geen gronden aangevoerd waarom in hoger beroep anders zou moeten worden geoordeeld. Aldus heeft de vader onvoldoende gemotiveerd waarom bij de vaststelling van zijn draagkracht van een lager inkomen c.q. winst moet worden uitgegaan dan de rechtbank heeft gedaan.
5.7
De vader is het er verder niet mee eens dat de rechtbank (ook) bij de bepaling van zijn draagkracht rekening heeft gehouden met inkomsten uit verhuur van het aan de vader toebedeelde appartement in Turkije. De vader stelt dat dit appartement te koop stond (en inmiddels is verkocht) en dat het niet meer wordt verhuurd sinds september 2025. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij documenten in het geding gebracht, gesteld in de Turkse taal. De man heeft gesteld dat uit deze documenten volgt dat het appartement is verkocht. Op grond van artikel 1.1.22 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven 2026 is een vertaling in beginsel noodzakelijk als een bewijsstuk is gesteld in een andere buitenlandse taal dan in de Engelse, Duitse of Franse taal. Nu een vertaling ontbreekt en de moeder, die de Turkse taal machtig is, ter zitting in hoger beroep heeft betwist dat de stukken zien op een verkoop van het appartement (maar hooguit lijken vast te leggen dat het appartement op naam van de moeder van de vader is gezet), kunnen deze stukken niet als bewijs van de vader dienen. Het hof gaat er derhalve net als de rechtbank vanuit dat de vader zijn appartement verhuurt en dat hij huurinkomsten heeft.
5.8
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof geen nieuwe berekening van de draagkracht van de vader maken. De door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie blijft dus in stand.
Verdeling
5.9
De vader is het oneens met de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning die recentelijk is verkocht. Volgens hem moet uit de overwaarde eerst aan hem de helft worden betaald van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten, waarna het restant bij helfte wordt gedeeld. De vader stelt sinds ruim twee jaar alle eigenaars- en gebruikerslasten te betalen.
5.1
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep betwist dat de vader alle eigenaars- en gebruikerslasten van de voormalig echtelijke woning is blijven betalen. Tegenover haar betwisting heeft de vader zijn stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Hij heeft weliswaar een grote hoeveelheid bankafschriften van 2023 tot en met 2025 in het geding gebracht, maar nu een toelichting of specificatie ontbreekt, kan het hof daaruit niet opmaken dat de vader (ook) na zijn vertrek uit de voormalig echtelijke woning daarvan alle lasten is blijven betalen. Ook op dit onderdeel zal het hof de beschikking waarvan beroep dus bekrachtigen.
5.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. T.M. Subelack en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.